In Memoriam
De rozen en de steenen zijn
van aardes liefste, teed're schijn
nu zij elkander vinden
waar zij, die laf zijn omgebracht
ons volk, ten strijd bij dag en nacht,
tot in den dood beminden. Zij hielpen bij het groote werk
opdat ons Holland, vrij en sterk,
in orde goed zou leven,
tot plots zij bij hun schoone daad
verstoten door het laf verraad
van N.S.B.-ers bleven.
Eerst weken lang verhoord, geprest
door hen die het sadistisch nest
van Himmler's groenen eerden,
in honger, kou, onzekerheid,
maar trots in hun verbetenheid
die vrijheid, recht begeerde.
Zij hoorden in hun kleine cel
de vluchten van de luchtvloot wel
die dag en nacht hen sterkten
bij 't schaars gesmokkelde bericht,
met elke dag wat meerder licht
van die daar buiten werkten.
Maar verder stilte en de pijn
om wat er thuis gebeurd kon zijn
met vrouw, familie, kind'ren.
En dan het kloppen van het hart,
dat door der wereld nacht'lijk zwart
nog kracht naar kruis moest vinden.
Tot plots een moord der avonds laat
in 't eigen nest van bloed en haat
het zwart gebroed deed beven:
een nazi werd vermoord, o, schand,
door eigen nazi-broederhand!
zoo'n moord eischt veler leven!
De zwarte bloedraad school bijeen
en, naar traditie van hun veem
was 't laag besluit genomen:
moet door het Neerlands volk geboet,
het bloed der onschuld stroome!
En in het morgenschemeruur
sleurt, trouw aan bodem-bloed-cultuur,
de mof zijn offers samen.
Geboeid, geslagen, onverhoord
trekt uit zijn cel het groepje voort
langs al de duist're ramen.
Nog eenmaal zien zij straat aan straat
en zoeken naar een lief gelaat
vergeefs in zooveel stilte.
Nog eenmaal houdt hun oude stad
hen machteloos tot hulp omvat,
doorhuiverd van de kilte.
Dan gaan zij door de straat wier naam
nog spreekt van Duitschlands grootste faam:
"als broeders saam te leven".
Maar nazi-anti-Duitsch gebroed
dorst enkel naar wat menschenbloed,
moord is hun hoogste streven!
Een hard geschreeuw, een kort bevel.
Het troepje staat. Nog even snel
het hoofd omhoog geheven.
Maar eer een vraag nog wordt gehoord
kraakt reeds het schot dat hen doorboort
en neemt de dood het leven.
Neen, schilder niet hun laatsten strijd -
spreek niet van wie ter vlucht bereid,
daar een reeds was doorschoten,
niet verder kwam dan de plaats
waar door de bloedraad des verraads
het leven was vervloden.
Want woord noch beeld van menschenhand
bewaart wie hier voor Nederland
na zooveel smart en lijden
zoo smadelijk zijn omgebracht
als offer van ons volk dat smacht
om zelf voor recht te strijden!
Maar denk, hoe telkens, nacht op nacht
der liefde trouw haar bloemen bracht
die zacht de steenen kleurden,
waar urenlang in 't openbaar
de schoot der vaderstad als baar
het lijf der helden beurde!
En weet dan, hoe ook gij moet zijn
als steen zoo hard in smaad en pijn
om dezen die hier vielen.
En als een bloem vol teed're pracht
die gij bij nacht hier hebt gebracht
ter eere van hun zielen.