Verzetsliteratuur deel 2

Home

vers 26 | vers 27 | vers 28 | vers 29 | vers 30 | vers 31 | vers 32 | vers 33 | vers 34 | vers 35 | vers 36 | vers 37 | vers 38 | vers 39 | vers 40 | vers 41 | vers 42 | vers 43 | vers 44 | vers 45 | vers 46 | vers 47 | vers 48 | vers 49 | vers 50
vers 45

Joodsch Kind.

Zij wacht hem elken avond aan den trein
Het meisje met don-arisch zwarte haren,
met oogen, die verstrakken in een staren
of vader gauw de tunnel door zal zijn.

Forensen schuiflen langs de binnendeur
en schieten van de trap in daaglijksh jachten,
Het donkre kind kan enkel staan en wachten
vlak bij het hokje van den conducteur.

Dan zwaait een mannarm een verren groet,
Op t klein gezicht bloeit plotseling herkennen,
Ze moet op slag hard naar haar vader rennen,
Hij bukt zich laag en zoent haar smalle toet.

Nu gaan ze samen door den laten dag,
De man gebogen en van zorg gebeten,
Het ratelstemmetje wil erg graag weten
waarom ze nog niet naar het zwembad mag.....

O Heer, ik heb vandaag een bede maar;
Elk Joodsch gezin wordt haast vaneengereten,
Laat de Gestapo deze twee vergeten,
Laat die in Jezus naam toch bij elkaar.

Bron:
Geuzenliedboek 1940-1945