Verzetsliteratuur deel 2

Home

vers 26 | vers 27 | vers 28 | vers 29 | vers 30 | vers 31 | vers 32 | vers 33 | vers 34 | vers 35 | vers 36 | vers 37 | vers 38 | vers 39 | vers 40 | vers 41 | vers 42 | vers 43 | vers 44 | vers 45 | vers 46 | vers 47 | vers 48 | vers 49 | vers 50
vers 28

De Rozentuin

Ik heb in de Rozentuin gestaan.
In wind, in kou en in de regen.
Ik mocht me nauwelijks bewegen
En uit mijn oog rolde een traan,
Die ik niet weg kon vegen.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.

Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Soms dagen lang, maar ook wel nachten.
Van hen had ik niet veel te wachten.
Zij kwamen slechts om me te slaan.
Wie kon mijn pijn verzachten.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.

Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik zal die vent nooit meer vergeten,
Dat monster, zonder een geweten.
Wat had ik toch die schoft misdaan?
Waar was die beul toch van bezeten?
Ik heb in de Rozentuin gestaan.

Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik staarde naar het bos, de bomen,
Als troost stond ik dan maar te dromen;
Zijn tijd komt er heus wel aan.
Hij is zijn echte straf ontkomen.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.

Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Maar als ik dan, net als zo velen,
Aan 't eind met hen het graf mag delen,
Brengt dan op onze kruizen aan,
Laat dat dan onze wonden helen.
'Ik heb in de Rozentuin gestaan'.

Bron:
G.Martens