Verzetsliteratuur

Home

vers 1 | vers 2 | vers 3 | vers 4 | vers 5 | vers 6 | vers 7 | vers 8 | vers 9 | vers 10 | vers 11 | vers 12 | vers 13 | vers 14 | vers 15 | vers 16 | vers 17 | vers 18 | vers 19 | vers 20 | vers 21 | vers 22 | vers 23 | vers 24 | vers 25
vers 5

Bij den dood van Joris Heus

Hij was een Nederlander
en hielp een Engelsch piloot.
De Gestapo nam hem gevangen
en veroordeelde hem ter dood.

Hij had een vrome moeder
en heette Joris Heus.
Het bloed sloeg door zijn lichaam.
als het bloed van een watergeus.

Hij zat vijf weken gevangen
in een cel aan het Haagsche Veer.
Bij het luchten, iederen morgen,
liep hij met mij op en neer.

Wij zagen naar de wolken,
die kwamen van over Westmaas.
Het heeft ons niet geholpen.
Wolken zijn week, helaas.

Hij had zijn geloof verloren
en deed er niet meer aan,
maar in die laatste weken
is veel door hem heen gegaan.

Hij hield veel van zijn moeder,
maar zei bitter neen tegen God.
Hij kon den dood niet aanvaarden
en lag overhoop met zijn lot.

Maar op een van de laatste dagen
blijf Joris voor mij staan,
zag mij, die zijn vriend was geworden,
zoo vreemd en wonderlijk aan.

Ik heb mijn kop gebogen
al heeft het veel gekost.
Nu ben ik, zei hij bewogen,
door Jezus Christus verlost.

Maar als ik tegen de muur sta,
houd ik mijn kop recht in de zon.
Ik ben niet bang voor den dood meer,
nu ik het leven won.

Vertrouwend zal ik loopen
mijn hart en mijn leven bien.
Nooit zullen de lammelingen
een traan in mijn oogen zien.

Dat zei hij dien laatsten morgen,
Ik zag mijn vriend nooit meer.
Dit waren zijn laatste woorden,
dien allerlaatste keer.

Hij was een Nederlander
en hielp een Engelsch piloot.
De Gestapo nam hem gevangen
en veroordeelde hem ter dood.

Bron:
Geuzenliedboek 1940-1945