|
| Stekelhuidigen |
| ||||||||||
| |||||||||||
|
Brokkelster
Ophiontrix
fragilis De brokkelster komt
voornamelijk in de Oosterschelde voor. Helaas kunnen deze brokkelsterren
niet tegen al te lange, strenge winters. Na zon winter zijn er amper
brokkelsterren te bewonderen. De brokkelster onderscheid zich van de gewone
zeester door een centrale plaat met lange slanke armen. Deze armen zijn erg
beweeglijk. Dit komt door in de armen gelegen wervels die onderlinge
gewrichten vormen. De armen zijn zeer breekbaar, daar heeft de brokkelster
zijn naam aan te danken. De armen zijn meestal vijf maal zo lang als de
diameter van de centrale schijf. De diameter van de schijf zal maximaal 2
cm. bedragen. De kleur is variabel, de schijf kan rood, blauw, paars of met
een patroon gekleurd zijn. Met zijn armen filtert de brokkelster voedsel uit
het water. De brokkelster kan zelf geen waterstroom produceren en is dus
geheel afhankelijk van de stroom. Daarom kun je op plaatsten waar een flinke
stroming staat de brokkelster in grote getale tegen komen. Zij vormen dan
hele tapijten met zwaaiende armen. Meestal worden er twee of drie armen in
de stroom gestoken. De andere armen gebruikt de brokkelster om op zijn
plaats te blijven. Wordt de stroom te erg, stopt de brokkelster met voedsel
vangen en houdt zich met alle poten stevig vast. Op de armen zitten
slijmklieren die een kleverige stof af scheiden. Door met zijn armen in het
water te zwaaien worden de partikels in de slijmlaag gevangen. Met behulp
van de voetjes worden de gevangen partikels naar de mond toe
getransporteerd. De mannetjes en de vrouwtjes zetten hun sperma en eicellen
gewoon in het water af. De larven leven enige tijd vrij in het water voor ze
zich op de bodem vestigen. Gewone
zeester Asteria
rubens Duikers maar ook niet
duikers komen deze soort wel eens tegen in Zeeland. Zowel in de
Oosterschelde als in het Grevelingenmeer is dit een algemene soort. De
voorkeur van dit dier gaat uit naar oester- en mosselbanken maar de gewone
zeester is ook veelvuldig op zandgronden te vinden. Het vijfarmige dier
heeft een onregelmatige hoornige huid maar hierop bevinden zich geen echte
stekels. De kleur is lichtgeel tot rozebruin maar er komen ook blauwachtige
exemplaren voor. De maximale grootte van de gewone zeester kan 30 tot 50 cm
bedragen. Het lichaam van de gewone zeester bestaat uit een ronde schijf met
de mondopening onderop en de anus bovenop. Aan de schijf ontspringen 5
armen. Zijn voedselvoorkeur gaat uit naar schelpdieren en kreeftachtigen.
Zodra de zeester een oester tegenkomt dan slaat hij zijn armen om de schelp.
Zijn buisvoetjes oefenen een enorme zuigkracht uit, die er voor zorgt dat de
schelp een stukje open gaat. Een fractie van een millimeter is al genoeg
voor de zeester om zijn zeer plooibare maag naar binnen te laten glippen.
Onmiddellijk begint de zeester met verteren. Zodra de sluitspier van de
schelp door de spijsverteringsenzymen aangetast is kunnen de schelphelften
zich niet meer sluiten en kan de zeester geheel zijn gang gaan. Bij proeven
in laboratoriums bleken zeesterren zelfs geen enkele moeite te hebben met
schelpen die waren dichtgebonden. Een zeester kan enige tijd zonder voedsel
overleven. Hiertoe gebruikt hij zijn eigen lichaamsweefsels voor zijn
stofwisseling. Het lichaamsvolume zal natuurlijk afnemen gedurende zon
periode. Een zeester verplaatst zich met behulp van zijn buisvoetjes. Elke
arm kan de leiding nemen als de zeester zich gaat verplaatsen. De sterkste
arm wint meestal. Het regeneratievermogen van de gewone zeester is enorm
groot. Zolang er nog een stukje van de centrale schijf aan een afgerukte
poot zit groeit de poot weer uit tot een nieuwe zeester. Ook bij de oude
zeester groeit de poot weer aan. De zeester ziet met lichtgevoelige
cellen aan de toppen van zijn armen. Daarom worden deze punten vaak omhoog
gehouden. In het voorjaar en najaar zetten de zeesterren sperma en eicellen
in het water af. De aanwezigheid van een zeester van het andere geslacht
stimuleert tot het afzetten van de eicellen en het sperma. Het vrouwtje
produceert ongeveer 2 miljoen eitjes in een uur tijd. De larven leven
ongeveer drie weken in het plankton voordat zij zich op de bodem vestigen.
Zeeėgels Echinoidea In de Oosterschelde en het Grevelingenmeer komen twee typen zeeėgels voor. Dit zijn namelijk de onregelmatige zeeėgel en de regelmatige zeeėgel. De skeletstukken van zeeėgels zijn vergroeid tot een stevig geheel. De gewone zeeappel Psammechinus milaris is een regelmatige zeeėgel. Deze zeeėgel komt voor op stenen. Daar graast hij de stenen af met een speciaal apparaat dat lantaarn van Aristoteles heet. De vorm is rond met een diameter van maximaal 5 cm. De stekels worden ongeveer 1,5 cm. lang. Deze hebben een groen tot grijze kleur met een paarse punt. Vaak bedekt de zeeėgel zich met stukjes wier en/of afval. De reden hiervan is nog niet bekend. is de onregelmatige zeeėgel. De zeeklit Echiocardium
cordatum
is hartvormig en wordt maximaal 9 cm groot. De kleur is gelig tot
lichtbruin. De stekels lijken meer op borstels en dienen ook niet als
verdedigingsmiddel maar als graafwerktuig. De zeeklit graaft zich namelijk
verticaal in het zand. Vervolgens ploegt hij horizontaal verder op zoek naar
zijn voedsel. Zijn voedsel bestaat uit kleine slakjes, tweekleppige en
wormen. Door slijm houdt de zeeklit zijn buis in takt zodat hij contact
houdt met de oppervlakte van het zand. Dit om vers water en zuurstof te
blijven toevoeren. Ook is het een heel proper beestje want zijn afvalstoffen
worden door dezelfde buis weer naar buiten gevoerd. De zeeklit deponeert
zijn geslachtsprodukten vrij in het water. Zij leven daarom in grote groepen
om de kans op bevruchting te vergroten. Vaak kun je op het strand en langs
de kust de skeletten van deze zeeėgels vinden. Hieraan is duidelijk het gat
voor de mond te herkennen aan de onderkant. Soms zijn zelfs de tanden
nog aanwezig. De bultjes geven de plaats van de stekels aan terwijl de
gaatjes de plaats van de voetjes laten zien.
| |||||||||||