Verzetsliteratuur deel 2

Home

vers 26 | vers 27 | vers 28 | vers 29 | vers 30 | vers 31 | vers 32 | vers 33 | vers 34 | vers 35 | vers 36 | vers 37 | vers 38 | vers 39 | vers 40 | vers 41 | vers 42 | vers 43 | vers 44 | vers 45 | vers 46 | vers 47 | vers 48 | vers 49 | vers 50
vers 46

Aan de Joodsche doctoren naar Duitschland teruggeroepen

De vuile schoften, die u eens verdreven,
U knuppelden uit eigen vaderland,
Roepen U terug en stellen lijf en leven,
in uwe hand!

Hoe is zoo laffe laagheid te doorgronden,
Hoe zijn uw beulen bang voor eigen dood.
Dat zij bij eigen leed en eigen wonden,
u roepen, Jood!

Zij hebben u beroofd van al uw eigen!
Al uw bezit vernield, vertrapt tot gruis!
Wat nood! Nu zal de Jood vergoeding krijgen:
vrij reis naar huis!

Toch zult gij gaan! zij dragen al uw panden
Met nieuwe marteling en nieuwe straf!
Buig u nog eens voor deze schande
en neem uw straf!

Maar: deze noodkreet zij u tevens teeken,
Hoe het krakend scheurt in hun verdoemd bestel,
Totdat uw dag - als d'onze - aan zal breken,
Tot gij - als wij - u glorierijk zult wreken!
Moed, Israel!

Bron:
Geuzenliedboek 1940-1945