De ballade van het korstje brood.
Eens had ik een rantsoentje brood
en flink ervan gegeten.
Een korstje brood, dat lag ik weg,
dat ben ik toen vergeten.
Toen ik een dag geen brood meer had,
geen bon meer om te kopen,
deed ik in allerlaatste hoop,
nog eens mijn kastdeur open.
Daar zag ik jou, O, korstje brood,
ineens voor mijne ogen.
Jou, die 'k geheel vergeten was,
je lag daar uit te drogen.
O, korstje brood, O, korstje brood,
hoe kon ik jou zo vinden.
Je bent mijn redder in de nood,
ik ga je nu verslinden.
O, heerlijk fijn klein stukje brood,
wat zul je lekker smaken.
Ik vind het bijna zonde om
je lichaam aan te raken.
O, miezerig klein korstje brood,
van honger sta 'k te kwijlen.
Als ik nu dadelijk eten ga,
dan ben je mortis......wijlen.
Borbeck, 8 Maart 1945