Stekelhuidigen

brokkel1.jpg
brokkelsterren
brokkelsterren.jpg
brokkelsterren
macro zeester.JPG
macro zeester
macro zeester2.JPG
macro zeester
scan45.jpg
brokkelsterren
scan46.jpg
brokkelsterren
scan59.jpg
zeester onderkant
scan78.jpg
brokkelsterren
zeeappel_2.JPG
zeeappel
zeester.jpg
zeester

 

Brokkelster  Ophiontrix fragilis De brokkelster komt voornamelijk in de Oosterschelde voor. Helaas kunnen deze brokkelsterren niet tegen al te lange, strenge winters. Na zo’n winter zijn er amper brokkelsterren te bewonderen. De brokkelster onderscheid zich van de gewone zeester door een centrale plaat met lange slanke armen. Deze armen zijn erg beweeglijk. Dit komt door in de armen gelegen wervels die onderlinge gewrichten vormen. De armen zijn zeer breekbaar, daar heeft de brokkelster zijn naam aan te danken. De armen zijn meestal vijf maal zo lang als de diameter van de centrale schijf. De diameter van de schijf zal maximaal 2 cm. bedragen. De kleur is variabel, de schijf kan rood, blauw, paars of met een patroon gekleurd zijn. Met zijn armen filtert de brokkelster voedsel uit het water. De brokkelster kan zelf geen waterstroom produceren en is dus geheel afhankelijk van de stroom. Daarom kun je op plaatsten waar een flinke stroming staat de brokkelster in grote getale tegen komen. Zij vormen dan hele tapijten met zwaaiende armen. Meestal worden er twee of drie armen in de stroom gestoken. De andere armen gebruikt de brokkelster om op zijn plaats te blijven. Wordt de stroom te erg, stopt de brokkelster met voedsel vangen en houdt zich met alle poten stevig vast. Op de armen zitten slijmklieren die een kleverige stof af scheiden. Door met zijn armen in het water te zwaaien worden de partikels in de slijmlaag gevangen. Met behulp van de voetjes worden de gevangen partikels naar de mond toe getransporteerd. De mannetjes en de vrouwtjes zetten hun sperma en eicellen gewoon in het water af. De larven leven enige tijd vrij in het water voor ze zich op de bodem vestigen. 

Gewone zeester  Asteria rubens Duikers maar ook niet duikers komen deze soort wel eens tegen in Zeeland. Zowel in de Oosterschelde als in het Grevelingenmeer is dit een algemene soort. De voorkeur van dit dier gaat uit naar oester- en mosselbanken maar de gewone zeester is ook veelvuldig op zandgronden te vinden. Het vijfarmige dier heeft een onregelmatige hoornige huid maar hierop bevinden zich geen echte stekels. De kleur is lichtgeel tot rozebruin maar er komen ook blauwachtige exemplaren voor. De maximale grootte van de gewone zeester kan 30 tot 50 cm bedragen. Het lichaam van de gewone zeester bestaat uit een ronde schijf met de mondopening onderop en de anus bovenop. Aan de schijf ontspringen 5 armen. Zijn voedselvoorkeur gaat uit naar schelpdieren en kreeftachtigen. Zodra de zeester een oester tegenkomt dan slaat hij zijn armen om de schelp. Zijn buisvoetjes oefenen een enorme zuigkracht uit, die er voor zorgt dat de schelp een stukje open gaat. Een fractie van een millimeter is al genoeg voor de zeester om zijn zeer plooibare maag naar binnen te laten glippen. Onmiddellijk begint de zeester met verteren. Zodra de sluitspier van de schelp door de spijsverteringsenzymen aangetast is kunnen de schelphelften zich niet meer sluiten en kan de zeester geheel zijn gang gaan. Bij proeven in laboratoriums bleken zeesterren zelfs geen enkele moeite te hebben met schelpen die waren dichtgebonden. Een zeester kan enige tijd zonder voedsel overleven. Hiertoe gebruikt hij zijn eigen lichaamsweefsels voor zijn stofwisseling. Het lichaamsvolume zal natuurlijk afnemen gedurende zo’n periode. Een zeester verplaatst zich met behulp van zijn buisvoetjes. Elke arm kan de leiding nemen als de zeester zich gaat verplaatsen. De sterkste arm wint meestal. Het regeneratievermogen van de gewone zeester is enorm groot. Zolang er nog een stukje van de centrale schijf aan een afgerukte poot zit groeit de poot weer uit tot een nieuwe zeester. Ook bij de oude zeester groeit de poot weer aan. De zeester ‘ziet’ met lichtgevoelige cellen aan de toppen van zijn armen. Daarom worden deze punten vaak omhoog gehouden. In het voorjaar en najaar zetten de zeesterren sperma en eicellen in het water af. De aanwezigheid van een zeester van het andere geslacht stimuleert tot het afzetten van de eicellen en het sperma. Het vrouwtje produceert ongeveer 2 miljoen eitjes in een uur tijd. De larven leven ongeveer drie weken in het plankton voordat zij zich op de bodem vestigen.  

Zeeėgels  Echinoidea In de Oosterschelde en het Grevelingenmeer komen twee typen zeeėgels voor. Dit zijn namelijk de onregelmatige zeeėgel en de regelmatige zeeėgel. De skeletstukken van zeeėgels zijn vergroeid tot een stevig geheel. 

De gewone zeeappel Psammechinus milaris is een regelmatige zeeėgel. Deze zeeėgel komt voor op stenen. Daar graast hij de stenen af met een speciaal apparaat dat ‘lantaarn van Aristoteles’ heet. De vorm is rond met een diameter van maximaal 5 cm. De stekels worden ongeveer 1,5 cm. lang. Deze hebben een groen tot grijze kleur met een paarse punt. Vaak bedekt de zeeėgel zich met stukjes wier en/of afval. De reden hiervan is nog niet bekend.  is de onregelmatige zeeėgel. 

De zeeklit Echiocardium cordatum is hartvormig en wordt maximaal 9 cm groot. De kleur is gelig tot lichtbruin. De stekels lijken meer op borstels en dienen ook niet als verdedigingsmiddel maar als graafwerktuig. De zeeklit graaft zich namelijk verticaal in het zand. Vervolgens ploegt hij horizontaal verder op zoek naar zijn voedsel. Zijn voedsel bestaat uit kleine slakjes, tweekleppige en wormen. Door slijm houdt de zeeklit zijn buis in takt zodat hij contact houdt met de oppervlakte van het zand. Dit om vers water en zuurstof te blijven toevoeren. Ook is het een heel proper beestje want zijn afvalstoffen worden door dezelfde buis weer naar buiten gevoerd. De zeeklit deponeert zijn geslachtsprodukten vrij in het water. Zij leven daarom in grote groepen om de kans op bevruchting te vergroten. Vaak kun je op het strand en langs de kust de skeletten van deze zeeėgels vinden. Hieraan is duidelijk het gat voor de mond te herkennen aan de onderkant. Soms zijn zelfs de ‘tanden’ nog aanwezig. De bultjes geven de plaats van de stekels aan terwijl de gaatjes de plaats van de voetjes laten zien. 

 

go back