Verzetsliteratuur

Home

vers 1 | vers 2 | vers 3 | vers 4 | vers 5 | vers 6 | vers 7 | vers 8 | vers 9 | vers 10 | vers 11 | vers 12 | vers 13 | vers 14 | vers 15 | vers 16 | vers 17 | vers 18 | vers 19 | vers 20 | vers 21 | vers 22 | vers 23 | vers 24 | vers 25
vers 3

Verlaat hen niet!

Verlaat hen niet o Heer, wees aan hun zijde,
Wees met Uw gunst en liefde in hun cel.
Weest Gij hun steun en kracht, maakt alles wel,
Nu zij voor Uwen naam en Eere lijden.

Zij waren steeds U de geharnast' strijders,
Zij vreesden niets en niemand, hielden fier,
Als vaandrig Gods Uw strijdbanier
En toonden zich Uw dappere belijders.

Nu wordt hun stem gesmoord door grauwe kerkermuren,
Wij hooren niet hun woord, doch weten: Gij
hoort ieder woord, hoort elke zucht, die zij
tot hunnen Koning zend' in stille bange uren.

Verlaat hen niet, o Heer, verlaat hen niet o Koning,
Bestier hun gang, hun weg, hun mond, hun lot,
Vervul hun cel met Uw nabijheid God,
Dat die hun Bethel zij, een goddelijke woning.

Geef als het moet hun kracht om te betuigen,
En laat elk, die ootmoedig bidden leerd'
en Uw bestuur en leiding obedieert,
te hulpe voor Uw knecht zich biddend voor U buigen.

Niet vrucht'loos zullen wij Uw hulp en bijstand vragen,
Wij weten - en Uw knechten weten 't mee -
Hoe ook de wereld woedt, Gij geeft het hart Uw vree;
En Gij schikt alles naar Uw God'lijk welbehagen.

Bron:
Geuzenliedboek 1940-1945