De Rozentuin
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
In wind, in kou en in de regen.
Ik mocht me nauwelijks bewegen
En uit mijn oog rolde een traan,
Die ik niet weg kon vegen.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Soms dagen lang, maar ook wel nachten.
Van hen had ik niet veel te wachten.
Zij kwamen slechts om me te slaan.
Wie kon mijn pijn verzachten.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik zal die vent nooit meer vergeten,
Dat monster, zonder een geweten.
Wat had ik toch die schoft misdaan?
Waar was die beul toch van bezeten?
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik staarde naar het bos, de bomen,
Als troost stond ik dan maar te dromen;
Zijn tijd komt er heus wel aan.
Hij is zijn echte straf ontkomen.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Ik heb in de Rozentuin gestaan.
Maar als ik dan, net als zo velen,
Aan 't eind met hen het graf mag delen,
Brengt dan op onze kruizen aan,
Laat dat dan onze wonden helen.
'Ik heb in de Rozentuin gestaan'.