| Het botervisje p-gunnelus
Lijkt op een kleine paling, maar toch zijn de verschillen
duidelijk. Het is een slank visje met een kleine kop. De lange rugvin
loopt van kop tot staart en aan de basis hiervan ligt aan weerszijden
een rij van negen tot vijftien zwarte, met wit omzoomde stippen. Het
is een nachtelijk roofdier.
De zeenaald is verwant aan het gekende
zeepaardje. Hoewel deze laatste vrij zeldzaam is, wordt hij soms
opgemerkt in de Oosterschelde. De zeenaald daarentegen komt veel
frequenter voor en kan een lengte bereiken tot 50 cm.
De Zeedonderpad is een zich langzaam
voortbewegende vis, die er de voorkeur aan geeft geduldig te wachten
tot er een prooi voorbij komt. Zij zijn vraatzuchtige dieren, die zich
niet alleen met schaaldieren en wormen voeden, maar ook met de larven
en jongen van andere vissoorten. Ze kunnen tot dertig cm groot worden.
De vorskwab De geaccentueerde lippen
geven hem een specifiek uiterlijk, het lichaam lijkt het meest op een
reuze kikkervis. We vinden deze niet erg schuwe dieren in spleten,
rotsholten en gaten. Het dier kan maximum ca. 35 cm lang worden, en de
paaitijd van deze diepzwarte vis is van juli tot september.
De
snotdolf of snotolf
Cyclopterus
lumpus.
Het lichaam is met knobbeltjes bedekt, de huid slijmerig en dik. De
buikvinnen zijn vergroeid tot een zuigschijf, waarmee het dier zich
vastzuigt aan stenen e.d. Hoewel de snotdolf niet zo goed zwemt, kan
hij toch een pelagisch leven leiden en voedt zich dan o.a. met
ribkwallen en kwallen. Het skelet is bijna geheel kraakbenig. De tot
50 cm lange vis leeft in de noordelijke Atlantische Oceaan tot aan de
Golf van Biskaje, ook in de Oostzee. De snotolfen komen elk jaar naar
de ondiepe wateren om te paaien. Hij dringt in Nederland ook brak
water binnen. De mannetjes bewaken en verdedigen de eieren.Snotolfen
voeden zich vooral met schaaldieren, veelborstelwormen en jonge
exemplaren van andere vissoorten. Volwassen exemplaren eten ook gewoon
vis
Paaien gebeurt bij een watertempratuur van 5-8 graden Celsius op een
stenige bodem. De eitjes worden in enkele keren afgezet. Het mannetje
bewaakt de eitjes tot ze uitkomen. Deze periode duurt ongeveer 2
maanden waarbinnen veel snotolfen de dood vinden. Ze worden tijdens
stormen tegen de rotsen gedood of vinden verder hun weg via roofvogels
in de voedselketen. De vrouwtjes trekken na het afzetten van de eitjes
weer naar dieper water.
|