Verzetsliteratuur

Home

vers 1 | vers 2 | vers 3 | vers 4 | vers 5 | vers 6 | vers 7 | vers 8 | vers 9 | vers 10 | vers 11 | vers 12 | vers 13 | vers 14 | vers 15 | vers 16 | vers 17 | vers 18 | vers 19 | vers 20 | vers 21 | vers 22 | vers 23 | vers 24 | vers 25
vers 19

Naamloos vers voor de naamloozen

Het was een gewone jongen,
Misschien was de mond wat te breed
En de houding iets te gewrongen,
Een man die het nog niet weet.

Een eenvoudige zoon van zijn vader,
Van zijn moeder en van zijn land,
Die niet wist nog: wat is er nader,
Lier of beitel, aan deze hand?

Die uit veelheid veel heeft gezwegen,
Het woord was te zwaar en te groot;
Die zich koos uit vele wegen
Een weg uit.....en die liep dood.

In angstuur en heen-en-weer-loop
Werd onzekerheid tot beslist,
En een kind tusschen muur en geweerloop
Een man die te sterven wist.

Geen beitel, geen lier was hem nader
Dan het hart onder eigen hand.
Nooit stierf er een vastberader
Met den blik, die de blik was van vader,
Van moeder en van zijn land.

Bron:
Geuzenliedboek 1940-1945