Het schot. Over het naamloos duister in de kruinen Verwaait de echo van een enkel schot. Geblindoekt, in de schoot der winterduinen, Moet er weer een op het vervloekt schavot. Gevallen is een dier ontelbaar velen Wier laatste snik voor God een wilde schreeuw Verzweeg in plotseling verstijfde kelen. Een wit gelaat zinkt peinzend in de sneeuw..... En ik, die aan het raam der kleine kamer In de gebroken stilte stiller sta, Voel klaar, hoe, koel maar steeds onherbergzamer, Dit hart zich sluit voor mildheid en gena. Bron: Geuzenliedboek 1940-1945 |