Verzetsliteratuur

Home

vers 1 | vers 2 | vers 3 | vers 4 | vers 5 | vers 6 | vers 7 | vers 8 | vers 9 | vers 10 | vers 11 | vers 12 | vers 13 | vers 14 | vers 15 | vers 16 | vers 17 | vers 18 | vers 19 | vers 20 | vers 21 | vers 22 | vers 23 | vers 24 | vers 25
vers 1

Het graf van een Nederlandschen Soldaat

Dit graf is al wat er aan Nederlandschen grond
Ons nog is gebleven om Nederland te noemen:
Alleen hier waait de vlag en ademt vrij de mond,
Alleen hier schept het voorjaar Nederlandsche bloemen.

Zoekt troost hier, Nederland. De bijen, die hier zoemen,
Schrijven zoemend Uw naam om 't naamloos graf in 't rond
Wees trotsch. Kondt gij voorheen u ooit meer beroemen
Den op hetgeen een zoon om uwentwil doorstond?

't Was Pinksteren: waarlijk Pinksteren dit keer.
De vuurdoop, door uw sterfelijke zoons ontvangen,
Doopte u, o land, o moeder, met onsterflijk vuur.

Beklim het duin, of zet op bronzen heide u neer,
Of daar waar wolken diep in spieg'lend water hangen,
En sla u, zingende, 't kleed om van 't wijd azuur..

Bron:
Geuzenliedboek 1940-1945