Mabel stemt lijst 11 : Partij voor de Dieren !

.
Mabel stemt lijst 11 :
Partij voor de Dieren !
update 6 november 2006


Met dierenwelzijn wordt de lichamelijke en geestelijke gezondheid van een dier bedoeld. Elk gehouden dier probeert zich aan te passen aan zijn leefomgeving. Een dier voelt zich het best in een omgeving waarin hij zijn natuurlijk gedrag kan vertonen en die hem geen stress, pijn of angst bezorgt. Elke diersoort vertoont zijn eigen natuurlijk gedrag. Kippen willen scharrelen, koeien moeten de rust hebben om te herkauwen, varkens hebben ruimte en een stabiele groep nodig, honden houden van regelmaat in hun leven, papegaaien hebben gezelschap nodig. Voeding, verzorging, huisvesting en behandeling zijn van invloed op het welzijn van gehouden dieren. Er is echter nog een factor die (indirect) bepalend is voor het welzijn van productiedieren en dat is de houding van de consument en de keuzes die hij maakt bij de aankoop van vlees en andere dierlijke producten.
Partij voor de Dieren
De Partij voor de Dieren wil de positie van dieren in onze samenleving verbeteren. Wij komen op voor de zwaksten, de stemlozen in onze maatschappij, de dieren. Het programma van de PvdD is gebaseerd op de visie dat dieren - evenals mensen - levende wezens zijn met bewustzijn en gevoel en daarom net als mensen het morele recht hebben op een respectvolle behandeling door de mens. Dit houdt in dat dieren, zowel in het wild levende als gehouden dieren, naar hun eigen aard moeten kunnen leven en niet zonder een noodzakelijk of redelijk doel door de mens in hun welzijn mogen worden aangetast. Beschaving uit zich immers in de wijze waarop mensen met andere levende wezens op deze aarde en met de natuurlijke omgeving in het algemeen omgaan. De PvdD maakt onderdeel uit van de snelgroeiende emancipatiebeweging die opkomt voor de belangen van dieren. De Partij voor de Dieren kreeg al snel na haar oprichting vervolg in Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Spanje. Bij andere politieke partijen krijgen thema's zoals economie, veiligheid en integratie voorrang boven natuur, milieu en dierenwelzijn. Politieke kopstukken besteden weinig aandacht aan dier, natuur en milieu en ook uit de debatten van de afgelopen jaren blijkt dat de huidige parlementariërs, op een enkele positieve uitzondering na, weinig tot geen betrokkenheid hebben getoond bij onderwerpen als dierenwelzijn.



  
.







.   

220x liever
voor mens, dier, natuur en milieu
Verkiezingsprogramma Partij voor de Dieren, Tweede Kamerverkiezingen 2006


Deel A. Inleiding en samenvatting

Dieren zijn evenals mensen wezens met gevoel en bewustzijn en dienen daarom op een
respectvolle wijze behandeld te worden. Zij worden steeds meer in hun welzijn aangetast
en in hun voortbestaan bedreigd door toedoen van de mens. Dat geldt ook voor de
natuur en de aarde als kwetsbaar ecosysteem. Op tal van punten is dit ecosysteem door
de activiteiten van de mens aangetast en uit zijn evenwicht gebracht. Aan de vernietiging
van het leefmilieu en de schending van rechten van levende wezens moet een halt
worden toegeroepen. Daartoe is een beschavingsoffensief noodzakelijk dat vergelijkbaar
is met de strijd van weleer tegen de onderdrukking van vrouwen, kinderen en slaven. In
de beginselverklaring van de Partij voor de Dieren staat daarom de respectvolle omgang
met dieren, mensen en de natuur centraal. De Partij voor de Dieren tracht dit doel op
verschillende manieren te bereiken.

1. Rechten voor dieren

De Partij voor de Dieren streeft naar een versterking van de morele en juridische status
van dieren door middel van de erkenning van dieren als wezens met bewustzijn en
gevoel. Zij vindt dat op nationaal niveau de rechten van dieren in de grondwet moeten
worden vastgelegd en dat de bescherming van dieren in een zelfstandige
dierenbeschermingswet moet worden gewaarborgd. Op Europees niveau dient de
Nederlandse overheid zich in te zetten voor opname van een soortgelijk artikel in een
nieuw verdrag of Europese grondwet.

De Partij voor de Dieren ondersteunt initiatieven die een verbeterde status van dieren
vastleggen in de vorm van een Universele Verklaring van de Verenigde Naties inzake de
rechten van dieren.

2. Verbetering dierenwelzijn

Dieren worden door de mens in enorme aantallen gehouden, geexploiteerd en gedood.
Het minste waarop deze dieren recht hebben is een aan hun aard en gedrag aangepaste
manier van huisvesting en verzorging. Het verhogen van de normen voor de huisvesting
en verzorging van dieren dient een tweeerlei effect: in de eerste plaats de verbetering
van het welzijn van de dieren, in de tweede plaats het tenietdoen van het enorme
(economische) concurrentievoordeel dat uit de slechte behandeling van dieren te behalen
valt. Alternatieven waarbij geen dieren worden gebruikt of waarbij de dieren beter
worden behandeld krijgen daardoor meer kans om zich te ontwikkelen.

De landelijke, provinciale en gemeentelijke overheden hebben de plicht het dierenwelzijn
te bevorderen. Zij dienen onder andere door middel van educatie het respect voor dieren
en de natuur te vergroten. De landelijke overheid dient ook in het kader van
ontwikkelingshulp en binnen de EU de structurele verbetering van de positie van dieren
te bevorderen. Verder dienen niet alleen opvangcentra voor gezelschapsdieren
ondersteund te worden, maar ook die voor exotische dieren, vogels en andere in het wild
levende dieren.

Om dieren een effectieve bescherming te bieden tegen mishandeling en verwaarlozing is
een dierenpolitie nodig, voorzien van ruime bevoegdheden om dieren uit hun benarde
situaties te kunnen verlossen en om de daders effectief te kunnen bestraffen.
In de Nederlandse veehouderij worden jaarlijks circa 500 miljoen dieren gefokt en
gedood. Tijdens de vaak zeer korte tijd dat hen het leven is gegund, is de wijze waarop
deze dieren worden gehouden meestal ook nog eens volstrekt beneden de maat. Alleen
de biologisch(e)(-dynamische) veehouderij en sommige hobbydierhouderijen komen in
de buurt van een aanvaardbare huisvesting en verzorging. De Partij voor de Dieren wil
dat dier- en milieuvriendelijkere vormen van veehouderij door de overheid krachtig
worden bevorderd, onder andere door toepassing van het nultarief voor BTW en door de
kosten van de controlerende organisatie SKAL voor haar rekening te nemen, waardoor
biologische producten beter de concurrentie kunnen aangaan met producten uit de bioindustrie.
De overheid dient ook geen enkele steun meer te verlenen aan bedrijven die
produceren onder normen die lager zijn dan de ecologische normen. De veehouderij
moet grond- en streekgebonden worden en er dient een einde te komen aan de bioindustrie.
De normen voor het huisvesten en verzorgen van dieren moeten flink worden
opgetrokken. De EU dient dieronvriendelijke veehouderijproducten van buiten de EU niet
toe te laten en op basis van ethische gronden te weigeren, ook als een beroep gedaan
wordt op WTO afspraken.

In de commerciele zeevisserij worden brute vangst- en dodingmethoden gehanteerd.
Wereldwijd wordt jaarlijks ca. 90 miljoen ton vis gevangen, wat neerkomt op enkele
honderden miljarden vissen. Daarnaast wordt ongeveer 45 miljoen ton vis gekweekt
onder omstandigheden die sterk gelijken op die van de bio-industrie.

Met het welzijn van vissen wordt binnen de vissector geen rekening gehouden. Zelfs bij
vis die op ‘duurzame’ wijze is gevangen, is geen rekening gehouden met het welzijn van
de vis.

De wijze waarop vissen worden gevangen en gedood bezorgt ze een langdurige en
pijnlijke doodsstrijd. De Partij voor de Dieren vindt dat er regels moeten komen die pijn
en stress bij het doden van vissen tot een minimum beperken.

De Partij voor de Dieren wil een einde aan alle dierproeven. Zolang dierproeven nog niet
verboden zijn, behoren proefdieren evenals landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren
optimaal, overeenkomstig hun aard en gedrag, verzorgd en gehuisvest te worden.
Proefdieren die na afloop van de experimenten niet meer gebruikt worden, dienen, indien
hun lichamelijke en psychische conditie dat toelaat, op kosten van de dierproefnemers
via gespecialiseerde opvangcentra bij nieuwe eigenaren herplaatst te worden.

De leefgebieden van in het wild levende dieren mogen niet verder worden aangetast.
Waar mogelijk dienen ze te worden hersteld, opdat de dieren zich weer in hun biotoop
kunnen vestigen. Ook het voortbestaan van in het wild levende dieren mag niet verder in
gevaar worden gebracht. Het massale uitsterven van dieren en planten en de massale
exotenhandel die steeds ernstiger vormen aannemen, dienen met alle kracht te worden
bestreden.

Waar in het wild levende dieren en mensen in elkaars nabijheid leven, moeten dieren zo
veel mogelijk in staat worden gesteld om hun eigen leven te leiden volgens de natuurlijke
processen, zonder ingrijpen van de mens. Indien dieren onaanvaardbare overlast
veroorzaken voor de mens, worden alle diervriendelijke mogelijkheden beproefd om de
overlast tot een acceptabel niveau te beperken. Overlast mag nooit bestreden worden
door hobbyisten (zoals jagers) met een eigen belang.

Hoewel veel gezelschapsdieren goed verzorgd en gehuisvest worden, bestaan er in
verband met hun welzijn toch veel problemen. Dat heeft verschillende oorzaken. Veel
dierenleed komt voort uit onwetendheid van huisdierbezitters. De overheid dient daarom
de voorlichting over de verzorging van dieren krachtig te bevorderen. Het houden van
gezelschapsdieren kent ook een commerciele kant. Het fokken van dieren, de handel in
dieren en het recreatieve gebruik van dieren gaan helaas vaak gepaard met dierenleed.

De overheid dient deze activiteiten met strenge regelgeving en controle in het gareel te
houden. Het fokken van dieren met lichamelijke afwijkingen met het oog op bepaalde
raskenmerken moet worden verboden.

3. Vermindering van het gebruik van dieren
Dieren zijn levende wezens met bewustzijn en gevoel. Het gebruik van dieren, dat
gepaard gaat met dierenleed, moet daarom consequent worden beperkt en afgeschaft.
Dit geldt voor in het wild levende dieren en gehouden dieren, die gebruikt worden voor
consumptie, dierproeven, vermaak en culturele en religieuze tradities.

Bij het gebruik van dieren dient steeds het doel van het gebruik kritisch beoordeeld en
afgewogen te worden tegen de consequenties voor het dier. Naarmate de aantasting van
het welzijn groter, het belang van het gebruik geringer en de kwaliteit van de
alternatieven beter is, wordt het gebruik van dieren ethisch minder te rechtvaardigen. Dit
betekent dat dieren niet in hun welzijn mogen worden aangetast of gedood mogen
worden voor niet-essentiele zaken zoals vermaak en luxe producten.

De bontproductie is in onze samenleving een puur luxe aangelegenheid, gaat gepaard
met dierenleed en dient dan ook verboden te worden.

Plezierjacht en hengelen kunnen eveneens niet als activiteiten beschouwd worden die het
verwonden en doden van dieren ethisch rechtvaardigen.

Andere vormen van vermaak met dieren, zoals de dierenacts van met name wilde dieren
in circussen, zijn voor dieren zeer problematisch. Het is droevig gesteld met de
huisvesting van deze dieren, en de trainingsmethoden en het transport veroorzaken veel
leed.

Het gebruik van exoten en van uit het wild gevangen dieren als gezelschapsdier is
ongewenst. Deze dieren zijn daartoe doorgaans ongeschikt. Handel, vangst en transport
veroorzaken veel slachtoffers en dragen bij tot het uitsterven van diersoorten. Alleen
dieren die daartoe geschikt zijn, mogen als gezelschapsdier overeenkomstig hun aard en
gedrag gehouden worden. De namen van deze dieren dienen daartoe te worden vermeld
in een zo klein mogelijke ‘positieflijst’ van dieren die door particulieren mogen worden
gehouden, overeenkomstig artikel 33 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Het gebruik van landbouwhuisdieren en vissen als voedsel voor de mens heeft de
afgelopen decennia een enorme vlucht genomen. In vijftig jaar verdubbelde de
wereldbevolking en vervijfvoudigde de consumptie van vlees. Vlees en vis vormen op
zichzelf beschouwd geen noodzakelijk onderdeel van de menselijke voeding. De mens
kan gezond leven van uitsluitend plantaardig voedsel. Het extreem hoge niveau van de
consumptie van dierlijke producten in veel landen is zelfs bepaald niet bevorderlijk voor
de gezondheid van de mens. Voor de vleesproductie worden bovendien enorme
hoeveelheden goede landbouwgronden en graan gebruikt, die efficienter zouden kunnen
worden ingezet voor de productie van plantaardige eiwitten. Grote oppervlakten bos,
regenwoud en savannen worden vernietigd ten behoeve van landbouwgrond voor de
productie van veevoer en het houden van vee. Van al het plantaardig materiaal dat
landbouwhuisdieren eten kan slechts 10 tot 20% in de vorm van vlees (eiwit en vet)
worden doorgegeven. Deze biologische wetmatigheid maakt van de vleesproductie een
zeer omslachtige en verspillende manier om voeding voor menselijke consumptie te
produceren.

De visconsumptie ligt wereldwijd boven de draagkracht van de zeeen en oceanen,
waardoor steeds meer gebieden zijn leeggevist en veel vissoorten op de rand van
uitsterven zijn gebracht.

De Partij voor de Dieren wil daarom dat de consumptie van plantaardig voedsel krachtig
wordt bevorderd in het belang van de dieren, van de gezondheid van mensen en van het
behoud van milieu en natuur.

De belangen van dieren worden ernstig geschaad op het gebied van de dierproeven.
Dieren worden niet alleen ingezet voor de ontwikkeling van medicijnen, maar ook voor de
ontwikkeling van schoonmaakmiddelen, diervoeders en andere consumentenproducten.
De Partij voor de Dieren pleit voor een verbod op alle dierproeven. Ze wil tijdens de weg
daar naar toe een meer kritische beoordeling van het doel, het belang en de effectiviteit
van experimenten op dieren. Ze wil verder dat er veel meer geld beschikbaar komt voor
de ontwikkeling van alternatieve testmethoden, die dierproeven kunnen vervangen.
Overheid en bedrijfsleven besteden hieraan tot nu toe slechts minieme bedragen.
Genetische manipulatie van dieren wordt principieel afgewezen. Dit vormt een
onaanvaardbare aantasting van de lichamelijke integriteit en de vrijheden van het dier en
zal in de toekomst leiden tot een steeds verdere manipulatie van dieren tot
productiemiddelen.

4. Een duurzame omgang met het ecosysteem

Het ecosysteem van de aarde is in de afgelopen eeuw onder zware druk komen te staan.
Het aantal mensen is toegenomen van 1,5 miljard in het jaar 1900 tot 6 miljard in het
jaar 2000. Daarnaast hebben de technologische en economische ontwikkelingen de mens
in staat gesteld om veel meer activiteiten te ontplooien die een groot beslag leggen op
natuur, milieu en natuurlijke hulpbronnen, waaronder landbouwgronden, water en
energie. Daar komt bij dat de welvaart ongelijk is verdeeld en een minderheid van de
wereldbevolking beslag legt op een onevenredig groot deel van de natuurlijke
hulpbronnen. De arme delen van de wereldbevolking doen er begrijpelijkerwijs alles aan
om hun welvaartspeil te vergroten, waardoor de druk op het ecosysteem enorm
toeneemt. Het staat vast dat het ecosysteem aarde niet in staat is om alle 6 miljard
wereldburgers hetzelfde niveau van gebruik van energie en grondstoffen te bieden als nu
in de westerse wereld het geval is. Het wereldecosysteem is bij de huidige welvaart en
wereldbevolking al ernstig ontwricht en dat zal in 2050, wanneer de bevolking naar 9
miljard is gegroeid en er grote economieen, onder andere van China en India,
bijgekomen zijn, nog veel meer het geval zijn. De sociale, economische en politieke
gevolgen van deze toenemende druk op het wereldecosysteem zullen voor iedereen
desastreus uitpakken.

Om de druk op ons ecosysteem te verminderen zullen alle menselijke activiteiten moeten
worden gebaseerd op het principe van duurzaamheid, dat er op gericht is om natuurlijke
hulpbronnen niet uit te putten en ons ecosysteem niet uit zijn evenwicht te brengen.
Teneinde voldoende bereidheid hiertoe onder de bevolking te creeren zal er langdurig
voorlichting gegeven moeten worden over het principe van duurzaamheid. Opvoeding en
onderwijs dienen daarom zowel het respect voor dieren, mensen en natuur als het
duurzaamheidsprincipe uit te dragen.

Elke ontwikkeling die kans biedt op een meer duurzame samenleving zal moeten worden
aangegrepen. De mens is het enige levende wezen dat welbewust en uit eigen belang
zijn eigen leefomgeving blijvend aantast uit overwegingen van korte termijn gewin. Daar
zal radicale verandering in moeten komen. De mensheid zaagt aan de tak waarop alle
levende wezens op aarde zitten, en daar zal een eind aan moeten worden gemaakt.
Natuurgebieden mogen niet verder worden aangetast. Het vervoer, de productie van
voedsel en consumentengoederen, en het gebruik van energie moet op duurzame wijze
plaatsvinden. De overheid dient de vergroening van het fiscale stelsel en van de gehele
samenleving te vergroten. Beleidsbeslissingen zullen onder alle omstandigheden uit
moeten gaan van een “no-regret” scenario: zolang de gevolgen van een beleidsbeslissing
voor een duurzame samenleving nog niet duidelijk zijn of wanneer zij negatief zullen
uitpakken, zien we af van die maatregel.

5. Een aangenamere samenleving

De Partij voor de Dieren gaat uit van beginselen die zijn neergelegd in de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) en het Handvest van de Aarde (1987). De
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens creeert de voorwaarden waaronder de
mens in vrijheid en zonder onderdrukking en geweld kan leven en zich kan ontwikkelen.
Het Handvest van de Aarde formuleert de uitgangspunten voor het instandhouden van de
aarde als ecosysteem en van de menselijke gemeenschap.

De PvdD gaat uit van het beginsel dat ‘alle schepsels onderling afhankelijk zijn en dat
elke levensvorm, ongeacht zijn belang voor de mens, waardevol is’ (Handvest van de
Aarde artikel I,1) en meent in het verlengde hiervan dat mensen ‘zich jegens elkander in
een geest van broederschap [behoren] te gedragen’ (Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens, artikel 1). Dit uitgangspunt wordt zoveel mogelijk op de
verschillende beleidsterreinen, waarvan er hier enkele worden genoemd, gehanteerd.
De Partij voor de Dieren vindt dat mensen binnen onze samenleving respect voor elkaars
culturen en opvattingen moeten hebben, voor zover die niet strijdig zijn met de wetten
van ons land en die van de EU. Dit houdt tevens in dat mensen ‘plichten [hebben] jegens
de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid
niet mogelijk is’ (Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 29).

Het onderwijs zal conform artikel 26 van de Universele Verklaring van de Rechten van de
Mens gericht moeten zijn op de ‘volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en
op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties,
rassen of godsdienstige groepen bevorderen’.

Door het nemen van economische en ecologische maatregelen dient ernaar gestreefd te
worden dat alle mensen een levensstandaard hebben die hoog genoeg is voor hun
gezondheid en welzijn. De arbeidsmarkt dient toegankelijk te zijn voor zoveel mogelijk
mensen.

De economie en het sociale leven mogen niet louter beheerst worden door financiele
factoren. Mensen hebben recht op een veilige, schone, natuurlijke en zorgvuldig
vormgegeven omgeving. De mens als sociaal wezen heeft ook behoefte aan sociale
contacten en een menselijke omgeving. De overheid dient daarom (economische)
activiteiten te bevorderen die met deze factoren rekening houden.

Hierbij wordt onder andere gedacht aan behoud en stimulering van kleinschalige
(landbouw)bedrijven, het leefbaar houden van stadsbuurten, dorpen en het platteland in
het algemeen, persoonlijke dienstverlening in bedrijven etc.

Immigratie dient slechts op een beheerste wijze plaats te vinden. De bevolking mag
hierdoor in principe niet verder toenemen. Immigranten worden geacht zichzelf de taal
en noodzakelijke sociale vaardigheden eigen te maken om in de Nederlandse
samenleving te functioneren. De overheid ziet er op toe dat dit gebeurt en is hierbij
behulpzaam. Waar hoge geboortecijfers, werkloosheid en armoede de oorzaken van
immigratie zijn, dient de overheid deze oorzaken internationaal te bestrijden via hulp,
voorlichting en internationale verdragen.

Het buitenlandse beleid dient er op gericht te zijn de oplopende spanningen in de wereld
te verminderen. Het is noodzakelijk om steeds de oorzaken van de spanningen en
conflicten te onderzoeken en niet louter te reageren op het geweld dat door dieper
liggende oorzaken wordt opgewekt. Daarmee ontstaan immers vicieuze cirkels van
geweld die mensen tot steeds extremere opvattingen en daden brengen. De
voedingsbodem voor geweld en internationale politieke en militaire conflicten dient te
worden weggenomen en Nederland zal daarin eerder een rol moeten vervullen dan in
deelname aan militaire missies.

Deel B. Afzonderlijke onderwerpen

VEEHOUDERIJ

Inleiding

De Nederlandse veehouderij heeft zich in de afgelopen 50 jaar ontwikkeld tot een bedrijfstak
waarin jaarlijks circa 500 miljoen dieren gedood worden. De dieren zijn steeds intensiever
geexploiteerd. Ze zijn uit hun natuurlijke omgeving gehaald, hebben minder ruimte gekregen en
zijn door fokprogramma’s, voer en medicijnen onnatuurlijk snel gaan groeien. Slachtkuikens
groeien zo snel dat na enkele weken hun poten te zwak zijn om het lichaamsgewicht te dragen.
Koeien produceren viermaal zoveel melk als 100 jaar geleden en kippen leggen achtmaal zoveel
eieren als vroeger. De prijzen van dierlijke producten zijn onethisch laag (een ei kost hetzelfde als
60 jaar geleden), waardoor zowel de dieren als de boeren in een economische wurggreep
gehouden worden die steeds klemmender wordt. In hun overvolle stallen is er voor de dieren niets
te beleven, waardoor ze aan stress en verveling lijden en ernstig gestoord gedrag vertonen zoals
kannibalisme. Boeren kunnen nauwelijks het hoofd boven water houden in de marginale
bulkproductie die tot standaard verheven is. Daarom is het voor dieren, boeren en burgers
noodzakelijk dat de landbouw hervormd wordt tot een hoogkwalitatieve bedrijfstak met een
eerlijke prijs voor haar productie.

Het Landbouw Economisch Instituut (LEI) heeft aangegeven dat het gemiddelde Nederlandse gezin
12% van het inkomen uitgeeft aan voeding. In 1970 was dit nog 30%. Voor voedsel uit een geheel
biologische landbouw zou het nodig zijn dat we 16% van ons inkomen gaan uitgeven aan voedsel,
omgerekend een meerprijswaarde van twee vakantiedagen per jaar. Dan eet de consument eerlijk,
hebben de dieren een beter leven en verdient de boer een goede boterham.

De bio-industrie heeft ook grote nadelige gevolgen voor de ontwikkelingslanden en het milieu. Het
milieu heeft zwaar te lijden van de productie: de afvalstromen zijn enorm (ammoniak, fosfaat), de
schaarse zoetwatervoorraad van de wereld wordt uitgeput en het tropisch regenwoud wordt op
grote schaal gekapt voor de aanleg van (genetisch gemanipuleerde) sojaplantages ten behoeve
van veevoer. Het over de hele wereld heen en weer slepen van landbouw- en voedselproducten
legt daarbij een groot beslag op eindige grondstoffen. Het vervoeren van levende dieren over de
wereld veroorzaakt veel dierenleed en dient drastisch beperkt te worden. Veemarkten en het
vervoer brengen bovendien ook grote risico’s met zich mee voor mens en dier in de vorm van
ernstige epidemieen en dierziektencrises. De intensieve en massale veehouderij is de oorzaak van
het op grote schaal uitbreken van dierziekten. Massale vleesconsumptie en bijbehorende bioindustriele
methoden vormen steeds meer een gevaar voor de volksgezondheid. De door de Wereld
Gezondheids Organisatie (WHO) en Verenigde Naties voorspelde H5N1 pandemie zal honderden
miljoenen mensen het leven kunnen kosten, louter als uitvloeisel van de massale productie van
dierlijke (pluimvee)producten en de daarmee samenhangende handelsstromen.
De veehouderij moet op een natuurlijke, ecologische en regionale wijze georganiseerd worden,
waarbij dieren hun normale gedrag weer kunnen uitvoeren. De Partij voor de Dieren gaat hierbij uit
van de vijf in 1965 door de Britse dierenwelzijnscommissie Brambell gedefinieerde en algemeen
geaccepteerde (maar nog nauwelijks in praktijk gebrachte) vrijheden voor het dier.

Dieren dienen vrij te zijn:
van dorst, honger en onjuiste voeding;
van fysiek en fysiologisch ongerief;
van pijn, verwondingen en ziektes;
van angst en chronische stress;
om hun natuurlijke (soorteigen) gedrag te vertonen.


Verbetering dierenwelzijn veehouderij

Landbouwhuisdieren moeten gehuisvest en verzorgd worden overeenkomstig hun aard en gedrag
op het niveau van de normen van minimaal de biologische (-dynamische) veehouderij. Wanneer de
wijze waarop dieren gehouden worden voor problemen zorgt moet de oplossing worden gezocht in
verbetering van de huisvesting en niet in aanpassing van het dier via het preventief verwijderen
van lichaamsdelen. Fysieke aanpassing van dieren kan nooit gerechtvaardigd worden door
problemen die voortvloeien uit houderijsystemen of marktomstandigheden.

Huisvesting en verzorging

1.1 Kooihuisvesting van dieren wordt verboden.

1.2 Landbouwhuisdieren moeten de keuze hebben om binnen of buiten te verblijven,
overeenkomstig soorteigen gedrag. Zo moeten koeien het grootste deel van het
jaar de keuze hebben om de wei in te kunnen.

1.3 Dieren die buiten verblijven moeten beschutting hebben tegen wind en regen, zon
en kou overeenkomstig hun soorteigen gedrag.

1.4 Kalveren moeten na de geboorte bij hun moeder blijven en hebben recht op
moedermelk.

1.5 Voor kalkoenen en ganzen dient welzijnswetgeving te worden gemaakt.
Ingrepen

1.6 Er dient een einde te komen aan pijnlijke en dieronterende ingrepen. Hierbij valt te
denken aan een verbod op het (onverdoofd) castreren van biggen, het couperen
van staarten bij schapen, het knippen van hoektanden en het afbranden van
staarten bij varkens, het onthoornen van runderen en het snavelkappen bij kippen.

1.7 Er dient een einde te komen aan het oormerken van vee. Chipherkenning
bijvoorbeeld vormt een diervriendelijk alternatief.
Rem op verhoging productiviteit

1.8 Het fokken van runderen die niet meer op een natuurlijke manier ter wereld kunnen
komen (dikbillen) moet beeindigd worden.

1.9 Het huidige productieniveau van melkkoeien dient verlaagd te worden.

1.10 Het fokken van slachtkuikens die in slechts zes weken hun slachtgewicht bereiken
waardoor hun poten niet meer in staat zijn het lichaamsgewicht te dragen, dient
verboden te worden.

1.11 Het sexen en daarna vernietigen van pas uitgekomen mannelijke kuikens uit de
legsector dient uitgebannen te worden. Er moet Europees onderzoek komen naar
de mogelijkheden van het vroegtijdig prenataal sexen van eieren zodat de
massavernietiging van haantjes voorkomen kan worden. Daarnaast bieden
dubbeldoelrassen een oplossing.

1.12 Het gebruik van medicijnen als groeibevorderaars en het preventief toedienen van
antibiotica in de veehouderij moet worden verboden.

1.13 Genetische manipulatie van productiedieren (vaak ten behoeve van de fok of
‘productieverbetering’) is ontoelaatbaar

Handel in en transport van dieren

1.14 Veehouders moeten hun eigen dieren fokken, zelf afmesten en aan een vaste
slachterij in de regio afleveren. Gescheiden fokken en afmesten mag alleen als er
sprake is van een een-op-een-relatie met een bedrijf in de regio. De mesterij neemt
zijn dieren van slechts een fokkerij af en het transport van de dieren wordt beperkt
tot maximaal twee keer; een keer naar de mesterij en een keer naar het slachthuis.

1.15 De transporttijd van levende dieren dient tot maximaal twee uur beperkt te worden.

1.16 Veemarkten dienen verboden te worden met het oog op dierenwelzijn en
verspreiding van dierziekten. Zolang veemarkten nog bestaan dient het toezicht
door een onafhankelijk van het ministerie van LNV opererende inspectiedienst
overgenomen, uitgebreid en verscherpt te worden.

Doden van dieren in de veehouderij

In het ‘Besluit doden van dieren’ van het Ministerie van Landbouw staat dat het slachten van dieren
plaats moet vinden ‘na voorafgaande bedwelming omdat daardoor met de grootste mate van
zekerheid wordt voorkomen dat het dier lijdt door pijn of stress’. Helaas ziet de praktijk in de
slachthuizen er anders uit.

In menig slachthuis worden kippen om bedrijfseconomische redenen met te zwakke stroom
bedwelmd. Dat is beter voor de kwaliteit van het vlees, omdat er hierdoor in het vlees minder
bloeduitstortingen voorkomen. Als gevolg hiervan worden jaarlijks miljoenen dieren onverdoofd
geslacht.

Verder vormt het onverdoofd slachten om religieuze redenen een groot probleem. Op basis van
artikel 6 van de grondwet, vrijheid van godsdienst, is bepaald dat dieren ook volgens joodse en
islamitische tradities geslacht mogen worden: zonder verdoving en dus met alle pijn en stress van
dien.

Omdat andere landen minder makkelijk zijn met het verschaffen van uitzonderingen op hun eigen
wetgeving, wordt daar geen ritueel geslacht vlees geproduceerd. De Nederlandse slachthuizen zijn
in dit gat in de markt gesprongen en exporteren een deel van de in Nederland ritueel geslachte
dieren naar deze landen. Nu al wordt in 20% van alle Nederlandse slachterijen ritueel geslacht.
Niet al dat vlees belandt als halal of kosjer vlees in de Nederlandse of buitenlandse schappen. Het
ritueel geslachte vlees dat niet als halal vlees afgezet kan worden, komt als ‘gewoon’ vlees in de
winkels te liggen. De argeloze vleeseter die denkt dat hij op basis van de Nederlandse wetgeving
vlees eet van verdoofd geslachte dieren, wordt bewust misleid.

Maatregelen

1.17 De overheid dient in slachthuizen strenge en intensieve controle uit te oefenen. Dit
geldt in bijzondere mate op het bedwelmen van dieren, voorafgaand aan de slacht.

1.18 Alle slachtmethoden waarbij de dieren niet verdoofd worden, moeten worden
verboden. Er mogen daarbij geen uitzonderingen worden gemaakt voor
bijvoorbeeld culturele en/of religieuze tradities en gewoonten.

Bestrijding dierziekten

De Partij voor de Dieren is tegen massale vernietiging van gezonde dieren bij uitbraak van
besmettelijke ziekten zoals MKZ of varkenspest. De PvdD wil preventieve inenting en geen
ruimingen. Maar ter voorkoming van dierziekten zullen ook drastische veranderingen doorgevoerd
moeten worden. Door regionalisering van de veehouderij, uitbanning van lange
afstandstransporten en het verminderen van het aantal gehouden dieren wordt de kans op een
dierziekte-uitbraak verkleind en zullen de gevolgen van uitbraken beperkt zijn. Dierziekten zijn van
alle tijden, het is de wijze waarop de dierlijke productie is georganiseerd die ervoor zorgt dat
draconische maatregelen worden genomen om economische redenen. Het middel blijkt daarbij vele
malen dodelijker dan de kwaal ooit had kunnen zijn.

Maatregelen

1.19 Massale vernietiging van gezonde dieren bij uitbraak van besmettelijke ziekten
zoals MKZ of varkenspest wordt niet meer toegepast.

1.20 Entingen in de biologische veehouderij komen volledig voor rekening van de
overheid, voor zover die voortvloeien uit risico’s die samenhang vertonen met de
bio-industrie.

1.21 Producten van ingeente dieren moeten gewoon op de markt worden gebracht.

1.22 Dieren in dierentuinen en hobbydieren mogen te allen tijde worden gevaccineerd.

1.23 Het verplicht ophokken van pluimvee dient beeindigd te worden. De overheid
betaalt het inenten van alle hobbypluimvee omdat duidelijk is dat die vaccinatie
slechts een uitvloeisel vormt van de aanwezigheid van de intensieve veehouderij en
geen doel in zichzelf dient.

Verbod op houden van bepaalde productiedieren

Maatregelen

1.24 In navolging van verboden in Engeland, Noord-Ierland, Oostenrijk, deelstaten van
Duitsland en Schotland dient er een Nederlands verbod te komen op het fokken van
nertsen en andere pelsdieren voor hun vacht. Daarnaast moet de Nederlandse
overheid zich sterk maken voor een Europees verbod.

1.25 Er komt een verbod op het houden van konijnen, herten en andere dieren die
vanwege hun aard niet geschikt zijn om in grote veehouderijen te worden
gehouden. Struisvogels en andere exoten zijn ongeschikt om in het Nederlandse
klimaat te houden. Het maakt ze letterlijk ziek.

1.26 Foie gras (eenden- of ganzenleverpate) wordt gemaakt van de onnatuurlijk
vergrote levers van eenden en ganzen die meerdere malen per dag en weken lang
een dwangvoedering (via een trechter in de strot) hebben moeten doorstaan. Er
moet een import- en handelsverbod komen op foie gras. Het houden van ganzen en
eenden ten behoeve van foie gras-productie moet op Europees niveau verboden
worden.

1.27 In de Europese Unie moet het verboden worden om eenden, ganzen en andere
dieren levend te plukken ten behoeve van de productie van bont.

Overheidssteun voor een meer diervriendelijke veehouderij

De diervriendelijkere veehouderij gaat gebukt onder oneerlijke concurrentie. De maatschappelijke
kosten van de gangbare productie worden maar ten dele verrekend in de kostprijs en controles en
keurmerkverplichtingen drukken zwaar op de diervriendelijkere houderijsystemen. Daardoor zijn
producten uit de gangbare veehouderij onethisch laag geprijsd in verhouding tot producten uit de
biologische (-dynamische) sector. Zolang deze scheefgroei bestaat moet de overheid de overgang
naar diervriendelijkere houderijsystemen compenseren. Een totale omvorming van het beleid zal
voor de boeren niet pijnloos zijn en daarom zijn compensatieregelingen noodzakelijk. Agrariers zijn
medeslachtoffer van een beleid dat de bio-industriele productie jarenlang ten onrechte stimuleerde
en zij moeten om die reden een positieve en financiele impuls krijgen van de overheid om hun
bedrijfsvoering in kwalitatieve zin te verbeteren. Deze ingrijpende herstructurering van de bioindustrie
is noodzakelijk en heeft op soortgelijke wijze plaatsgevonden bij de sanering van de
confectie- en textielindustrie, de grote scheepsbouw en de steenkoolmijnen. De overstap kan via
een tijdelijke financiele steun gecompenseerd worden.

Maatregelen

1.28 De Partij voor de Dieren is voorstander van cross compliance. Dit houdt in dat
inkomenssteun aan boeren slechts zal worden toegekend als wordt voldaan aan een
aantal normen op het gebied van onder andere dierenwelzijn en milieu. Het naleven
van deze normen moet een subsidievoorwaarde worden. Een groot deel van de
normen moet op Europees niveau worden vastgesteld, maar de afzonderlijke
lidstaten moeten gestimuleerd worden deze aan te scherpen tot een hoger niveau.
Nederland moet hierin een gidspositie vervullen.

1.29 Er moet voor biologische producten een BTW-nultarief worden gehanteerd.

1.30 Ter ondersteuning van nationale normen die verder gaan dan de Europese
regelgeving, dient er een goed etiketteringsysteem te komen. In dat systeem moet
duidelijk herkenbaar worden in welk land een product geproduceerd is en volgens
welke (dierenwelzijns)normen. De etikettering moet uniform en goed herkenbaar
zijn. De consument wordt door de overheid en de marktpartijen uitgebreid en
eerlijk voorgelicht over de inhoud van de kwaliteitssystemen.

VISSERIJ

Inleiding

Het Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB) van de EU heeft ten doel het in stand houden van de
vispopulatie en de diversiteit in de zeeen. Het beleid houdt echter te veel rekening met
economische en handelsbelangen.

De Partij voor de Dieren ziet drie grote problemen: de vangst- en dodingsmethoden, de
overbevissing en de opkomst van dieronvriendelijke, intensieve viskwekerijen.

Vangst- en dodingsmethoden

De vangst van vissen gaat gepaard met ernstige verwondingen, pijn en stress voor de dieren. In de
grote netten worden veel vissen doodgedrukt of anderszins verwond. In de drijfnetten staat ze een
langdurige doodsstrijd te wachten.

Ook de dodingsmethoden van vis kenmerken zich door ruwheid en langdurigheid. Er dienen
daarom regels te worden ontwikkeld voor het doden van vissen. Anders dan veel mensen denken
gaat een vis niet snel dood wanneer hij op het droge wordt gebracht. Haringen zijn bijvoorbeeld
pas tot na 35 minuten gestikt, kabeljauwen en wijtingen tot na 60 minuten. Veel vissen worden
‘gestript’: dit houdt in dat de vis levend wordt opengesneden om de organen en het bloed te
verwijderen. De vis gaat hierdoor echter niet onmiddellijk dood. Schollen houden het bijvoorbeeld
maximaal 50 minuten uit. In de palingindustrie wordt nog steeds gebruik gemaakt van een
dodingsmethode waarbij zout op de huid van de paling wordt gestrooid waardoor het dier ontslijmd
wordt. De paling vertoont langdurig heftige zwembewegingen om het zout te ontvluchten; het
zoutbad heeft op de huid van de paling een effect dat te vergelijken is met brandwonden bij de
mens. Bovendien beschadigt het zout de kieuwen. Een uiterst pijnlijke methode. Wanneer de paling
tenslotte ophoudt te bewegen, is hij nog bij bewustzijn en nog lang niet dood. Maar hij wordt dan
wel van zijn organen ontdaan.

Alternatieve, bewezen diervriendelijkere dodingsmethoden worden op dit moment nauwelijks
toegepast. De visserijsector en de Nederlandse overheid tonen helaas nauwelijks interesse voor dit
probleem. Daar zal verandering in moeten komen.

Maatregelen

2.1 De Nederlandse overheid en de EU dienen actief te werken aan de ontwikkeling van
alternatieve dodingsmethoden voor paling en zeevis. Ontwikkelde alternatieven,
zoals doding door elektrocutie, dienen gecertificeerd te worden.

2.2 Het laten doodkruipen van palingen in een zoutbad moet verboden te worden.

2.3 Het gebruik van drijfnetten in de Nederlandse wateren dient te worden verboden.

2.4 Het gebruik van sleepnetten in diepzeewater dient te worden verboden.

2.5 De omvang van visserijnetten dient drastisch te worden verkleind.

2.6 De boomkorvisserij moet worden verboden.

2.7 Om te voorkomen dat dolfijnen, walvissen en zeehonden in vissersnetten verstrikt
raken moet de EU aangepaste netten en sonarsystemen voorschrijven.

Viskwekerijen

In viskwekerijen wordt op een dieronvriendelijke wijze met vissen omgegaan. De vissen worden in
hoge dichtheden gehouden, krijgen hormonen toegediend en worden op verschillende manieren
gemanipuleerd om voortplanting en groei te bevorderen. Er heeft zich, zonder dat daar veel
ruchtbaarheid aan is gegeven, een nieuwe visbio-industrie ontwikkeld, die krachtig wordt gesteund
door de Europese overheden. Een oplossing voor de overbevissing van de zeeen biedt de viskweek
niet, omdat veel gekweekte vissen uitsluitend of overwegend met (producten van) zeevis worden
gevoed. De viskwekerij vormt daardoor een extra aanslag op de zeevisbestanden.

Maatregelen

2.8 Vissen in viskwekerijen dienen overeenkomstig hun aard en gedrag gehuisvest te
worden. Hiertoe dient ethologisch onderzoek geenitieerd te worden.

2.9 De uitbreiding van viskwekerijen dient verboden te worden totdat fundamenteel
onderzoek heeft geleid tot meer diervriendelijke en ecologisch verantwoorde
vormen van viskweek.

2.10 De financiele steun van de overheid aan viskwekerijen moet worden stopgezet.

Overbevissing

Door het uitgeven van quota probeert de EU jaarlijks de hoeveelheid vis die gevangen wordt te
beperken. De lobby van de visserij is echter sterk en de handelsbelangen wegen zwaar. De quota
worden daardoor -ondanks waarschuwingen van onafhankelijke wetenschappers- te hoog gesteld,
waardoor er onverantwoord veel vis gevangen wordt. Bovendien is er een levendige handel in
visquota tussen de Europese lidstaten, hetgeen effectieve vangstvermindering sterk frustreert. Op
korte en langere termijn dreigen hierdoor vissoorten geheel uit te sterven en komen visetende
vogels en zeezoogdieren in de problemen. Daarbij komt dat de controle op de quota beperkt is
waardoor vaak meer vis wordt gevangen dan is toegestaan.

Maatregelen

2.11 Strengere controles op vangstquota zijn noodzakelijk om vissoorten te beschermen
tegen uitsterven. De Europese Commissie dient de beschikking te krijgen over
eigen inspecteurs en satelliettechnieken om zo illegale visvangsten aan te pakken.
Hierbij valt te denken aan een gezamenlijke Europese Marine- en Luchtmachtdienst
die deze controles efficient kan uitvoeren en daar prioriteit aan geeft.

2.12 Bij internationale afspraken over het beheer van zeeen en oceanen krijgt
kleinschalige seizoens- en kustvisserij voorrang boven industriele visserij.

2.13 Er dient op te worden toegezien dat Nederlandse visserijschepen niet de
visbestanden van andere landen zodanig wegvangen dat de lokale bevolkingen van
die landen daar ernstige hinder van ondervinden.

Een verantwoorde ‘groene’ visserijsector voorkomt overbevissing, zorgt voor minimale bijvangst,
tast het zeemilieu niet aan en hanteert alleen diervriendelijke vangst- en dodingsmethoden. De
overheid dient een dergelijke groene visserijsector te stimuleren. Vangstquota moeten drastisch
worden verlaagd om de visstand de gelegenheid te geven zich te herstellen.

Vermaling van vissen in gemalen en elektriciteitscentrales

Er worden in de Nederlandse wateren jaarlijks miljoenen vissen vermalen door de vijzels en
waterschoepen in de ruim 3000 poldergemalen en tientallen elektriciteitscentrales.
Maatregelen

2.14 Er dienen visweringen gebouwd te worden, waarbij met behulp van geluid
en licht, in combinatie met visgeleidingssystemen de vissen de
mogelijkheid wordt geboden om de waterschoepen en vijzels te ontwijken.

DIERPROEVEN EN BIOTECHNOLOGIE

Inleiding

Jaarlijks worden in Nederlandse laboratoria ongeveer 630.000 gewervelde dieren gebruikt voor
experimenten. De totale hoeveelheid dieren die wordt ingezet ten behoeve van dierproeven is nog
veel groter; zo worden ongewervelde dieren niet meegeteld bij de registratie van het aantal
proefdieren en ook dieren die worden aangehouden voor fok of toekomstige experimenten slijten
hun leven in een laboratorium, maar worden niet meegeteld als proefdier.

De Partij voor de Dieren wil een einde aan alle dierproeven en wil dat door middel van een
systematische beperking van de dierproeven in combinatie met een krachtige ontwikkeling van
alternatieve testmethoden bereiken. Dit zal echter in fasen moeten worden doorgevoerd. Om dat
proces te versnellen is het van belang om systematisch, onafhankelijk onderzoek naar de
effectiviteit van dierproeven te bevorderen en flink te investeren in alternatieven voor
proefdieronderzoek. Openbaarheid over dierproeven is noodzakelijk om het doel van dierproeven
kritisch te kunnen beoordelen, en zolang er dierproeven worden verricht moet het welzijn van de
dieren voorop staan.

De Nederlandse wetgeving die proefdieren zou moeten beschermen is bijna dertig jaar oud en toe
aan een ingrijpende herziening. De Wet op de dierproeven (Wod) stamt uit 1977 en stelt een
aantal voorschriften ten aanzien van proefdieronderzoek. Evaluaties wijzen uit dat de bijdrage van
deze wet aan de bescherming van proefdieren verre van optimaal is. Zo stelt de wet dat
Dierexperimentencommissies (DEC's), die vergunningaanvragen voor proefdieronderzoek
beoordelen, de intrinsieke waarde van het dier als een zelfstandig afwegingscriterium moeten
meewegen in een ethische toets. In de praktijk blijkt echter vooral te worden getoetst op de
proefdierkundige opzet van de onderzoeksaanvragen en het veronderstelde belang of nut voor de
wetenschap en de maatschappij. De belangen van het dier staan niet centraal en tellen nauwelijks
mee.

Informatie over dierproeven is vrijwel niet openbaar. De precieze doelen en opzet van de
onderzoeksaanvragen van de verschillende dierexperimentele onderzoeken zijn op dit moment niet
bekend. De ethische afweging gebeurt achter gesloten deuren en resultaten van
proefdieronderzoek worden niet gepubliceerd; de jaarlijkse rapportage van de Voedsel en Waren
Autoriteit bericht slechts over het totaal aantal dieren en de gebruikte diersoorten, de doeleinden
en het aantal experimenten per universiteit. Er bestaan -ten onrechte- geen mogelijkheden voor
het indienen van bezwaren door burgers of maatschappelijke organisaties.

Vermindering van het aantal dierproeven

De Partij voor de Dieren vindt dat er stevig moet worden ingezet op een sterke vermindering van
het aantal dierproeven. Dat kan onder meer door kennis te delen, en de ontwikkeling en toepassing
van alternatieve methoden te bevorderen.

Maatregelen

3.1 Er moet een substantieel budget komen voor de ontwikkeling, validatie en
implementatie van alternatieve methoden anders dan proefdieronderzoek. Dit
budget moet deels worden opgebracht door de overheid en deels door de
proefdierinstellingen zelf. Voor ieder proefdier dat met het oog op experimenten
wordt ingezet of aangehouden, moet de betreffende onderzoeksinstelling 10 euro
storten in de ontwikkelingskas voor alternatieven. Vanuit de overheid dient een
budget van 10 miljoen euro per jaar beschikbaar te worden gesteld.

3.2 Er moet een openbaar toegankelijke database worden ingericht waarin alle
gegevens uit dierexperimentele onderzoeken worden opgeslagen, om zodoende
onnodige dierproeven en fok van proefdieren te voorkomen.

3.3 De verplichting tot het testen op dieren van nieuw ontwikkelde etenswaren met
gezondheidsclaims dient te worden ingetrokken.

3.4 Het testen op dieren van nieuwe medicijnen die nauwelijks afwijken van bestaande
medicijnen (zogenaamde ‘me-too’ medicijnen) moet worden verboden.

3.5 Nederland dient zich binnen de EU hard te maken voor een invoerverbod op
cosmetica uit landen waar nog wel dierproeven voor cosmetica zijn toegestaan.

3.6 Studenten diergeneeskunde dienen niet langer verplicht te worden te oefenen op
levende dieren.

3.7 Het Biomedical Primate Research Center (BPRC) in Rijswijk moet zo spoedig
mogelijk worden gesloten. De apen die in dit primatenproefdiercentrum verblijven
moeten worden ondergebracht in deugdelijke opvang.

Vergunningen voor proefdieronderzoek

De Partij voor de Dieren meent dat de vergunningverlening voor proefdieronderzoek moet worden
aangescherpt. Over iedere vergunningaanvraag moet een ethische afweging worden gemaakt,
waarbij de belangen van het dier nadrukkelijk moeten worden afgewogen tegen het
(veronderstelde) belang van de proef. Bovendien moeten betere garanties worden gegeven voor
het welzijn van de proefdieren. De procedure rond de vergunningverlening moet openbaar worden
en open staan voor deelname door burgers en maatschappelijke organisaties. Voorts dient de
grootst mogelijke openheid te worden betracht. Dit betekent dat ook van mislukte proeven de
resultaten gepubliceerd moeten worden, aangezien dit tot vermindering van het aantal proefdieren
kan leiden.

Maatregelen

3.8 Voordat een dierproefaanvraag in aanmerking komt voor een ethische toets moet
voldaan zijn aan een juiste proefdierkundige opzet van het onderzoek en dienen
alternatieven aantoonbaar te zijn onderzocht. De bewijslast hiervoor ligt bij de
dierproefnemer en de beoordeling wordt uitgevoerd door een ethische
toetsingscommissie die werkt vanuit de belangen van de proefdieren en geen
verlengstuk is van de dierproefnemers.

3.9 De regelgevende teststrategieen waarbij dieren worden gebruikt, dienen
(regelmatig) te worden geevalueerd om na te gaan of de testen effectiever kunnen
worden gedaan zonder het gebruik van dieren, of het aantal dierproeven
verminderd kan worden en tenslotte hoe de proeven verfijnd kunnen worden.

3.10 De belangen met het oog waarop dierproeven voor wetenschappelijk onderzoek zijn
toegestaan, moeten worden ingekaderd. Het belang van een bepaalde proef dient
in een brede maatschappelijke context te worden beoordeeld. Inspanningen op het
gebied van preventie van (gezondheids)problemen en helder geformuleerde doelen
van het onderzoek in termen van aangetoond maatschappelijk nut vormen daarbij
belangrijke beoordelingscriteria.

3.11 Ten aanzien van de ethische toetsingscommissie dienen nieuwe
deskundigheidseisen te worden geformuleerd. Voorts dient de onafhankelijkheid
van de commissieleden te worden gewaarborgd. De adviezen van de verschillende
toetsingscommissies dienen centraal te worden verzameld en verwerkt, en jaarlijks
te worden geevalueerd.

3.12 De procedure rond vergunningverlening voor proefdieronderzoek moet openbaar
worden, met mogelijkheden tot inspraak, bezwaar en beroep voor burgers en
maatschappelijke organisaties.

Welzijn van proefdieren

Zolang er dierproeven worden verricht, dient het welzijn van de proefdieren voorop te staan. Dat
betekent dat de dieren op een voor hen zo natuurlijk mogelijke wijze worden gehuisvest, dat er
onafhankelijke controle op hun welzijn plaatsvindt en dat ingrepen die onnodig lijden veroorzaken,
-dit ter beoordeling van een onafhankelijke ethische commissie-, verboden worden. Het welzijn van
proefdieren kan en moet aanzienlijk worden verbeterd.

Maatregelen

3.13 De minimale huisvestingseisen voor proefdieren moeten tegemoetkomen aan de
(sociale) behoeften van de betreffende dieren.

3.14 Het welzijn van proefdieren dient tijdens het experiment dagelijks te worden
gecontroleerd door een onafhankelijk dierenarts.

3.15 Overtredingen en nalatigheid van de onderzoekers moeten worden bestraft met het
intrekken van de vergunning, boetes en eventueel gevangenisstraf.

3.16 Het afknippen van een teen van een (pasgeboren) knaagdier mag niet langer
worden toegestaan als identificatiemiddel. Het Ingrepenbesluit dient hiertoe per
direct te worden aangepast en alternatieve, diervriendelijke vormen van
identificatie moeten worden onderzocht en toegepast.

3.17 Er moet een complete registratie van proefdieren in Nederland komen, inclusief de
fokdieren en dieren die wel in laboratoria gehouden worden, maar niet zijn ingezet
bij een dierproef.

3.18 Er moet een inventarisatie komen van de ongewervelde soorten die gebruikt
worden in proeven. Ongewervelde soorten waarvan mag worden aangenomen dat
zij ‘ongerief’ ondervinden van een dierproef, dienen onder de Wet op de
dierproeven te worden gebracht.

3.19 Proefdieren die na afloop van de experimenten niet meer gebruikt worden, dienen,
indien hun lichamelijke en psychische conditie dat toelaat, op kosten van de
dierproefnemers via gespecialiseerde opvangcentra bij nieuwe eigenaren herplaatst
te worden.

Biotechnologie

De erfelijke eigenschappen van dieren en planten hebben zich ontwikkeld in een langdurig proces.
Hierdoor hebben planten en dieren zich optimaal aan elkaar en aan de natuurlijke omstandigheden
van hun omgeving aangepast en is een dynamisch evenwicht tussen de diverse levensvormen
ontstaan. De genetische manipulatie van planten en dieren en het toepassen daarvan voor
technologische doeleinden (biotechnologie) vormt een drastische breuk in het natuurlijke
ecosysteem. Ze tast niet alleen de integriteit van planten en dieren aan, maar vormt ook grote
risico’s voor hun voortbestaan. Genetisch gemanipuleerde dieren en planten kunnen immers hun
natuurlijke soortgenoten verdringen en in het algemeen het ecosysteem ontwrichten.
De laatste jaren zijn handelingen die op genetisch niveau veranderingen aanbrengen in een levend
organisme (genetisch gemanipuleerde dieren) verder ontwikkeld en de toepassingen van
biotechnologie bij dieren zijn uitgebreid. Genetische aanpassing van dieren zodat hun organen
mogelijk bruikbaar zijn voor de mens (xenotransplantatie) is daar een voorbeeld van. In
Nederland worden ieder jaar meer dan honderdduizend dieren, vooral muizen en ratten, gebruikt in
biotechnologische experimenten. Genetische manipulatie is een techniek die veel dieren kost: er
zijn gemiddeld 150 dieren nodig om een transgene lijn te maken. Vooral de moederdieren hebben
ernstig te lijden van de handelingen die worden uitgevoerd om de zogenaamde 'transgene dieren'
te maken, maar ook de nakomelingen die met genetische defecten geboren worden, zijn zelfs
voordat er experimenten op hen worden verricht al in hun lichamelijke integriteit aangetast.
Genetische manipulatie heeft de afgelopen jaren bovendien geleid tot een stijging van het totale
aantal dierproeven.

De Partij voor de Dieren vindt dat het genetisch veranderen van dieren niet te verenigen is met de
lichamelijke integriteit van het dier en wijst dit daarom principieel af. Zolang er geen verbod op het
verrichten van deze experimenten is gerealiseerd, dient het wettelijk verankerde 'Nee, tenzij'-
principe strikt te worden gehandhaafd.

Maatregelen

3.20 Er moet een verbod komen op genetische manipulatie en klonen van dieren en
genetische manipulatie van planten.

3.21 Er dient op ethische gronden een verbod te komen op het patenteren van leven.

3.22 Xenotransplantatie wordt verboden.

3.23 Zolang er geen verbod op biotechnologie bij dieren gerealiseerd is, dient de
procedure rond de vergunningverlening openbaar te blijven. Er moeten voor deze
procedure ethische criteria komen waarin de belangen van het dier nadrukkelijker
worden meegewogen. Het belang van het onderzoek dient steeds in een brede
maatschappelijke context te worden beoordeeld.

3.24 Alle gegevens die voortkomen uit biotechnologische onderzoeken bij dieren moeten
openbaar worden gemaakt. Resultaten van onderzoek dienen te worden
meegenomen in de bespreking van de vervolgaanvraag van voorstellen die
voortbouwen op eerder biotechnologisch onderzoek. Indien de resultaten geen
belangrijke informatie opleveren, dient de vervolgaanvraag bij voorbaat afgewezen
te worden.

3.25 Er dient een centrale databank te worden ingericht waarin alle beschikbare kennis
over de gevolgen van genetische manipulatie bij dieren verzameld wordt. Deze data
moeten worden gebruikt bij het besluitvormingsproces rond nieuwe
vergunningverleningen.

GEZELSCHAPSDIEREN

Inleiding

Ten aanzien van gezelschapsdieren zijn er nog maar weinig wettelijke regels die het welzijn van
dieren beschermen. Wanneer gezelschapsdieren zwervend worden aangetroffen, worden zij op
grond van het Burgerlijk wetboek 5, artikel 8 beschouwd als een gevonden voorwerp dat door de
gemeente gedurende 14 dagen voor de eigenaar moet worden bewaard. Verder is er het Hondenen
kattenbesluit (HKB) dat regels stelt aan het bedrijfsmatig houden van honden en katten in
opvangcentra, aan de handel in deze dieren, en aan fokkerijen en pensions. De regels hebben
onder andere betrekking op de vakbekwaamheidseisen voor fokkers en handelaren en op de
normen voor huisvesting, verzorging, vaccinatie, identificatie/ registratie en nestfrequentie.
Voor de overige gezelschapsdieren is er niets geregeld. Dat ligt grotendeels aan de overheid die de
laatste jaren veel regels wil afschaffen, helaas ook regels die weerloze dieren moeten beschermen.
Zo wil de overheid zelfs het in 2002 inwerking getreden Honden- en kattenbesluit al weer
afschaffen in een heilig vertrouwen in de zelfregulering van de markt. Alleen de dierenhandel,
legaal en illegaal, zal hiervan profiteren.

De toepassing van de wet laat bovendien zeer te wensen over. De rechterlijke macht toont, waar
het dierenmishandeling betreft, een groot gebrek aan bereidheid adequate straffen op te leggen.
Bedrijven die dieren mishandelen/verwaarlozen dienen naast strafrechtelijke vervolging ook op
andere wijze gesanctioneerd te kunnen worden door bestuursdwang, dwangsom, bestuurlijke boete
en (definitieve of gedeeltelijke) stillegging van het bedrijf/inrichting.

Dierenmishandeling en verwaarlozing

Maatregelen

4.1 Dierenmishandeling dient meer en zwaarder bestraft te worden. Het Openbaar
Ministerie moet een hogere prioriteit toekennen aan het vaker voor de rechter
brengen van verdenkingen van dierenmishandeling. De rechterlijke macht dient
vaker een hogere strafmaat te hanteren en meer (langdurige of definitieve) houden
handelsverboden op te leggen.

4.2 Opsporing van overtredingen en handhaving van dierenwelzijnswetten
dienen meer prioriteit te krijgen bij opsporingsinstanties. Om dit te kunnen
realiseren moet een dierenpolitie, bestaande uit minimaal 50 functionarissen,
worden ingevoerd. Deze dierenpolitie dient voldoende bevoegdheden te krijgen
voor inbeslagname van dieren.

4.3 Er is een sterk verband aangetoond tussen huiselijk geweld en
dierenmishandeling: vaak gaat dierenmishandeling vooraf aan
geweldpleging richting mensen. Er moet een landelijk registratiesysteem
worden ingevoerd waarbij gegevens over potentiele geweldsituaties vanuit
verschillende instanties aan elkaar gekoppeld worden. Dierenartsen
kunnen dan melding maken van verdachte verwondingen bij een dier en
tegelijkertijd kunnen onder andere jeugdzorginstellingen en politie melding maken
van verdenkingen van huiselijk geweld zodat probleemgezinnen kunnen
worden gelokaliseerd. Op deze wijze kan veel leed bij zowel mensen als
dieren voorkomen worden.

Dierenhandel

Maatregelen

4.4 Dieren dienen bij de verkoper en fokker op welzijnsvriendelijke wijze te zijn
gehuisvest, die volledig tegemoetkomt aan de gedragsbehoeften van de dieren. In
dat kader dient het Honden- en Kattenbesluit te worden gehandhaafd.

4.5 Alle bedrijven die zich met de handel in gezelschapsdieren bezighouden, dienen
verplicht gecertificeerd te worden.

4.6 Er moet een algehele Identificatie & Registratieplicht komen voor honden en katten,
onder andere via het plaatsen van chips.

4.7 In de certificatie-eisen moet worden opgenomen dat de verkoper uitgebreide, ook
schriftelijke informatie over de verzorging van een dier moet geven veer de
aankoop van een dier. Verder moet worden vastgelegd dat de verkoper van een
dier de verantwoordelijkheid heeft om zich ervan te verzekeren dat de beoogde
houder een dier welzijnsvriendelijk kan houden.

4.8 Het personeel dat dieren verkoopt dient een opleiding te hebben gevolgd die
voldoende kennis omtrent de aangeboden dieren garandeert.

4.9 Hondenhandelaren moeten in de overdrachtspapieren vermelden wie de eigenaar
van de moederhond van de verhandelde pups is en waar deze verblijft.

4.10 De verkoop van pups en kittens zonder moeder in dierenwinkels dient verboden te
worden.

4.11 Er moet een verbod komen op de handel in dieren die in het buitenland onder
slechte omstandigheden zijn gefokt. De Nederlandse, gecertificeerde handelaar
dient alleen dieren van volgens de Nederlandse normen werkende buitenlandse
bedrijven te verhandelen.

4.12 Wanneer een handelaar wordt betrapt op overtreding van de fok- en/of
importregels, is hij aansprakelijk voor de kosten van de medische behandeling van
de dieren die daaruit voortvloeien. De nieuwe eigenaar krijgt deze
bovengemiddelde kosten zonder zelf procederen vergoed. Daarnaast dient de
handelaar een houd- en handelsverbod opgelegd te krijgen.

Fokkerij

Selectieve fok kan ertoe leiden dat dieren niet op een natuurlijke wijze ter wereld kunnen komen,
continu ademhalingsmoeilijkheden hebben, afwijkingen in hun skelet vertonen of door
verschillende oorzaken vroegtijdig zullen sterven.

Maatregelen

4.13 Er moet een verbod komen op het fokken van dieren die door selectieve
fok gezondheids- of welzijnsproblemen ondervinden. Dit verbod moet vergezeld
gaan van een verbod op het tentoonstellen en verhandelen van dergelijke soorten.
Hiertoe dient artikel 55 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (1992) te
worden ingevuld.

Regeling agressieve dieren (RAD)

Het is in Nederland verboden om pitbullachtigen te houden en te fokken, tenzij ze van een FCIstamboom
zijn voorzien. Door buitenlandse en illegale fokkers worden echter toch dergelijke
honden gefokt, die in Nederland vervolgens in beslag genomen en gedood worden. Er moet een
eind gemaakt worden aan het recksichtslos doden van dergelijke dieren.

Maatregelen

4.14 De overheid moet over het verbod van het houden van pitbulls regelmatig
voorlichting geven.

4.15 De fokkers en kopers van illegale pitbullachtigen dienen zwaar te worden bestraft.

4.16 Er dient een versnelde evaluatie te komen van de RAD.

Opvang van gezelschapsdieren

Maatregelen

4.17 Er moet met financiele steun van de overheid een landelijk netwerk van
gecertificeerde opvangcentra worden opgezet voor andere dieren dan honden en
katten.

4.18 Mensen behoren het recht te hebben om hun huisdier mee te nemen en te
behouden wanneer zij in een instelling worden opgenomen. Hierdoor wordt
voorkomen dat veel dieren in asielen terechtkomen.

4.19 In rampenplannen dient ook aandacht uit te gaan naar het in veiligheid brengen
van dieren.

Niet-gedomesticeerde diersoorten

Veel dieren zijn niet geschikt om als huisdier te houden. Zij blijken te veel problemen te geven in
de verzorging en er kan geen geschikte leefomgeving geboden worden. Daardoor belanden deze
dieren vaak in opvangcentra.

Maatregelen

4.20 Er moet een beperkte positieflijst worden opgesteld waarop alle
diersoorten staan die geschikt zijn als huisdier. Dieren die niet op de positieflijst
vermeld staan, mogen niet worden verkocht of verhandeld. In het wild gevangen
dieren zijn in ieder geval niet geschikt als huisdier.

Voeding

Hoogwaardig vervaardigd voedsel is van grote betekenis voor het welzijn van dieren en behoort tot
hun eerste levensbehoefte. Op de specifieke diersoort afgestemde voeding wordt echter beschouwd
als luxe. Voeding voor huisdieren is tot op heden daarom ondergebracht in het hoge BTW-tarief.
Dit in tegenstelling tot voeding voor productiedieren.

Maatregelen

4.21 Hoogwaardig vervaardigd (biologisch) voedsel dient voor alle gehouden dieren in
het lage BTW-tarief te vallen. Dit geldt echter alleen voor dierenvoeding die niet op
dieren getest is.

Inleiding

Dieren worden op vele manieren gebruikt ter vermaak van de mens. Dit kan varieren van jacht en
hengelen tot het gebruik van dieren in circussen, volksspelletjes, reclamespots, t.v.-programma’s
en films. Veel van deze activiteiten kennen een lange traditie, die als argument wordt gehanteerd
om ze als cultureel erfgoed in stand te houden. In het Verdrag van Amsterdam (1997) van de
Europese Unie staat dat rekening gehouden moet worden met het welzijn van dieren, ‘onder
eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met
betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed’.
De Partij voor de Dieren vindt dat dieren als levende wezens met bewustzijn en gevoel met respect
en zorgvuldigheid behandeld moeten worden en heeft er daarom bezwaren tegen om dieren ten
koste van hun vrijheid en welzijn ter vermaak van de mens te gebruiken. Die bezwaren zijn
uiteraard het sterkst indien dieren worden gedood en verwond, zoals bij de jacht en het hengelen
of indien de dieren angst en stress wordt berokkend. Bij andere vormen van vermaak richten de
bezwaren zich vooral op de ontoereikende huisvesting en de inperking van de bewegingsvrijheid
van de betrokken dieren.

Maatregelen

5.1 De passage in het Verdrag van Amsterdam over het eerbiedigen van
culturele en religieuze tradities waarbij dieren worden gebruikt, zoals het
stierenvechten en het onverdoofd slachten, dient te worden geschrapt.

Hengelen

Maatregelen

5.2 Hengelen wordt ontmoedigd en ingeperkt door middel van voorlichting, het
afschaffen van het tasjesvissen, weerhaken, leefnetten en viswedstrijden. Op
termijn is een verbod op hengelen gewenst.

Circus

Maatregelen

5.3 Het gebruik van dieren in het circus dient verboden te worden. Het
laten uitvoeren van kunstjes door dieren getuigt niet van respect, terwijl hun
levenslange opsluiting in kooien onacceptabel is. Vooral bij wilde dieren doen zich
ernstige welzijnsproblemen voor.

Dierentuinen

Het is onacceptabel om terwille van het vermaak van de mens dieren uit het wild te vangen en in
een dierentuin of dolfinarium onder te brengen. Hun leefgebied is daar drastisch verkleind
waardoor zij niet hun natuurlijke gedragingen kunnen uitvoeren. Het argument dat dierentuinen
een educatieve waarde hebben, is onterecht. Dierentuinen laten de bezoekers niet zien hoe de
dieren in hun natuurlijke omgeving leven. Ze suggereren bovendien dat het moreel
gerechtvaardigd is om dieren van hun vrijheid te beroven om ze aan mensen te tonen. Alleen
indien dieren zich niet in hun oorspronkelijke leefgebied kunnen handhaven of daarin niet
teruggezet kunnen worden, kan de dierentuin een aanvaardbare, bij voorkeur tijdelijke vorm van
huisvesting zijn. Haar oude doelstelling is dan veranderd in die van opvangcentrum voor in het wild
levende, al dan niet bedreigde dieren en diersoorten. De huisvesting van de dieren dient er in deze
gevallen op gericht te zijn de natuurlijke levensomstandigheden zoveel mogelijk te benaderen. Het
fokken met dieren in een dierentuin is in het algemeen ongewenst, omdat de nieuwe dieren hun
leven in een dierentuin zullen moeten doorbrengen. Een uitzondering kan gemaakt worden voor
wetenschappelijk gefundeerde en op natuurbehoud gerichte fokprogramma's met als doel de dieren
weer in de natuur terug te plaatsen.

Maatregelen

5.4 Subsidies vanuit de overheid aan dierentuinen dienen gestaakt te worden voorzover
die niet exclusief ten doel hebben om met uitsterven bedreigde dieren op te vangen
of bedreigde populaties in het wild tijdelijk te voorzien van nieuwe aanwas.

Kinderboerderijen

Maatregelen

5.5 Dieren gehouden in kinderboerderijen dienen te allen tijde conform hun soorteigen
gedrag te worden gehuisvest en verzorgd. Er moet per diersoort gestreefd worden
naar de optimale huisvesting. Sociale dieren mogen niet alleen worden gehuisvest.

5.6 Op kinderboerderijen worden geen dieren gefokt. Om het aantal dieren op peil te
houden, moeten overtollige dieren van andere kinderboerderijen en van
dierenopvangcentra worden overgenomen. Oude dieren worden niet vanwege hun
leeftijd gedood.

Sport met dieren

Het probleem van sport met dieren is dat de dieren hierbij vaak in hun gezondheid en welzijn
worden aangetast. Dat geldt in hoge mate voor het hengelen (ten onrechte aangeduid als
hengelsport) dat er op gericht is om vissen met een haak te vangen. Maar ook andere vormen van
sport/hobby kunnen dieren in hun welzijn benadelen door dieronvriendelijke trainingsmethoden,
overbelasting en door vervroegd doden van dieren die bij het teruglopen van hun prestaties
worden afgedankt. Zo verdwalen ten gevolge van de extreme eisen van de duivensport in
Nederland jaarlijks honderdduizenden postduiven tijdens wedvluchten en komen vervolgens in
vogelopvangcentra en in steden terecht, waar opvang en verzorging van deze dieren en hun
nakomelingen gepaard gaat met veel kosten. De Partij voor de Dieren staat wel positief tegenover
behendigheidstraining en spelvormen voor honden, waarbij geen wedstrijdelement of winstbejag
aanwezig is, mits de dieren niet in hun gezondheid en welzijn worden aangetast.

Maatregelen

5.7 Strenge regelgeving dient het welzijn van dieren die in sport en recreatie
worden gebruikt, te waarborgen.

5.8 Lange vluchten met duiven, zeker jonge dieren, worden verboden.

5.9 Er worden geen overnachtingsvluchten voor postduiven georganiseerd.

Recreatief paardrijden

Maatregelen

5.10 Voor de huisvesting van paarden dienen wettelijke regels te worden opgesteld, die
tegemoetkomen aan de gedragsbehoeften van de dieren.

Evenementen en media-opnamen

Dieren worden veelvuldig voor evenementen en media-opnamen (reclamespots, t.v.-programma’s
en films) gebruikt. Het is soms droevig gesteld met de huisvesting en verzorging van de dieren,
met de trainingsmethoden en met de kennis van de mensen die met de dieren moeten werken.

Maatregelen

5.11 Het verhuren van dieren wordt verboden.

5.12 Er dienen welzijnseisen gesteld te worden aan het gebruik van dieren ten behoeve
van evenementen. De handelingen mogen niet strijdig zijn met hun aard en
natuurlijk gedrag, mogen hun welzijn en gezondheid niet schaden en geen angst en
stress veroorzaken. De dieren mogen geen stimulerende middelen toegediend
krijgen en niet worden aangezet tot activiteiten die een gevaar voor hun
gezondheid en welzijn opleveren of strijdig zijn met hun eigenwaarde. Door middel
van een positieflijst dient vastgesteld te worden welke dieren wel en welke dieren
hiervoor niet geschikt zijn.

5.13 Er dient een gedragscode te komen voor de vertoning van realiteitsgetrouwe
beelden waarin dieren het slachtoffer worden van mishandeling en vernedering. Er
gaat van zulke beelden een slechte signaalfunctie uit.

IN HET WILD LEVENDE DIEREN

Inleiding

In het wild levende dieren moeten zo veel mogelijk met rust gelaten worden, opdat zij hun eigen
leven kunnen leven. In de afgelopen eeuw zijn er al vele diersoorten uitgestorven en
wetenschappelijke prognoses geven aan dat dit uitstervingsproces in de komende decennia in een
stroomversnelling zal raken. Ook als het dieren betreft die nog niet met uitsterven bedreigd zijn,
dient er ten volle rekening te worden gehouden met hun belangen. Een zekere mate van overlast
van in het wild levende dieren dient hierbij te worden geaccepteerd. Helaas wordt in veel gevallen
uit gebrekkige kennis van de natuurlijke processen of louter om het plezier op in het wild levende
dieren gejaagd.

Jacht

In Nederland wordt de omgang van de mens met de in het wild levende dieren geregeld in de
Flora- en faunawet. Hierin staat de bescherming van dieren centraal. Dat betekent dat dieren in
principe met rust moeten worden gelaten. In deze wet is bepaald dat er pas ontheffingen kunnen
worden verleend om dieren te doden wanneer er sprake is van belangrijke schade aan
landbouwgewassen of vee of wanneer de openbare veiligheid of de volksgezondheid daadwerkelijk
wordt bedreigd. Tevens is daarbij een voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing
bestaat en dat het doden van de dieren wel tot een bevredigende oplossing leidt. In de praktijk
echter worden ontheffingen voor het doden van dieren routinematig door de provincies verleend.
Dit wordt veroorzaakt door de dominante invloed van de Faunabeheereenheden, bestaande uit
grondgebruikers en jagers, die de ontheffingen voor het doden van dieren aanvragen. Het
Faunafonds dat de verzoeken om ontheffing beoordeelt, is eveneens onevenwichtig ten gunste van
de grondgebruikers en jagers samengesteld, waardoor de verzoeken om ontheffing niet kritisch
worden beoordeeld.

Maatregelen

6.1 Het Faunafonds dient met het oog op de gewenste onafhankelijkheid te worden
samengesteld uit onafhankelijke deskundigen waardoor een kritischer beoordeling
van de aanvragen om ontheffingen plaatsvindt. De Flora- en faunawet dient
zodanig te worden bijgesteld dat uit de wettelijke bescherming van dieren die de
wet beoogt, ook werkelijke bescherming voortvloeit.

Doden van in het wild levende dieren

Het doden van dieren moet beperkt worden tot de enkele gevallen waarin door de betreffende
diersoort belangrijke landbouwschade wordt veroorzaakt of de volksgezondheid of de openbare
veiligheid in gevaar wordt gebracht. In die gevallen kan op grond van artikel 65 of 68 toestemming
worden verleend voor het opzettelijk verontrusten van deze diersoort of, wanneer dat niet tot een
oplossing leidt en van het doden van dieren wel een bevredigende oplossing kan worden verwacht,
op grond van artikel 68 ontheffing worden verleend om enkele dieren te doden.
Het toestaan van het doden van dieren zonder bovengenoemde redenen is in strijd met de
uitgangspunten van de Flora- en faunawet.

Maatregelen

6.2 In de Jachtregeling moet worden bepaald dat de periode waarin de jacht op
fazanten, hazen, houtduiven, konijnen en wilde eenden is geopend, wordt beperkt
tot 0 dagen. Daarnaast mag afschot nooit plaatsvinden in rustgebieden en andere
niet openbaar toegankelijke gebieden.

Verjagen en doden van dieren

Het doden van dieren in het hele land of in delen van het land is een voor de dieren, de natuur en
de mensen zeer drastische maatregel. In geval van schade is het daarom ongewenst om het op
grond van artikel 65 aan de beoordeling van iedere individuele grondgebruiker over te laten of het
noodzakelijk is om daartoe dieren te doden.

Dit geldt ook voor het huidige gebruik van artikel 75 op grond waarvan een aantal diersoorten
‘vogelvrij’ is verklaard en dus door iedereen gedood mag worden die meent van deze dieren last te
hebben. Om toestemming te verlenen voor het doden van een diersoort dient de mogelijkheid van
artikel 68 te worden gebruikt, waarmee veel meer toegesneden op de lokale situatie aan bepaalde
personen toestemming kan worden verleend.

Maatregelen

6.3 Op basis van artikel 65 van de Flora- en faunawet zullen uitsluitend diersoorten
worden aangewezen die opzettelijk mogen worden verontrust. Het gebruik van
artikel 75 wordt beperkt tot uitzonderlijke situaties waarbij sprake is van dwingende
redenen van groot openbaar belang zoals ernstige bedreiging van de
volksgezondheid, zulks ter beoordeling van een onafhankelijke instelling.

Belangrijke schade

In de Flora- en faunawet wordt het begrip ‘belangrijke schade’ gehanteerd als voorwaarde voor het
treffen van maatregelen tegen dieren. Het begrip is niet nader gedefinieerd.

Maatregelen

6.4 Als definitie voor ‘belangrijke schade’ op basis waarvan een ontheffing ex artikel 68
van de Flora- en faunawet kan worden verleend, dient te worden gekozen voor tien
procent van de gemiddelde opbrengst van het gewas met als ondergrens € 115,-
per hectare.

Populatiebeheer

Op basis van het ‘Besluit beheer en schadebestrijding dieren’ worden in het kader van ‘noodzakelijk
populatiebeheer’ in Nederland jaarlijks 12.000 reeen geschoten. Dit populatiebeheer is onnodig. De
argumenten die voor dit populatiebeheer worden aangevoerd, zijn het beperken van belangrijke
schade aan landbouwgewassen en de verkeersveiligheid.

De landbouwschade blijkt echter in de praktijk nauwelijks aanwezig te zijn. Bovendien zijn er
voldoende alternatieven om eventuele schade effectief te voorkomen. Dit geldt ook voor het
verkeer. Er zijn diverse maatregelen mogelijk om de kans op eventuele aanrijdingen te verkleinen,
zoals brede, overzichtelijke bermen. Aanrijdingen komen het meest voor tijdens de nachtelijke
uren en bij hoge snelheid. De provincies zouden moeten onderzoeken waar de knelpunten liggen
om daar gerichte maatregelen te kunnen treffen zoals het ’s nachts afsluiten van wegen voor
gemotoriseerd verkeer (m.u.v. aanwonenden), waar dat mogelijk is, het verlagen van de
maximumsnelheid of het plaatsen van wildhekken of elektronische wildoversteekwaarschuwingen
langs de betreffende wegen.

Verder worden ook wilde zwijnen en herten geschoten in het kader van populatiebeheer. Het
beheren van dergelijke populaties is onnodig omdat deze worden gereguleerd door met name het
voedselaanbod. Wanneer er sprake is van belangrijke schade aan of bedreiging van bepaalde
algemeen erkende belangen zoals de landbouw of de volksgezondheid bestaat al de mogelijkheid
om dieren van deze soorten te verjagen of te doden op grond van artikel 68, eerste lid onderdeel
a, b of c. Aanvullende afschotmogelijkheden zijn ongewenst en moeten dus niet meer worden
geboden.

Maatregelen

6.5 In het Besluit beheer en schadebestrijding dieren moet ‘het reguleren van de
populatieomvang van dieren’ uit artikel 4 worden geschrapt.

Foerageergebieden van ganzen en smienten

Nederland heeft een internationale verantwoordelijkheid als doortrek- en overwinteringsgebied
voor ganzen en smienten. Aan deze vogelsoorten dienen voldoende foerageermogelijkheden te
worden geboden. Graslanden, waar de schade per definitie gering zal zijn, zijn als gedoogpercelen
hiervoor bij uitstek geschikt. De eventuele schade zal verspreid optreden en nergens zeer hoog
kunnen oplopen. Door de vogels op deze percelen niet te verjagen, maar volledig met rust te laten
verbruiken ze niet onnodig veel energie waardoor extra foerageren en schade uitblijven.

Maatregelen

6.6 Alle ganzen en smienten dienen in de winterperiode (1 november tot 1 april) op
graslanden te worden gedoogd. Eventuele schade aan de graslanden zal na taxatie
worden uitgekeerd door de overheid, mits de grondgebruiker de vogels volledig met
rust heeft gelaten. Op schadegevoelige percelen zal de eventuele schade na taxatie
eveneens worden uitgekeerd, mits de grondgebruiker alle relevante verjagende en
werende middelen, met uitzondering van dodelijke middelen, heeft toegepast.

Handhaving Flora- en faunawet

Voor een onafhankelijke controle op de juiste uitvoering van de Flora- en faunawet zijn op dit
moment te weinig opsporingsambtenaren beschikbaar. Doordat de ontheffingen over het algemeen
via de particuliere Faunabeheereenhe(i)d(en) worden doorgeschreven naar de grondgebruikers,
schiet de wettelijk vereiste directe controle door zowel de provincies als de rijksoverheid tekort.
Veel toezicht ligt in handen van jachtopzieners die in dienst zijn van de jagers zelf. Dat is een
onaanvaardbare situatie, temeer daar uitoefening van de jacht zich veelal afspeelt in afgelegen of
zelfs voor het publiek afgesloten gebieden waardoor sociale controle en overheidstoezicht vrijwel
ontbreekt. De wet eist, dat provincies de door hen afgegeven ontheffingen voldoende efficient
controleren.

Maatregelen

6.7 De rijksoverheid moet extra onafhankelijke opsporingsambtenaren Flora- en
faunawet aanstellen die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van
Binnenlandse Zaken vallen.

Stadsduiven

Stadsduiven kunnen een zekere mate van overlast veroorzaken door hun uitwerpselen, nesten en
gekoer. Gemeenten reageren op klachten hierover vaak met dieronvriendelijke maatregelen zoals
een abrupt voerverbod en het vangen en vergassen van soms duizenden duiven.

Deze brute methoden zijn verwerpelijk. Het is ook in strijd met de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren om dieren bij overlast te doden zonder dat eerst een diervriendelijke methode is
uitgeprobeerd. Vangacties schieten hun doel volledig voorbij, omdat de duiven zeer vruchtbaar zijn
(vrijwel het hele jaar door) en zich versneld gaan voortplanten om hun verliezen goed te maken.

Maatregelen

6.8 Het diervriendelijke alternatief is de ‘tillenmethode’. Hierbij worden duiventillen op
panden met platte daken of in zolderverdiepingen geplaatst, waar de duiven
kunnen eten, rusten en nestelen. Verder kunnen duiventorens in plantsoenen of
groenvoorzieningen worden neergezet. Op deze wijze komt 80–90 % van de
uitwerpselen terecht in de tillen, wat de overlast daarbuiten evenredig vermindert.
Door het aanbieden van deze nestgelegenheid kan men de meeste gelegde eitjes
vervangen door kunsteitjes. Zo bereikt men een gezonde duivenpopulatie die niet
te groot van omvang is. De overheid dient deze methode te stimuleren.

Overige punten met betrekking tot in het wild levende dieren

Maatregelen

6.9 Onderzocht moet worden hoe de populatie muskusratten in een regio zich zonder
bejaging ontwikkelt en wat de gevolgen hiervan zijn voor de dijken.

6.10 Het afschieten van dieren in de draag-, rui- of zoogtijd dient verboden te worden.

6.11 Verwilderde katten dienen niet langer te worden bejaagd, maar dienen te worden
gevangen, gesteriliseerd en opnieuw te worden uitgezet op de plaats waar ze
gevangen zijn.

6.12 Er dient een verbod te komen op het rapen van kievitseieren.

6.13 Bouwen in open gebied dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Bij
bouwactiviteiten en andere vormen van aantasting en verandering van de
natuurlijke omgeving dienen maatregelen getroffen te worden voor de dieren die
hun biotoop daardoor verliezen.

6.14 De overheid maakt de opvang van zieke en gewonde in het wild levende dieren
weer mogelijk door de vergunningverlening aan opvangcentra te hervatten en deze
opvangcentra te financieren.

6.15 De overheid financiert de opvang van zieke en gewonde in het wild levende dieren.

6.16 Bij olierampen op de Noordzeestranden stelt de overheid zich garant voor de kosten
die gemoeid zijn met het redden van de olieslachtoffers.

6.17 Er komt een beschermingsprogramma gericht op herstel van de habitat van met
uitsterven bedreigde diersoorten zoals korenwolf (veldhamster) en vliegend hert.

6.18 Uitzetting van in ons land uitgestorven diersoorten zoals zeearenden, wolven,
lynxen, otters, korhoenders etc. dient tot het uiterste beperkt te worden, ervan
uitgaande dat de biotoop bepalend is voor hun aanwezigheid. Slechts wanneer
spontane terugkeer uitgesloten is door onnatuurlijke barrieres, wanneer de oorzaak
van het uitsterven volledig is weggenomen en wanneer de biotoop voldoende
ruimte, rust en voedsel biedt, is uitzetting bespreekbaar.

6.19 Er komen strengere straffen en meer veldtoezicht om de vervolging van roofdieren,
met name roofvogels, te bestrijden en te voorkomen.

CITES, BEDREIGDE DIERSOORTEN

Inleiding

CITES (Convention on the International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora) is
een internationale overeenkomst tussen overheden. Het CITES-verdrag bestaat uit afspraken die
164 landen met elkaar hebben gemaakt over de bescherming van dier- en plantensoorten. Hierin is
onder andere opgenomen welke dieren met uitsterven worden bedreigd en daarom bescherming
verdienen. De regels in het verdrag zijn helder maar de handhaving hiervan laat zeer te wensen
over. Zo worden jaarlijks miljoenen dieren illegaal over de wereld getransporteerd. De handel in
bedreigde diersoorten is na drugshandel de meest lucratieve vorm van misdaad. Er wordt
nauwelijks controle op uitgeoefend. De Nederlandse overheid laat het wat dit betreft opvallend
afweten; Nederland is zelfs het kloppend hart van de illegale dierenhandel.

Illegale handel

Jaarlijks komen er naar schatting honderdduizenden exotische dieren de Nederlandse grens over.
Dat varieert van ‘gewone’ schildpadden tot uiterst zeldzame papegaaien, zowel legaal als illegaal.
Met de opheffing van een team van gespecialiseerde opsporingsambtenaren eind jaren negentig is
de situatie in Nederland snel verslechterd. Er vindt nauwelijks controle plaats op de invoer van
deze dieren. De signalen van de diverse opvangcentra in ons land zijn alarmerend en illustratief.
Zij geven aan nog maar zelden dieren op te vangen die in beslag zijn genomen, maar blijven een
groeiende hoeveelheid exotische dieren opvangen. Dieren die gekocht zijn op bijvoorbeeld een van
de vele grote verkoopbeurzen en na verloop van tijd ‘gedumpt’ worden door hun eigenaar. Kortom,
de handel bloeit en maakt vele slachtoffers. De enige effectieve manier om bedreigde diersoorten
ook daadwerkelijk te beschermen is gerichte en krachtige handhaving en sanctionering.

Maatregelen

7.1 Er dient een gespecialiseerde taskforce van voldoende omvang en met voldoende
mandaat te worden opgezet om de illegale handel in exoten effectief aan te pakken.

7.2 Bij overtreding van de wet moeten hogere straffen opgelegd worden aan illegale
handelaren. Aan de opsporing en vervolging moet een hogere prioriteit worden
toegekend door het Openbaar Ministerie.

7.3 Er dient een centraal registratiesysteem te worden opgezet met betrekking tot de
handel van in het wild levende dieren.

Bushmeat

Handel in vlees van beschermde diersoorten zoals apen is een grote bedreiging voor deze
diersoorten. Veel van deze dieren mogen worden gedood onder de valse vlag van respect voor de
gebruiken van de plaatselijke bevolking. Gerookte of gestoofde gorilla en chimpansee zijn
delicatessen in Afrika. Maar ook in Europa (Brussel en Parijs) vindt men mensapen op het menu.
Op de bonobo’s wordt bovendien nog altijd gejaagd omdat mensen geloven dat ze medicinale of
magische krachten hebben. Babymensapen worden gevangen en verkocht op de Europese markt
als huisdier. Hun moeder wordt daarbij vrijwel altijd gedood. Voor elke aap die het eerste
levensjaar in gevangenschap haalt, zijn naar schatting tien tot twintig soortgenoten gedood.
Sommige mensapen belanden in stropersklemmen die bedoeld zijn voor ander wild en vrijwel
allemaal hebben ze te kampen met menselijke ziekten, burgeroorlogen en jacht door armoede
onder de bevolking.

De apen worden steeds kwetsbaarder doordat hun leefomgeving verkleint. Er blijft steeds minder
bos over voor de mensapen door houtkap en bosbranden. De bloeiende handel in apenvlees zorgt
er bovendien voor dat de dieren in vrijwel alle landen een geliefd jachtobject zijn. Het eten van
bedreigde diersoorten is strijdig met de vele afspraken die zijn gemaakt om het uitsterven van
dieren te voorkomen.

Maatregelen

7.4 Nederland en de EU moeten landen dwingen te stoppen met het vangen van dieren
en de export van bushmeat. De invoer van bushmeat in de EU moet verboden
worden en de straffen op overtredingen moeten zwaarder worden.

Trofeejacht

Binnen CITES zijn vrijstellingen opgenomen voor de jacht op bedreigde diersoorten. Hierdoor wordt
het jagers (uit binnen- en buitenland) mogelijk gemaakt om bedreigde diersoorten als olifanten,
tijgers en leeuwen te schieten. Deze zogenaamde trofeejachten worden mogelijk gemaakt als
bepaalde diersoorten om welke reden dan ook ‘beheerd’ moeten worden. Deze vrijstellingen zijn
echter slecht controleerbaar en dienen om deze reden dan ook afgeschaft te worden.

Maatregelen

7.5 De reizen die worden georganiseerd om bedreigde en beschermde diersoorten dood
te schieten moeten verboden worden. De PvdD vindt dat het justitieel apparaat van
de EU lidstaten Europese jachttoeristen moet kunnen vervolgen wanneer deze
Europese ingezetenen bedreigde diersoorten buiten Europa bejagen. Het in
Nederland organiseren van jachtreizen waarbij de jacht wordt aangeboden op
soorten die in Nederland niet bejaagbaar zijn, moet worden verboden.

Zeehondenjacht

De Canadese zeehondenjacht is de omvangrijkste jacht op zeezoogdieren ter wereld. Ieder
voorjaar worden honderdduizenden zeehondenpups van twee weken oud doodgeknuppeld op het
ijs. In de Europese Unie bestaat nog steeds een bloeiende handel in uit Canada afkomstig
zeehondenbont, maar ook uit andere landen, waaronder Rusland, Groenland en Noorwegen worden
zeehondenpelzen geemporteerd.

Maatregelen

7.6 Er moet een nationaal handels- en importverbod komen op zeehondenbont en
andere producten die afkomstig zijn van de jacht op zeehonden. Binnen de EU moet
Nederland zich sterk maken voor een soortgelijk Europees verbod.

7.7 Nederland dient zich sterk te maken voor een internationaal verbod op de
zeehondenjacht.

Walvisjacht

De commerciele jacht op walvissen is verboden. Toch weten landen als Japan, Noorwegen en
IJsland de jacht op de walvis te ‘rechtvaardigen’ door er het etiket van wetenschappelijk onderzoek
op te plakken. Dit is in strijd met eerdere internationale afspraken.

Maatregelen

7.8 Nederland dient de walvissen te beschermen. Het moratorium (verbod) op de
commerciele walvisjacht moet daarom gehandhaafd blijven. Tegen landen die dit
verbod schenden, dient Nederland in actie te komen. Nederland zou zich tevens
sterk moeten maken andere landen te overtuigen van het belang van de
bescherming van de walvis.

NATUUR, MILIEU EN DUURZAAMHEID

Inleiding

Om het ecosysteem in Nederland en mondiaal in evenwicht te brengen zijn veranderingen op
velerlei gebied noodzakelijk, die allemaal gericht moeten zijn op het stoppen van de afbraak van de
natuur, van het uitsterven van dier- en plantensoorten, van de milieuvervuiling en van het nietduurzame
gebruik van eindige grondstoffen. Gestreefd moet worden naar stimulering van elke
vorm van duurzame ontwikkeling.

Natuur

Maatregelen

8.1 Het door de mens in gebruik nemen van natuurgebieden dient, gelet op het huidige
niveau van exploitatie en vernietiging, niet verder te worden uitgebreid.

8.2 De productie van hout en palmolie dienen zo duurzaam mogelijk plaats te vinden,
waarbij voor hout minimaal volgens de normen van de Forest Stewardship Council
(FSC) wordt gewerkt.

8.3 De ontwikkeling van een Europese ecologische hoofdstructuur dient krachtig te
worden bevorderd. Hiertoe dienen de lidstaten van de EU binnen het kader van de
Habitatrichtlijn ‘Speciale Beschermingsgebieden’ (Special Protection Areas) aan te
wijzen. Veel lidstaten vertragen de totstandkoming van deze gebieden bewust om
zo economische belangen voorrang te kunnen geven. De aangewezen speciale
natuurgebieden worden nauwelijks beschermd.

8.4 Er moet een importverbod komen op illegaal gekapt hout. De EU dient
ontwikkelingslanden te steunen bij duurzaam bosbeheer en het tegengaan van
illegale houtkap.

Van dierlijke eiwitten naar plantaardige eiwitten

Een groeiend deel van de mondiale graan- en sojaproductie is bestemd voor de veeteelt. Nu al is
400 miljoen hectare, een kwart van alle landbouwgrond op de wereld, in gebruik voor de productie
van veevoer. Grote oppervlakten landbouw- en bosgrond worden in exploitatie genomen, wat vaak
ten koste gaat van de mensen en dieren die daar verblijven. Om dit proces te stoppen is een meer
plantaardig voedingspatroon gewenst, dat minder beslag legt op landbouwgrond dan de veeteelt,
zeker de bio-industrie. Dat verlicht de druk op de schaarser wordende landbouwgronden, die weer
aan de natuur teruggegeven kunnen worden of voor de productie van voedsel voor mensen
gebruikt kunnen worden. De conclusies uit het onderzoek ‘Pigs or Peas’ (april 2006) van Profetas,
een onderzoeksgroep van 19 wetenschappers van 3 universiteiten zijn helder: vermindering van de
vleesconsumptie ten gunste van plantaardige eiwitbronnen is broodnodig en levert een enorme
verbetering op met betrekking tot energieverbruik, biodiversiteit, volksgezondheid, diergezondheid
en dierenwelzijn. De onderzoekers concluderen tevens dat een lagere vleesconsumptie ook kan
helpen om de door ziektes en crises geteisterde vleeseconomie weer in het gareel te krijgen.

Maatregelen

8.5 De overheid dient zich in te zetten voor een meer plantaardig georienteerd
voedingspatroon. De omschakeling van de consumptie van dierlijk eiwit naar
plantaardig eiwit wordt gestimuleerd door middel van voorlichting, een BTW
nultarief op vleesvervangers en een fiscale vrijstelling voor investeringen in de
productie en ontwikkeling van vleesvervangers.

Energie

Een essentiele factor in onze huidige cultuur is de beschikbaarheid van energie, voor de opwekking
waarvan in toenemende mate fossiele brandstoffen zijn ingezet zoals kolen, gas en olie. Deze
brandstoffen zijn eindig en de verbranding leidt tot ernstige vervuiling op mondiaal niveau. Het
gebruik van biomassa voor de opwekking van elektriciteit biedt onvoldoende soelaas: het legt
beslag op (landbouw)grond en gaat ook met de uitstoot van CO2 gepaard.

Maatregelen

8.6 Een aanzienlijke reductie van het energiegebruik en een omschakeling naar
duurzame energiebronnen zoals zon, water en wind zijn noodzakelijk. Hiervoor
dienen geschikte subsidiemogelijkheden te worden ontwikkeld.

8.7 Voor het gebruik van energie en water wordt een progressief tarief gehanteerd.

8.8 Lichtvervuiling door gebouwen, kassen en verkeerswegen dient vanwege
energiebesparing en het welzijn van mens en dier drastisch te worden beperkt.

8.9 Alle nieuwe bouwwerken en woningen dienen energiezuinig te worden
geconstrueerd, waardoor het gemiddelde energiegebruik meer dan de helft moet
dalen. De bouwmaterialen dienen op een duurzame wijze geproduceerd te worden.

8.10 Er dient meer belasting geheven te worden op milieuvervuilende activiteiten en
stoffen.

8.11 Er komt een accijns op vliegtuigbrandstoffen.

8.12 Gebouwen waarvan het casco nog goed is, mogen niet meer afgebroken worden.

8.13 Gebruiksvoorwerpen dienen energiezuiniger te worden en het hergebruik van
(bouw) materialen moet krachtig bevorderd worden, onder andere door de
reparatie van goederen te stimuleren. In het algemeen dient spaarzaam gedrag te
worden bevorderd.

8.14 De opwekking van kernenergie bergt onaanvaardbaar grote gevaren in zich,
veroorzaakt een enorm afval- en veiligheidsprobleem en dient daarom te worden
afgeschaft.

Vervoer

De Nederlander is zeer mobiel. De afstanden in ons land zijn relatief klein en gemakkelijk te
overbruggen. De mobiliteit vormt echter een steeds groter probleem in de vorm van files en
milieubelasting. De Partij voor de Dieren pleit voor het stimuleren van minder woon-werkverkeer
en het stimuleren van milieuvriendelijker vervoer. Vermindering van het vervoer en energie-arm
vervoer dienen daarom door de overheid bevorderd te worden.

Maatregelen

8.15 Verkeerswegen voor het gemotoriseerde verkeer worden niet meer aangelegd en
verbreed zonder natuur- en milieucompensatie in de eigen regio. Knelpunten in het
wegennet dienen in principe opgelost te worden via compenserende maatregelen in
de OV-infrastructuur.

8.16 De verbinding A6-A9 langs het Naardermeer, evenals de verlenging van de A4
Midden-Delfland gaat niet door. Aanleg van wegen door of langs bestaande
natuurgebieden zullen niet worden uitgevoerd.

8.17 Het openbaar vervoer moet hoge prioriteit krijgen teneinde het energieverbruik en
de luchtvervuiling te verminderen. Het openbaar vervoer moet tot een zeer
klantvriendelijke bedrijfstak worden getransformeerd. De tarieven dienen
aanzienlijk verlaagd te worden en de frequentie en beschikbaarheid moeten worden
verhoogd. Bijna gratis openbaar vervoer dient te worden ingezet, om daarmee de
aanleg van wegen te voorkomen, files op te lossen en een aanzienlijke reductie van
de uitstoot van gassen te realiseren.

8.18 Er komt een snelle OV verbinding tussen het Noorden van ons land en de Randstad.

8.19 De toepassing van milieuvriendelijkere motoren dient verder gestimuleerd te
worden door middel van een verlaging van de houderschapsbelasting en fiscaal
voordeel bij aankoop van voertuigen met deze motoren.

8.20 Inkomsten uit fiscale maatregelen die als doel hebben het autogebruik terug te
dringen, dienen direct ten goede te komen aan de verbetering van openbaar
vervoer.

8.21 Het personenvervoer over water dient gestimuleerd te worden.

8.22 Het vervoer per fiets moet gestimuleerd worden door de aanleg van meer
fietspaden. Bestaande fietspaden moeten beter worden onderhouden.

8.23 De fiets van de zaak moet weer fiscaal aantrekkelijk worden gemaakt.

Diverse punten

Maatregelen

8.24 Groene spaar- en beleggingsregelingen dienen gestimuleerd en uitgebreid te
worden met alle vormen van duurzame ontwikkeling.

8.25 Het gebruik van milieubelastende middelen, waaronder gevaarlijke
impregneermiddelen voor hout, dient verboden te worden.

8.26 Er wordt een wegwerptax ingevoerd voor milieu-onvriendelijke verpakkingen.

8.27 Er dient statiegeld te komen op blik.

EEN AANGENAMERE SAMENLEVING

Inleiding

De Partij voor de Dieren gaat er in het algemeen vanuit dat mensen ‘zich jegens elkander in een
geest van broederschap [behoren] te gedragen’ (Universele Verklaring van de Rechten van de
Mens, artikel 1).

Overheid

De overheid ontwerpt en controleert wetgeving en moet zelf het goede voorbeeld geven. Daarnaast
is zij beheerder van maatschappelijke voorzieningen die essentieel zijn voor een goed
functionerende samenleving.

Maatregelen

9.1 Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) wordt opgeheven.
Dierenwelzijn wordt ondergebracht bij het ministerie van VROM en zal daarom
Volkshuisvesting, Dierenwelzijn, Ruimtelijke Ordening en Milieu
(VD ROM) gaan heten.

9.2 Er dient, analoog aan de Autoriteit Financiele Markten, de Consumentenautoriteit en
de OPTA, een onafhankelijke dierenwelzijnsautoriteit te worden opgericht die een
meldpunt vormt voor misstanden en wetsovertredingen. Zij adviseert de overheid
ten aanzien van dierenwelzijn en dierenrechten.

9.3 Het Openbaar Vervoer en de energievoorziening komen weer in overheidshanden.
Eventuele privatisering van voorzieningen van algemeen belang gaan niet door.

9.4 In alle overheidskantines wordt tenminste 75% biologisch voedsel verstrekt.
Dierlijke producten moeten altijd van biologische oorsprong zijn.

9.5 Er komt een overheidskeurmerk op het gebied van maatschappelijk verantwoord
ondernemen gekoppeld aan een stimuleringsmaatregel.

9.6 De waterschappen worden als overbodig en kostbaar bestuursorgaan opgeheven.

Werk en inkomen

In een goed georganiseerde samenleving moeten de talenten van alle mensen tot hun recht
kunnen komen.

Maatregelen

9.7 Het oprichten van een eigen bedrijf dient gestimuleerd te worden door een
vrijstelling van de winstbelasting in de eerste 3 jaar voor startende ondernemers
die voldoen aan de door de overheid op te stellen criteria op het gebied van
maatschappelijk verantwoord ondernemen.

9.8 Het overstappen van een uitkeringssituatie naar een betaalde baan dient
gestimuleerd te worden, bijvoorbeeld door loonsuppletie en stageplaatsen

9.9 Vrijwilligerswerk moet meer worden gestimuleerd, ook onder werkenden.

9.10 Kinderbijslag wordt inkomensafhankelijk.

9.11 Arbeidsmarktkansen van werklozen en gehandicapten dienen vergroot te worden
door meer gesubsidieerde, arbeidsmarktgerichte opleidingen aan te bieden.

9.12 Mensen die langdurig werkloos zijn worden financieel gestimuleerd om
maatschappelijke taken te vervullen. Het gevoel voor arbeidsparticipatie wordt
hierdoor in stand gehouden en bevorderd.

9.13 Het wordt kleine ondernemers makkelijker gemaakt om uitvallers uit het
arbeidsproces te reentegreren. Kleine ondernemers mogen niet langer de dupe
worden van situaties van heruitval.

9.14 De AOW dient in zijn huidige vorm te blijven bestaan. Het is naar de huidige en
aanstaande groep AOW-gerechtigden niet billijk om nu tot wijziging over te gaan.

Onderwijs

Scholing en onderwijs vormen de economische en intellectuele basis van onze samenleving. Beide
moeten in hoge mate toegankelijk zijn.

Maatregelen

9.15 In het onderwijs dient de leerling centraal te staan en niet het budget of het
leerplan.

9.16 Scholen in het voortgezet onderwijs dienen naast keuzeverantwoordelijkheid ook
budgetverantwoordelijkheid te dragen voor schoolboeken. Verhuursystemen van
schoolboeken krijgen de voorkeur boven eigen aanschaf door leerlingen.

9.17 Het vakonderwijs wordt hersteld. De verplichte brede leerweg voor alle kinderen
wordt afgeschaft. Scholing dient gebaseerd te zijn op aanleg, belangstelling en
talenten van het kind. Het kind staat centraal in het aangeboden leerpakket.

9.18 Collegegelddifferentiatie en selectie aan de poort dienen niet doorgevoerd te
worden.

9.19 Gezondheid, voeding, natuur, dierenwelzijn en milieu moeten een essentieel
onderdeel worden van natuuronderwijs en biologielessen.

9.20 Sponsoring van het onderwijs en schoolboeken door commerciele partijen wordt
verboden om de onafhankelijkheid van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te
waarborgen.

9.21 Studenten dienen tenminste over eenzelfde budget te kunnen beschikken als
leeftijdsgenoten met een bijstandsuitkering. Dat kan in de vorm van een renteloze
lening, die terugbetaald wordt bij het verkrijgen van een zelfstandig inkomen.

Veiligheid

De Partij voor de Dieren hecht veel belang aan de individuele vrijheid van burgers, maar deze mag
geen inbreuk maken op de vrijheid en het welzijn van andere levende wezens.

Maatregelen

9.22 Er dient onderzoek gedaan te worden naar effectievere straffen op gewelddadig
gedrag naar mens en dier, waardoor herhaling wordt tegengegaan.

9.23 Bij de bestrijding van criminaliteit dient meer prioriteit gegeven te worden aan
zaken die het welzijn van mensen en dieren het meest aantasten. Dit betekent dat
voorrang gegeven wordt aan het opsporen van daders van mishandeling, diefstallen
en braak boven bijvoorbeeld parkeerovertredingen.

9.24 De privacy van burgers dient gegarandeerd te worden. Het tappen en/of opslaan
van telefoon- en internetgegevens vormt een elementaire aantasting van
burgerlijke vrijheden en dient tot een minimum beperkt te worden, en onder
toezicht van een onafhankelijke toezichthouder gesteld te worden, die jaarlijks
openbaar verslag doet van zijn aanbevelingen en bevindingen.

9.25 De bestrijding van mensenhandel en gedwongen prostitutie van vooral vrouwen en
kinderen moet hogere prioriteit krijgen bij politie en justitie.

9.26 Eerwraak en vrouwenbesnijdenis dienen actief bestreden te worden.

9.27 Er moet een sterkere controle komen op de handel in en doorvoer van wapens. Er
komt een openbaar register met betrekking tot de wapenhandel en de positie van
Nederland als wapenleverancier en doorvoerland.

Vluchtelingen

De Partij voor de Dieren hecht groot belang aan een rechtvaardige behandeling van mensen en het
tegengaan van schendingen van mensenrechten. Niet alleen op binnenlands gebied, maar ook
internationaal gezien heeft de Nederlandse overheid hier een verantwoordelijkheid. Ook dienen er
onafhankelijk van de eigen economische belangen en politieke samenwerkingsverbanden sancties
te worden opgelegd bij schendingen van mensenrechten door andere landen.

Maatregelen

9.28 Slachtoffers van grove mensenrechtenschendingen moeten asiel krijgen, tenzij de
vluchteling zich schuldig heeft gemaakt aan verwijtbare misdrijven in eigen land.

9.29 Op Europees niveau dient Nederland zich sterk te maken voor betere opvang van
vluchtelingen in eigen regio. Daarnaast biedt Nederland eigenstandig hulp bij het
organiseren van de opvang van vluchtelingen in eigen regio.

9.30 Nederland moet een humaan en rechtvaardig asielbeleid toepassen. De PvdD vindt
dat asielzoekers binnen een redelijke termijn uitsluitsel moeten krijgen over hun
verblijfsrecht in Nederland; mensen die langer dan 4 jaar wachten in een
opvangcentrum moeten automatisch een verblijfsvergunning verkrijgen.

9.31 Asielzoekers dienen, gelijkwaardig aan Nederlandse burgers, alle noodzakelijke
medische zorg te krijgen die zij behoeven.

9.32 Bij twijfel over de veiligheid van personen bij uitzetting naar het land van herkomst
mag hier niet toe worden overgegaan.

Democratie

De Partij voor de Dieren vindt dat democratie de staatsvorm is die de inwoners van een land het
meeste recht doet. In eigen land moet het democratisch gehalte van de besluitvorming worden
versterkt, het moet echter niet doorslaan in een vorm waarbinnen de waan van de dag en het
primaat van de markt regeren. Het kiesstelsel moet de diversiteit van het politieke spectrum
blijven waarborgen waarbinnen nieuwe groeperingen een kans krijgen zich te vestigen.

Maatregelen

9.33 Er dient een kiesstelsel te blijven waarbinnen bestaande en nieuwe partijen een
redelijke kans maken op vertegenwoordiging in het parlement. Subsidies voor
politieke partijen worden verdeeld naar ledental waarbij niet vertegenwoordigde
(nieuwe) partijen dezelfde rechten krijgen als in het parlement vertegenwoordigde
partijen.

9.34 Het raadgevend referendum moet een plaats krijgen bij belangrijke besluiten.

9.35 Het burgerinitiatief dient gestimuleerd en gemakkelijker gemaakt te worden.

9.36 Er komt een einde aan het stelsel van politieke benoemingen op bestuurlijke
posities.

Gezondheidszorg

De Partij voor de Dieren vindt dat binnen de gezondheidszorg meer verantwoordelijkheid
toegekend moet worden aan mensen op de werkvloer en minder aan management. Dit komt ten
goede aan de efficiency binnen de zorg en zal schrijnende situaties beter helpen voorkomen. Deze
verantwoordelijkheid dient ook in financiele zin te worden erkend en geldt voor vele takken van de
sociale sector. Daarnaast moet er veel meer zorg komen voor ouderen in verpleeghuizen en moet
mantelzorg een belangrijke plaats innemen in onze samenleving en de erkenning krijgen die het
verdient.

Maatregelen

9.37 In de gezondheidszorg dient de patient centraal te staan en niet het protocol.

9.38 Handen aan het bed dienen meer geld in handen te krijgen; zowel in de vorm van
budgetverantwoordelijkheid als in inkomen.

9.39 Er wordt gestreefd naar kleinschalige voorzieningen op lokaal- en buurtniveau in
gezondheidszorg.

9.40 Consultatiebureaus moeten voor alle ouders met jonge kinderen goed bereikbaar
zijn en dus op buurt- of wijkniveau beschikbaar zijn.

9.41 De no-claimkorting dient te worden afgeschaft omdat die strijdig is met het
solidariteitsbeginsel in de zorg. Voor mensen die langdurig hoge ziekte-uitgaven
hebben moet een tegemoetkoming worden ingesteld.

9.42 Patienten die zonder tijdige afmelding niet verschijnen op afspraken dienen de
kosten van de consulten zelf te dragen.

9.43 Thuiszorgvoorzieningen dienen van zodanige aard te zijn dat ook mensen die niet
kunnen terugvallen op mantelzorg zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven
wonen.

9.44 Mantelzorg wordt fiscaal aantrekkelijker gemaakt.

9.45 Het moet makkelijker gemaakt worden om van een gangbaar bedrijf over te
schakelen naar een biologische zorgboerderij. Dit soort bedrijven zorgt voor
leefbaarheid en werkgelegenheid op het platteland en geven invulling aan de snel
toenemende behoeften uit vooral de stedelijke gebieden aan recreatie, natuur en
zorg.

9.46 De overheid moet een zeer actief preventiebeleid gaan voeren ten aanzien van
obesitas. Voornamelijk bij kinderen is dit een groeiend gezondheidsprobleem.

9.47 Bewegingsonderwijs dient te worden uitgebreid en te worden toegepast op de
individuele leerling. Zwemonderwijs dient terug te worden opgenomen in het
lespakket.

Recht

Veel mensen beschouwen de uitwerking van het huidige rechtssysteem in toenemende mate als
onrechtvaardig. De toegang tot het recht lijkt met name voorbehouden aan welgestelden die zich
dure raadslieden kunnen veroorloven. Rechtspraak is lang niet altijd een bepaling van wie gelijk
heeft in een rechtsgeding, maar van wie de langste adem heeft. Veel slachtoffers van letselschade
zien zich genoodzaakt genoegen te nemen met een magere schikking omdat ze niet de
mogelijkheid hebben tot een juridische krachtmeting met verzekeringsmaatschappijen.
Klokkenluiders zien hun carriere en persoonlijk leven in veel gevallen gerueneerd, omdat er geen
wettelijke bescherming voor ze is. Om die reden moet de toegang tot het recht hervormd worden.

Maatregelen

9.48 Er komt een betere wettelijke beschermingsregeling voor ‘klokkenluiders’ die
maatschappelijke misstanden aan de kaak stellen.

9.49 Maatschappelijke organisaties die met succes overheidsbeleid aanvechten via de
rechter, krijgen een reele vergoeding voor de juridische kosten die ze daarvoor
maken. In de huidige regeling komt te vaak voor dat overheden een langere adem
hebben dan maatschappelijke organisaties, in personele en financiele zin, waardoor
een tegenwettelijk beleid stand kan houden, bijvoorbeeld bij de afgifte van afschoten
milieuvergunningen.

9.50 Advocaten mogen geen honorarium aannemen uit bronnen met een duidelijke
criminele herkomst. Topadvocaten die enorme bedragen declareren bij
topcriminelen weten dat dit geld afkomstig is uit misdaad. Dit moet als heling
worden aangemerkt en dat zal de rechtsgelijkheid ten goede komen.

9.51 De toegang tot het recht dient vergroot te worden via betere rechtshulp voor
mensen met beperkte inkomens.

Sociaal leven

De Partij voor de Dieren gaat er van uit dat mensen niet alleen rechten hebben, maar ook plichten
jegens elkaar en de samenleving. Daarbij geldt dat de economie en het sociale leven niet louter
beheerst mogen worden door financiele factoren. Mensen hebben recht op een veilige, schone en
zorgvuldig vormgegeven omgeving. Van de overheid vraagt dit alles een actieve houding en een
beperking van de bureaucratie.

Maatregelen

9.52 Initiatieven die tot doel hebben de sociale cohesie te bevorderen dienen
gestimuleerd en waar mogelijk gesubsidieerd te worden.

9.53 Immigranten worden geacht zichzelf de taal en noodzakelijke sociale vaardigheden
eigen te maken om in de Nederlandse samenleving te functioneren; de overheid
ziet er op toe dat dit gebeurt en is hierbij behulpzaam.

9.54 Mensen hebben de vrijheid om te leven volgens hun eigen culturele gewoonten voor
zover deze niet strijdig zijn met de wet en de vrijheden van anderen.

9.55 De overheid dient er zorg voor te dragen dat stadsbuurten, dorpen en het
platteland in het algemeen leefbaar worden gehouden en gerevitaliseerd.

9.56 Het ouderenbeleid is er op gericht om mensen zolang mogelijk zelfstandig in onze
samenleving te laten functioneren. De overheid is behulpzaam om dat mogelijk te
maken en past hierbij maatwerk toe. Meergeneratiewonen wordt aangemoedigd
door een ruimhartig beleid ten aanzien van het bouwen van aanleunwoningen voor
jongeren of ouderen op eigen erf.

9.57 De oorzaken van massale immigratie moeten aangepakt worden. Een belangrijke
oorzaak van immigratie is armoede elders. Deze armoede hangt vaak samen met
oorlogen, hoge geboortecijfers en te weinig mogelijkheden om in de eigen
behoeften te voorzien. Ontwikkelingshulp dient daarom meer gericht te zijn op
geboortebeperking, kennisontwikkeling en preventie van oorlogen.

Groene ruimte

In een klein land als Nederland dient de groene ruimte beschermd te worden en moeten op het
gebied van ruimtelijke ordening allocatieproblemen worden aangepakt. Een andere grondpolitiek
kan speculatie en scheefgroei in de verdeling van de openbare ruimte uitbannen. Het op slot doen
van het ruimtelijk gebied leidt tot een verpaupering van het platteland, het opdrogen van het
voorzieningenniveau, de onmogelijkheid voor jongeren om te blijven wonen in de omgeving waar
ze zijn opgegroeid en een schijnbescherming van de groene ruimte. Immers, na een lange periode
van scheefgroei in een omgeving die ruimtelijk op slot zit, zoeken problemen zich een uitweg,
waarbij veelal grote stukken van de groene ruimte worden opgeofferd aan de aanleg van Vinex
lokaties en andere nieuwbouwwijken in het landelijk gebied, dat daardoor ernstig aangetast kan
worden.

Veranderende perspectieven in bijvoorbeeld de landbouw leiden tot het vrijkomen van gebieden,
die op zorgvuldige wijze beheerd en bestemd dienen te worden met oog voor de belangen van
mens, dier, natuur en milieu.

Om te komen tot een betere benutting van de bestaande mogelijkheden die in de groene ruimte
aanwezig zijn moet er een stimuleringsregeling komen om leegstaande gebouwen te benutten voor
doelen die meer overeenstemmen met het algemeen belang.

Herallocatie van ruimte kan op vrijwillige basis leiden tot meer woonruimte, vitalisering van
dorpsgemeenschappen, aanwas van natuurgebieden en een betere benutting van infrastructuur.
Om die reden komt er een ruimtelijk planbureau dat zich bezig houdt met het ontwikkelen en
beschermen van de groene ruimte, waarbij speculatie door commercieel georienteerde derden
wordt uitgesloten. De overheid streeft ernaar bij uitkoop van grondeigenaren en bij herbestemming
van de gronden in alle omstandigheden een verdeling te maken naar een deel natuurbestemming,
een deel ecologisch verantwoorde woningbouw en -bedrijfshuisvesting en een deel ecologisch
verantwoorde agrarische productie met een accent op plantaardige productie.

Via het geven van meer vrijheid tot bouwen in bebouwde gebieden van de groene ruimte wordt
een enorme impuls gegeven aan de economie, werkgelegenheid en woonruimteverdeling, zonder
dat dat ten koste gaat van overheidsuitgaven. Inschikken op het eigen erf wordt aantrekkelijk
gemaakt, zodat een betere en eerlijker verdeling van de beschikbare groene ruimte mogelijk
wordt.

Maatregelen

9.58 Er komt een een regeling voor mensen die bereid zijn in te schikken op eigen erf.
Kavels groter dan 600m2 mogen bestemd worden voor de bouw van een extra
woning, op voorwaarde dat bijgebouwen van gelijk oppervlak worden gesaneerd. Er
komt een heffing op bestemmingswijziging die bouw van een extra woning mogelijk
maakt van €200 per m2 geendexeerd. De toegenomen bouwmogelijkheden op het
platteland zullen zonder overheidsbijdrage leiden tot de bouw van tienduizenden
extra woningen, een miljardenimpuls voor economie en werkgelegenheid en een
ontlasting van de woningvraag in de steden, doordat de trek van platteland naar
stad een halt wordt toegeroepen.

9.59 Vrijkomende agrarische gebouwen mogen in principe benut worden voor
woningbouw van gelijke omvang, waarbij de inhoud per woning/appartement niet
meer mag bedragen dan 500m3. Grotere agrarische complexen mogen benut
worden voor de vorming van appartementencomplexen op het platteland.

9.60 De landgoedregeling waarbij agrarische grondeigenaren mogen bouwen op een
kavel van tenminste 5 hectaren, wordt gestimuleerd, op voorwaarde dat tenminste
75% van het terrein wordt ingericht voor natuurontwikkeling, dit ter beoordeling
van Provinciale landschappen. Bij de bouw worden naast huizen voor
eengezinsgebruik, ook de vorming van appartementencomplexen toegestaan.

9.61 De overheid krijgt, om speculatie te voorkomen, de mogelijkheid vrijkomende
gronden als eerste aan te kopen tegen onafhankelijk vastgestelde marktwaarde.

9.62 De bouw van ‘zichtlokaties’ in de vorm van lintbebouwing voor bedrijventerreinen
langs wegen in de groene ruimte dient beperkt te worden.

9.63 Splitsing van woningen in kleinere wooneenheden wordt gestimuleerd met een
subsidieregeling, zodat meer zelfstandige woonruimte beschikbaar komt op de
woningmarkt.

9.64 Het omvormen van agrarische percelen van tenminste 5 hectare tot in het
bestemmingsplan vastgelegde biologische landbouwtoepassingen of natuur wordt
gehonoreerd met een bouwvergunning voor een woning, waarmee de vorming van
kleinschalige biologische boerenbedrijven sterk gestimuleerd wordt.

9.65 Leegstaande kantoorpanden, die hiervoor geschikt zijn, moeten kunnen worden
omgebouwd tot woningruimte, waardoor de woningnood en het bouwen in de
huidige natuur- en agrarische gebieden kan worden verminderd.

Cultuur en media

Het cultuur- en medialandschap in Nederland is ernstig verschraald. Omdat kennis van de eigen
cultuur een van de grondslagen vormt voor respect voor andere culturen en omdat cultuur en
media een belangrijke rol kunnen vervullen om van Nederland weer een aangenamere samenleving
te maken, vindt de Partij voor de Dieren dat er veel meer geld en aandacht besteed moet gaan
worden aan deze thema’s, inclusief de ruimtelijke vormgeving in ons land. De vervlakking van het
TV en radio-aanbod kan gestopt worden door verbetering van de positie van de Publieke Omroep.

Maatregelen

9.66 Er komt een substantieel budget voor de Nederlandse cultuur. Onder andere voor
ruimtelijke vormgeving, het Nationaal Filmfonds, voor het maken van TV
documentaires, educatieve TV-programma’s, ondersteuning aan uitvoerend
beeldende kunstenaars en voor orkesten, toneel, ballet en opera’s.

9.67 Er komt een opleiding voor kunstenaars om hun werk commercieel uit te dragen.

9.68 De publieke omroep wordt versterkt en hervormd. Er komt een stelsel van promotie
en degradatie waarbij de toegewezen zendtijd en programmamiddelen behalve met
ledental een directe relatie krijgen met de geleverde prestaties in relatie tot de
taakopdracht van de publieke omroep. Programmamakers krijgen meer invloed,
bestuurders minder.

9.69 Toetreding van nieuwkomers binnen de publieke omroep wordt bevorderd, de
omroepstatus voor bestaande omroepen is niet langer een vanzelfsprekendheid.

9.70 Er komt een volledig reclameverbod op alle zenders voor alcoholische dranken.

TENSLOTTE

De Partij voor de Dieren is zich bewust van haar positie en mogelijke rol. Ze ziet zichzelf met
nadruk niet als een one-issue partij.

Waar zelfs one-issue partijen zoals de Boerenpartij en de ouderenpartijen er in het verleden in
slaagden hun thema’s ingang te doen vinden bij de zittende politiek, gaat onze missie en
taakopvatting verder.

We zien grote analogie met de race van marathonloper Noah Bor die in de marathon van Athene
startte als “haas in de marathon” om de andere lopers vaart te geven, maar als eerste finishte.
De Partij voor de Dieren wil in eerste aanleg zo’n haas in de marathon zijn, die zittende partijen
herinnert aan hun verantwoordelijkheid voor een diervriendelijker beleid. Onze hete adem is de
wind in de rug voor diervriendelijke fractiespecialisten die in hun eigen partij onvoldoende steun en
prioriteit vinden voor het opkomen voor dieren.

Uit tal van politieke partijen ontvangen we steunbetuigingen, zelfs van zittende parlementsleden,
voor ons streven dieren serieuze aandacht op de politieke agenda te bezorgen.

Om die reden hebben we er ook alle vertrouwen in dat zelfs het veroveren van slechts enkele
Kamerzetels van doorslaggevende invloed zal kunnen zijn op de voorgestane beleidswijziging die
dieren eindelijk de rechten zal moeten geven die ze verdienen.

Andere partijen blijken in hun partijprogramma’s en in hun beleid keer op keer gemakkelijk de
dieren te ‘vergeten’ omdat er zoveel belangrijke mensenonderwerpen op de agenda staan
waardoor dieren nooit aan de beurt komen.

Dat gaat veranderen met de landelijke doorbraak van de Partij voor de Dieren, die ook
internationaal van grote betekenis zal kunnen zijn.

Daarnaast zal blijken dat we als partij staan voor een andere manier van denken die de traditionele
links/rechtstegenstelling overstijgt. Een beschavingsoffensief dat niet alleen zal zorgen voor betere
leefomstandigheden voor dieren, maar ook voor een meer aangename en duurzame samenleving.
Onze inzet is een ethisch reveil waarin werkelijke waarden die het (over)leven van mens, dier en
milieu betreffen, centraal staan en onderdeel gaan worden van het dagelijks leven van steeds meer
burgers.

Ons programma heet 220x liever voor mens, dier, natuur en milieu. Niet uit liefhebberij, maar uit
noodzaak om te komen tot een samenleving die de werkelijke waarden van het leven koestert en
afziet van kortstondig eigenbelang.

We zullen ons er met alles wat in ons vermogen ligt voor inzetten om zoveel mogelijk van onze 220
verbetervoorstellen voor het huidige beleid doorgevoerd te krijgen.

In het huidige politieke landschap, waarin een patstelling dreigt tussen de traditionele linkse en
rechtse kampen, kan de Partij voor de Dieren de wipfunctie vervullen om dieren, natuur en milieu
versneld te laten herstellen van de aanslagen die 3 kabinetten Balkenende hebben gepleegd. We
zijn er klaar voor, en bereid tot het sluiten van coalities met iedereen die een betere, duurzame
wereld wil helpen realiseren. Vanuit welke achtergrond dan ook!



Mabel stemt lijst 11 : Partij voor de Dieren !