De Gijzelaar
Jantjes vader was een dokter
en een hele knappe man.
Zeer gevierd bij zijn patienten,
was die knappe pa van Jan.
Op een dag kwamen er mannen,
haalden pappie uit zijn huis.
Huilend vroeg Jan aan zijn moeder,
"wanneer komt mijn pappie thuis?
"Jantje" sprak toen troostend moeder,
"Pappie, die komt heus weer gauw,
want hij heeft toch niets misdreven
en hij houdt van mij en jou".
Jantje wachtte heel geduldig
op de terugkomst van zijn pa,
maar na een verloop van weken,
ging hij huilend naar zijn ma.
"Mammie zeg me, waar blijft pappie?
Waarom komt mijn pappie niet?
want ik heb toch zo'n verdriet".
"Jantje", sprak toen droevig moeder,
"kindje ik ben ook zo bang.
Ook al heeft hij niets misdreven,
houdt men toch je pappie lang".
Telkens stond er in de kranten
een lange lijst met zwarte rand.
Namen van terechtgestelden,
gijzelaars uit heel het land.
Ook de naam van Jantjes vader,
zag men eens eronder staan.
Slechts omdat hij erg gezien was,
daarom had hij iets misdaan.
"Jantjelief" sprak huilend moeder,
"nooit zie jij je pappie weer.
Ook al had hij niets misdreven,
toch schoot men je pappie neer!"