Back

 

" De (on)wettigheid van via het Internet beschikbaar stellen van muziek "

 

Door: Jaap Ockhuijsen 

 

INLEIDING 

Het Internet, de aanbieder, geeft de indruk dat alles voor niets kan worden gebruikt. Soms zal dit ook het geval zijn maar meestal is dit niet helder of de gebruiker wil het gewoon niet weten.

Aan wie dit ligt, aan de aanbieder of gebruiker, de meeste internetgebruikers weten wel dat er inbreuk wordt gemaakt op rechten van derden[1].

Er zijn verschillende spelers op het Internet die te maken krijgen met civiel- en/of strafrechtelijke aspecten die te maken hebben met de rechten van muziek.

De aanbieder en de Provider[2] zullen er feitelijk op moeten toezien dat de rechthebbende krijgt wat hem toekomt, dit op vrijwillige basis of desnoods op afgedwongen basis.

Meer van belang is dat alle partijen die zijn betrokken in de wirwar van muziekrechten uiteindelijk het besef krijgen, wat de meest redelijke oplossing is voor alle spelers in het perspectief en dat er naar een win-win situatie wordt gewerkt.

 

 

Muziek is van iedereen

 

Zolang er diensten zijn waarvoor mensen dienen te betalen, neigen mensen om in zulke situaties zo weinig mogelijk, en als het even kan, niets te betalen voor de ontvangen diensten.

Dit uiteraard bezien van uit het gezichtspunt; "ik wil waar voor mijn geld".

Dit is een argument dat hout snijdt, echter op gebied van verveelvoudigen van muziek lijken opeens hele andere criteria te gelden.

Er worden zonder blikken of blozen de meest absurde argumenten gecreëerd om de handelwijze van deze of gene te vergoelijken.

De Muziek is te duur, de artiest en de handel verdienen genoeg aan reeds verkochte muziek, dus hoeven gebruikers op het Internet zich geen zorgen te maken over de rechten van componisten en muziekuitgevers[3].

Het Wilde Westen heeft een levendige verbeelding op mensen, dit heeft te maken met de vrijheid die een ieder kon hebben om te doen wat hij wilde, zonder last te hebben van de wet.

Het Internet heeft mijns inziens net zo'n verbeeldingskracht als het Wilde Westen op mensen.

Dit is een wereld waar rechtsregels niet duidelijk zijn of naar eenrichting worden geïnterpreteerd.

De Buma/Stemra heeft haar verantwoordelijkheid genomen en een tijdelijke regeling geschapen, met als reden: "Een tijdelijke regeling is beter dan niets"[4].

De uitdaging van Buma/Stemra om muziek op het Internet te beschermen tegen bandieten heeft iets van het John Wayne effect, n.l. "recht wie recht toekomt"

De Chinezen hebben een ander denken over rechten van muziek. Dit komt door hun culturele achtergrond en is niet gericht op het marktmechanisme waar men rechten zet tegenover geld.

Het idee dat mensen hebben en daarna publiekelijk maken is van iedereen dus kun je daar geen rechten aan ontlenen.

Dit denken is tekort door de bocht maar heeft wel iets sociaals in zich.

Het Europees middeleeuws denken heeft hier wel iets van weg: alles wat mensen maakten of bedachten was bedoeld voor God de schepper. Auteursrechten bestonden toen nog, niet dit kwam pas tot ontwikkeling na de Middeleeuwen waarbij het individu centraal kwam te staan.

Vanaf deze periode heeft Intellectuele Eigendom kunnen gedijen en is zo geworden zoals we het nu kennen. Internet heeft er voor gezorgd dat mensen toegang hebben gekregen tot het Intellectuele Eigendom in de ruimste zin van het woord, maar is nog niet toegerust om de rechthebbende, naar redelijkheid en billijkheid haar of zijn rechten te laten verzilveren.

De snelheid van het Internet geeft de samenwerkende mens een achterstand, want overleggen gaat via andere kanalen dan het Internetkanaal. Dit heeft alles met belangen (lees geld) te maken.

Muziek is mijns inziens van iedereen mits de rechthebbenden worden schadeloosgesteld om zodoende de drijfveer te hebben om nog meer creatieve ideeën te ontplooien.

 

 

Internetregeling Buma/Stemra

 

De Nederlandse auteursrechtenorganisatie, Buma/Stemra, hebben al een tijdelijke regeling voor aanbieders getroffen om muziek op internet te zetten c.q. te gebruiken.

De Buma/Stemra hebben in 1996 een tijdelijke regeling ingesteld voor het gebruik van muziek op internet, aangeduid als de Buma-regeling.

De Buma/Stemra hebben een regeling geïntroduceerd om gebruikers te laten betalen voor het gebruik van muziek op het Internet.

De rechtsbasis voor deze regeling wordt door sommige auteurs betwijfeld, vanwege het feit dat Buma niet de bevoegdheid heeft om vergoedingen te vragen over rechten waarvan zij niet expliciet de rechten heeft om deze te vertegenwoordigen.

De reikwijdte van overdracht wordt door Hugenholtz beperkt in zijn zienswijze die ten tijde van overdracht voorzienbaar moest zijn, omtrent wat er werd overgedragen. In zo geval is er sprake van een gespecificeerde overdracht, echter de Buma exploitatiecontract tendeert naar een regeling van ongespecificeerde overdracht van rechten.

Een gespecificeerd contract houdt in, dat vooraf helder is voor partijen welke beoogde exploitatievormen door het auteursrechtenbureau worden toegepast.

In het contract van de Buma/Stemra wordt niet gesproken over toekomstige bevoegdheden, louter wordt de bestaande situatie beschreven met als gevolg een lacune in het contract voor toekomstige omstandigheden.

De auteursrechthebbende kan dit in rechte aanvechten, de interpretatie van een exploitatiecontract, edoch heeft een en ander tot gevolg dat de belangen van rechthebbende in zijn totaliteit daar niet mee zijn gediend.

Het artikel 2 lid 2 Auteurswet geeft Hugenholtz een handvat om te vinden dat Buma te ruim gebruik maakt van dit artikel.

In de literatuur wordt er verschillend tegen aangekeken. Enerzijds legt men het artikel strikt uit, zodat op grond van de redelijkheid en billijkheid -artikel 6:248 BW- en onvoorziene omstandigheden -artikel 6:258 BW- geen ruimte wordt toegelaten om deze artikelen toe te passen.

Er wordt gesteld dat het juist de bedoeling is van art. 2 Aw om toekomstige exploitatievormen toe te laten waarvan kan worden gezegd dat dit de bedoeling was ten tijde van het ondertekenen van het exploitatiecontract.

Spoor en Verkade vinden dat de aard en strekking van een overeenkomst er terdege toe doet of art. 2 Aw bij zo'n overeenkomst ruim mag worden uitgelegd.

In een reactie, gegeven door het Hoofd Auteursrechtzaken van de Buma/Stemra,[5] wordt gesteld dat er wel degelijk ruimte is om toekomstige exploitatievormen te laten vallen onder de overdrachtsakte die rechthebbenden hebben afgesloten met de Buma.

Het exploitatiecontract voldoet volgens Buma wel degelijk aan de eisen zoals gesteld in Artikel 2 lid 2 Aw m.b.t. toekomstige exploitatievormen. In het contract wordt gesproken over 'de meest volledige wettelijke omvang', dit impliceert overdracht van toekomstige exploitatievormen.

De Buma/Stemra was internationaal een van de eerste die een regeling hebben getroffen voor het Internet. Daarmee nam zij het voortouw om de belangen van rechthebbenden te verdedigen ook al wist zij zelf niet hoe een en ander zich zou gaan ontwikkelen.

Niets doen is funest, dus stapte Buma/Stemra[6] in de wereld van het Internet met als doel belangen veilig te stellen en invloed uit te oefenen voor rechthebbenden, n.l. de klant van de Buma/Stemra.

 

 

Napster

 

Het fenomeen Napster[7] houdt anno 2000 de muziekindustrie bezig met een impact alsof zij de industrie tot haar fundamenten zal afbreken. Als de man of vrouw in het dagelijks leven wordt gevraagd: "Wat vindt u nu van dit fenomeen?", dan zul je een diversiteit aan antwoorden krijgen. Maar de rode draad door al deze antwoorden zal naar alle waarschijnlijkheid zijn: " Napster morally right, but legally wrong".

In het algemeen zal dit betekenen dat de muziekindustrie bij haarzelf te raden moet gaan en aan zelf onderzoek moet gaan doen want de emotionaliteit druipt af van de antwoorden.

Dit impliceert dat het juridisch gehalte van de naar verwachting te geven antwoorden, nihil zal zijn en meestal worden gefixeerd op het standpunt: het is de arrogantie van diezelfde industrie die ervoor heeft gezorgd dat Napster hoe juridisch fout ze ook zou kunnen zijn, de buitenwacht door beeldvorming toch zoiets heeft van, "terecht dat het zo kan".

Napster is als een Robin Hood, steelt van de rijken en geeft aan de armen.

De realiteit geeft het beeld dat Napster niet meer doet dan gebruikers de gelegenheid geven om muziek te downloaden voor eigen gebruik. Mocht het zo zijn dat er sprake is van inbreuk op auteursrechten dan dienen de individuele gebruikers hierop aangesproken te worden, want zij zijn degene die inbreuk plegen op rechten van andere, althans volgens Napster.

Inmiddels heeft een Amerikaanse Rechter een uitspraak gedaan, waarin wordt gesteld dat Napster inbreuk maakt op muziekrechten van derden. In concreto betekent dit, dat er opnamen van  muziek zonder toestemming van rechthebbenden worden verveelvoudigd.

Het downloaden van muziek kan worden aangemerkt als reproduceren. Dit mag niet zonder toestemming van de rechthebbenden, tenzij er sprake is van een kopie voor eigen gebruik. Dit is bepaald in artikel 16b Aw 1912.

Hugenholtz legt de relatie tussen art. 16b Aw en het downloaden van muziek zoals gebeurt volgens de Napstermethode. Er wordt aangeduid dat uitlenen en downloaden van elkaar verschillen door de technische omstandigheden, maar de kopie die een gebruiker kan maken voor eigen gebruik gezien kan worden als complementair ofwel, downloaden als middel is rechtens niet inbreukmakend.

Het verschil tussen uitlenen en downloaden over een redelijke vergoeding voor de rechthebbende ontbeert ten enenmale bij het downloaden van muziek, omdat er geen geldelijke heffingen zijn over dit fenomeen. In het leenrecht betaalt men een vergoeding voor het gebruik van muziek en dat rechtvaardigt het kopie voor eigen gebruik. Een vergoeding voor het downloaden is er voor alsnog niet. Dit impliceert een inbreuk op rechten, tenzij er toestemming wordt gevraagd aan de rechthebbende om dit te mogen.

Hiermee wordt het euvel blootgelegd rondom de problematiek van verveelvoudigen en in het bijzonder het downloaden van muziek. Er is niets geregeld in een groter allesomvattend kader, bijvoorbeeld, middels auteursrechtorganisaties op mondiaal niveau.

Op grond van artikel 12 Aw is voor openbaarmaking toestemming nodig van de maker. De wijze waarop Napster muziekwerken aan gebruikers beschikbaar stelt, kan worden opgevat als een vorm van openbaarmaking. De werken worden zonder toestemming ter beschikking gesteld aan derde  en daarmee pleegt Napster een inbreuk op het auteursrecht.

Het mogelijk maken c.q. gelegenheid geven tot het maken van inbreuk, kan op civiel rechtelijke gronden als strafrechtelijke gronden worden aangepakt.

Het is moeilijk om zonder samenwerking van rechthebbenden dit soort inbreuken te bestrijden.   De kosten die worden bespaard door inbreukmakers is enorm in totaliteit, maar als iedere inbreuk afzonderlijk wordt bekeken, en zeker op het niveau van de gebruiker, dan blijkt het geldelijke voordeel marginaal te zijn.

Ook Napster heeft door de ontwikkelingen een weg ingeslagen die tendeert naar legalisering van haar gedragingen.

De Duitse mediagigant Bertelsmann[8] heeft samen met Napster het idee opgevat om een betaalservice voor gebruikers aan te bieden, om op deze wijze muziek van het Internet af te halen.

Het lijkt er op dat de bovenwereld en de onderwereld op het Internet elkaar vinden om hun missie te vervullen, n.l. geld verdienen. Voor Napster is het zaak haar filosofie en werkwijze om te buigen naar een juridisch geaccepteerd verhaal, daarbij balancerend op wat mag en wat niet mag.

Bertelsmann heeft Napster nodig, voor wat betreft infrastructuur om op legale wijze via Internet muziek aan te bieden.

De rechthebbende die de hulp inroept van een dief om dieven te vangen. Napster, lees Robin Hood, die een vrijgeleide krijgt naar de bovenwereld.

 

 

Strafrechtelijke aspecten

 

Het aanpakken van strafbaar gedrag kan op twee manieren plaatsvinden, civiel- of strafrechtelijk. In de praktijk houdt de overheid zich bezig met het opsporen van strafbare feiten, welke dan voor beoordeling aan een rechter kunnen worden voorgelegd en getoetst op de merites.

Prioriteiten zorgen ervoor dat relatief kleine zaken niet eens voor de rechter worden gebracht.

In het geval van inbreukmakende activiteiten wordt er gekeken naar het geldelijke voordeel, dat  criminele organisaties behalen door toedoen van hun criminele activiteiten.

Mocht een Officier van Justitie besluiten om over te gaan tot vervolging, dan zal die zaak groot moeten zijn en ook de kans op een veroordeling substantieel aanwezig dienen te zijn.

Het grote probleem voor Justitie is dat de kleine criminaliteit geen prioriteit heeft, tenzij het maatschappelijke verkeer en de politiek daar een andere blik ophebben.

In het geval van verveelvoudigen leeft die maatschappelijke verontwaardiging niet, daardoor zijn de kleine rechthebbende gedoemd om te leven met het gegeven dat een groot deel van hun rechten wordt gestolen zonder dat de overheid daar iets mee doet.

Door de verzakelijking in het maatschappelijke verkeer wordt een kostenbaten analyse de standaard om wel of niet op te treden tegen zulke activiteiten.

Het pikken van 100.000 maal een gulden is niet zo erg als een maal 100.000 gulden, althans dit zou de conclusie kunnen zijn.

De resultante van de 100.000 gulden is dezelfde alleen het effect, hoe een en ander strafrechtelijk wordt bestreden, is waarschijnlijk een ander verhaal.

Hoe groter de economische waarde, des te eerder er zal worden opgetreden tegen strafrechtelijke inbreuken, althans dat lijkt uit het opportuniteitsbeginsel te vloeien.

Kennelijk hebben kleine rechthebbenden het nakijken bij opsporing van inbreuken op muziekrechten, vanwege de geringe financiële betekenis.

De mentaliteit die mensen hebben, speelt een grote rol in wat maatschappelijk wel of niet aanvaardbaar is jegens het verveelvoudigen van muziek in de breedste zin van het woord.

De zwaardmacht van een land is bij Internetcriminaliteit nagenoeg kansloos, vanwege het feit dat door de globalisering van het Net staat het territoriaal optreden in schril contrast met de mogelijkheden van een inbreukpleger, om die zwaardmacht te ontlopen.

Justitieel optreden van een land, in het bijzonder een klein land als Nederland is heel moeilijk zonder internationale hulp middels verdragen.

Er zal een omslag nodig zijn in het denken om dergelijke soort problemen op wereldniveau te bestrijden.

Er zijn verdragen nodig die er voor kunnen zorgen dat de problemen die er zijn op strafrechtelijk gebied, op basis van praktische oplossingen en internationale samenwerking kunnen worden beslecht.

Uiteraard zal het kleinste vergrijp reden moeten zijn tot strafrechtelijk optreden, althans gericht zijn op het ontmoedigen van misbruik van rechten.

De muziekindustrie, groot en klein, zal tot een gemeenschappelijke doelstelling moeten komen om zelf het voortouw te nemen om zodoende de Internetcriminaliteit de wind uit de zeilen te nemen en te houden.

Dit impliceert een soepeler opstelling naar de klant, n.l. de internetgebruiker.

Deze zal het moreel verkeerd moeten gaan vinden om muziekrechten te gaan ontduiken. De rechthebbende zal een gezicht moeten krijgen en de gebruiker zal als klant behandeld moeten worden met alle respect.

 

De Civielrechtelijke aspecten van de  Provider

 

De Internetprovider[9] is degene die het mogelijk maakt dat muziek via het Internet beschikbaar wordt gesteld. Welke juridische rol speelt deze in het grote geheel?

Veelal is de aanbieder van muziek niet of nauwelijks te traceren, althans niet dusdanig aan te spreken dat deze resultaten sorteren in de vorm van een geldelijke oplossing van het probleem.

De provider zal veelal kunnen zeggen, dat het  niet hun verantwoordelijkheid is dat rechten worden overtreden door gebruikers van het Net. Zij geven alleen gelegenheid tot gebruik van het Net maar zijn geen partij als het gaat om de inhoud van sites of berichten[10].

De service provider stelt ruimte beschikbaar aan de abonnee waarop deze zijn home page kan inrichten naar eigen goed dunken zonder dat de provider verantwoordelijk gehouden kan worden voor de inhoud.

De Arrondissementsrechtbank te 's Gravenhage heeft in een uitspraak, gedaan in de zaak Scientology c.s. versus XS4ALL c.s.[11], bepaald dat ondanks het feit dat een serviceprovider zelf geen auteursrechtelijke handelingen verricht, er toch sprake kan zijn van Onrechtmatig handelen.

Het belang van een rechthebbende staat voorop, daaruit kan voortvloeien dat een provider een plicht krijgt om te doen zonder dat deze zelf onrechtmatig handelt.

Op grond van een in strijd met de maatschappelijke betamelijke zorgvuldigheid kan een provider inbreukmakend handelen naar een rechthebbende.

 

De rechtbank heeft drie criteria aangedragen om deze visie te onderbouwen:

(1)   De provider niet ingrijpt  wanneer een gebruiker van zijn diensten op een web-site onrechtmatige handelingen verricht.

(2) daarvan in kennis is gesteld en

(3) aan de juistheid van de kennisgeving niet hoeft te twijfelen.

 

De service-provider kan stellen dat deze alleen maar opslaat en doorgeeft en niet meer dan dat. Dit is mijns inziens tekort door de bocht. De realiteit geeft echter weer dat de provider een belangrijke rol speelt bij doorgifte van onrechtmatig materiaal, dus zal deze zijn juridische verantwoordelijkheid dienen te nemen, zoals bepaald door de Haagse Rechtbank.

De E-commerce richtlijn beoogt de aansprakelijkheid van de provider te regelen als deze wordt geïmplementeerd in het Europese recht.

De visie van de Haagse Rechtbank gaat verder, maar dit is op zichzelf geen probleem, omdat de lidstaten gebonden zijn aan minimum regelgeving en het recht hebben om de regels stringenter op te stellen.

De verantwoordelijkheid op het Internet behoort primair bij de aanbieder. Zolang er geen richtlijnen zijn hoe een provider zich dient op te stellen bij een Onrechtmatige daad van gebruikers op het Net. De civiele rechter zal  hiervoor criteria dienen te zoeken, om zodoende de belangen van rechthebbenden min of meer veilig te stellen.

Anders gezegd geef rechthebbenden civielrechtelijke handvatten om hun rechten veilig te kunnen stellen.

 

 

Conclusie

 

De wettigheid c.q. onwettigheid van via het Internet beschikbaar stellen van muziek heeft voor en tegenstanders, edoch een ieder begrijpt dat er regelingen zullen moeten komen om inbreuken op rechten tegen te gaan.

Het gevoelen dat veel gebruikers hebben t.a.v. de muziekindustrie zal door diezelfde industrie omgebogen moeten worden en wel om een klantvriendelijk beleid uit te dragen. Op deze manier kun je veel gebruikers laten inzien dat het normaal is dat rechthebbenden een inkomen genereren uit muziekrechten.

Overleg is de sleutel tot de oplossing, mocht dit niet vlotten dan kun je mijns inziens gebruik gaan maken van straf- en civielrechtelijke maatregelen.

De Buma/Stemra heeft een goede zet gedaan om op het moment dat zij het nodig vonden in te stappen om de rechten op het Net van haar klanten te verdedigen.

Daarmee zorgde Buma dat zij in gesprek bleef met aanbieders op het Internet en van meet af aan duidelijk maakte dat gratis muziek op het Internet niet gewoon is.

De provider heeft een eigen verantwoordelijkheid die zij in redelijkheid dient na te komen.

Het gevolg lijkt mij te zijn, dat als iedere deelnemer op het Internet zijn of haar eigen verantwoordelijk neemt, daardoor een werkbare situatie lijkt te ontstaan, waarbij alle partijen een tevreden gevoel kunnen koesteren over het behaalde resultaat. Lukt het niet dit te realiseren dan hebben allen een probleem.

Dus laat het gezonde verstand zegevieren boven ons allen.

 



[1] Jaarverslag 1999, Buma/stemra.

[2] Marike Vermeer, blokkeren of verwijderen? , IER 1999, afl. 5.

[3] Joost Smiers, Afschaffing van auteursrechten: beter voor kunstenaars, derde wereldlanden en het publieke domein,         Informatierecht april 2000 nr 4.

[4] H.W. Wefers Bettink, Muziek op Internet: de Bumaregeling, computerrecht 1997/2.

[5] Opinie, Juliette Jonkers, Muziek op internet: de Bumaregeling: een reactie, computerrecht 1997/4.

[6] Leo van der Wees, Internet?, computerrecht1997/4.

[7] Mr B.P. Aalberts en mr H.B. Bannink, muziekgebruik op internet, NJB, 27 oktober 2000 afl. 38.

[8] Newsfactor network: breakingnews, http://www.newsfactor.com/news/articles2000/001101-nf2.

[9] Kamiel  Koelman, Wat niet weet, wat niet deert: civielrechtelijke aansprakelijkheid van de internetprovider, mediaforum 1998-7/8.

[10] H.W.K.Kaspersen, aansprakelijkheid van Internet-providers, computerrecht 1996/1.

[11] Scientology c.s./XS4ALL c.s., roofzucht, Informatierecht/AMI augustus/september 1999 nr 7.

Back