Olingo
Start Omhoog

Start
Omhoog
Robby
Favorieten
Suggesties

 

Olingo

Procyonidae (Bassaricyon gabbii)

Zoölogische omschrijving
Levenswijze
Voortplanting

Zoölogische omschrijving

De slankberen (geslacht Bassaricyon) behoren tot die kleine beerachtigen die men in onze dierentuinen maar hoogst zelden ziet, en is er al eens één aanwezig, dan gebeurt het vaak da het dier met de algemeen bekende rolstaartbeer wordt verward. (Totale lengte: 75 – 95 cm, staartlengte: 40 – 48 cm, gewicht: 970 – 1.500 g) 

Kop rondachtig, aan de bovenzijde tamelijk vlak, met kleine afgeronde oorschelpen en een spitse snuit. Ogen matig groot, vooruitspringend, met een kaneelkleurige iris en een zich horizontaal vernauwende pupil. Beendergestel tamelijk teer, romp zeer slank, ledematen matig lang. Halfzoolgangers; vingers en tenen met scherpe, zeer sterk gekromde nagels, over tweederde van hun lengte door een vlies verbonden. Achterste deel van de zolen voorzien van korte, dichte haren. Beharing middelmatig lang, aan de bovenzijde grauwbruin met een zwart waas, aan de binnenzijde van de poten geelachtig; een eveneens geelachtige band loopt over de hals tot aan de oren. Staart zeer lang, gelijkmatig lang behaard, met 11 - 13 dikwijls vage ringen, die aan de lichter gekleurde, platte onderzijde van de staart open zijn; in tegenstelling tot de rolstaartbeer geen grijpstaart.

Het woongebied van de slankberen strekt zich uit van Noord-Nicaragua via het noordwesten van Zuid-Amerika tot Peru en Noord-Bolivia. De naam ‘olingo’ stamt van een uit Panama afkomstig woord; in andere streken worden de dieren ook ‘cuataquil’ of ‘cusacusa’ genoemd. Het zijn bewoners van het tropische regenwoud en ze komen tot op een hoogte van 1.800 m voor.

Levenswijze

Slankberen voeden zich hoofdzakelijk met vruchten, maar ze maken ook ijverig jacht op insecten en kleine zoogdieren; de bouw van hun gebit doet dit ook reeds vermoeden. Het zijn uitgesproken nachtdieren, die solitair of paarsgewijs leven. Ze houden zich meestal boven in de bomen op en komen slechts met tegenzin op de grond.

Slankberen grijpen hun prooi na een korte achtervolging, drukken ze tegen een tak en doden ze door een beet in de kop. Vaak springen ze op naar laag vliegende insecten en grijpen ze met de bek. In één nacht kunnen ze tot een derde van hun lichaamsgewicht aan voedsel opnemen. Slankberen gebruiken hun voorpoten maar zelden als handen en als ze het doen, bijv. om voedsel naar de bek te brengen, gaat het erg onbeholpen. De voorpoten worden nooit gebruikt bij de lichaamsverzorging. Daarentegen zijn de slankberen bijzonder behendige klimmers en springers, die zonder moeite over een afstand van drie meter van de ene tak naar de andere springen. Als ze op een tak lopen, wordt de staart als een balanceerstok heen en weer gezwaaid, bij het langzaam omlaag klauteren wordt hij als een extra steun stevig tegen de boomstam gedrukt. Normaal is de staart naar achteren gestrekt; als de dieren opgewonden zijn, krullen ze het uiteinde enigszins omhoog en naar voren.

Slankberen brengen de dag ineengerold slapend door in een met bladeren beklede boomholte. Wanneer de duisternis invalt, worden ze wakker, rekken zich uit krommen de rug en geeuwen hartgrondig. Daarna beginnen ze onveranderlijk aan hun ‘poetsceremonieel’, dat enige minuten kan duren. Ze krabben zich met de achterpoten, kammen hun vacht met de tanden en likken hem af. Vervolgens gaan ze op voedsel uit. Tijdens hun strooptochten zetten zowel mannetjes als wijfjes steeds weer kleine hoeveelheden urine af op bepaalde afgebroken takken en knoesten. Onbekend is nog of deze geurvlaggen voor de afbakening van het territorium, als wegmarkering of voor het contact tussen de geslachten dienen; een combinatie van deze functies is trouwens niet uitgesloten. Als ze met een soortgenoot ruzie maken of door een vijand worden aangevallen, verspuiten ze een vloeistof uit de gepaarde, aan weerszijden van de anus gelegen stinkklieren. Hun voornaamste natuurlijke vijanden zijn wilde katten als de ocelot en de jagoearoendi, maar ook de grote tayra en reuzenslangen. Het normale geluid van de slankberen is een getjilp als van een vogel, dat in sterkte en betekenis kan wisselen; daarnaast laten ze ook grommende geluiden, schrille afweer- en dreigschreeuwen en een merkwaardige tweetonige alarmroep horen.

Voortplanting

Jongen kunnen het hele jaar door geboren worden. Het wijfje heeft twee tepels. Na een draagtijd van 73 of 74 dagen wordt er in de regel één jong geboren. Vóór de geboorte verjaagt het wijfje het mannetje. Het pasgeboren jong meet ca. 22 cm en is ca. 55 g zwaar. De beharing aan de bovenzijde is zwartachtig grijs en enigszins golvend, die aan de onderzijde is spaarzaam, kort, en beigekleurig; een brede, duidelijke en lichtgrijze streep loopt vanaf de oorschelpen over het voorhoofd. De achterste helft van de staart is strak opgerold. De gehoorgang gaat open op de vijftiende, de ogen op de zevenentwintigste dag. Vanaf de tweede maand neemt het jong vast voedsel op; de geslachtsrijpheid treedt in op de leeftijd van ca. 21 maanden.

Top