Aan de barak.
Houten keet,waarin wij zo lang moesten huizen,
met je tochtige wanden en gammele dak.
Toevlucht van vlooien, woonplaats van luizen,
waarin alle comfort ons ontbrak.
Van buiten met vuilgroene verf beklodderd,
door bedden, tweehoog op elkaar staand, gevuld.
Je grond was steeds stoffig en dikwijls bemodderd,
geveegd met een eindeloos geduld.
Al hebben we vaak op je gescholden,
toch waren we blij dat je er stond,
als wij na het werk je deur binnenholden
en ieder voor zich wat gezelligheid vond.
Je bood ons bescherming tegen de regen,
al tochtte en lekte je wat.
En stormde het soms, jij kon er wel tegen.
Door het lekken werd enkel de grond maar wat nat.
Houten keet, waarin wij zo'n tijd moesten wonen,
we haatten je soms, maar je bleef ons een vriend.
Nu zullen we echter wat dankbaarheid tonen.
Deze ode heb jij wel verdiend.