|
Klassieke Talen
Bespreking Vergilius' negende ecloge
en verband met de eerste ecloge
naar E. de Saint-Denis (inleiding Budé)
Het onderwerp van de 9e ecloge gaat alleszins terug op Theocritus' 7e
Idylle. Daar ontmoet Simichidas de herder Lycidas (!) en legt samen met
hem de weg af. Beiden reciteren verzen, voorbeelden van hun poëtisch
talent.
Bij Vergilius wordt de situatie complexer door de verwijzing naar de actualiteit.
De personages zijn daardoor aangrijpender en duidelijker omlijnd.
Menalcas, de meester van Moeris is het slachtoffer van spoliatie, hij
is uit zijn landgoed verdreven. Tegen zijn zin gaat Moeris naar de nieuwe
eigenaar om hem 2 bokjes aan te bieden.
Menalcas is ongetwijfeld te identificeren met Vergilius. De ecloge houdt
ongetwijfeld verband met de crisis die Vergilius in -40 heeft doorgemaakt:
het verlies van zijn landgoed. We zijn over de gebeurtenissen tamelijk
goed ingelicht door de antieke biografen van Vergilius.
De verzen 7 - 9 en 57 - 62 maken duidelijk dat we in de omgeving van Mantua
zijn.
De moeilijkheden ontstaan pas als we de actuele allusies die in de 1e
en de 9e eclogen uitgesproken zijn, met elkaar confronteren.
Komt de 1e ecloge voor de 9e of omgekeerd?

Als 1 vóór 9: dan moeten we ons het volgende scenario
voor ogen stellen. De grond van Vergilius viel onder de landonteigeningen.
Vergilius kan zijn grond behouden
- door zijn poëtisch talent (9, 10)
- door de interventie van Pollio, Gallus of Maecenas
- door de bescherming van Octavianus
De eerste ecloge is dan een dankbetuiging hiervoor.
Onder de administratie van Varus (oorlog van Perugia, afzetting van Asinius
Pollio) wordt hij lastiggevallen door een veteraan en uit zijn landgoed
gegooid. De 9e ecloge is dan een aanklacht tegen deze spoliatie.
Als 9 vóór 1: dan is het de bedoeling met de 9e
ecloge het medelijden van Augustus op te wekken Door tussenkomst van Octavianus
krijgt hij zijn grond terug. De 1e ecloge is dan een dankbetuiging tegenover
Octavianus.

Over de verhouding tussen beide eclogen is heel wat gepubliceerd. Weinig
filologen hebben nochtans aandacht besteed aan het zinnetje Ecloga 9,
3: quod numquam veriti sumus. De nadruk wordt gelegd op het bruuske, het
plotse van de spoliatie, van het gevaar. Dit kan moeilijk als 1 vóór
9 komt. Het bewijst dat Vergilius niet eerder beroofd is.
Jean Bayet stelt de volgende oplossing voor:
- Menalcas (=Vergilius) verliest zijn grond, ondanks zijn poëtisch
kunnen (9 - 10)
- hij moet een mede-eigenaar dulden, hij is verwikkeld in processen
(14)
- hij heeft bijna zijn eigen leven verloren, bedreigd door een veteraan
(16)
- hij is naar Rome om zijn zaak te bepleiten bij Octavianus: daarom
is hij voor het ogenblik afwezig (9, 67 en 1, 36-39)
In de 9e ecloge zijn er 4 uittreksels die Vergilius voorstelt als staaltjes
van zijn poëtisch kunnen
- 1. verzen 23 - 25
- 2. verzen 27 - 29
- 3. verzen 39 - 43
- 4. verzen 46 - 50
Dit zijn waarschijnlijk uittreksels uit zijn vroeger werk.
1 en 3 zijn pittoresk en in navolging van Theocritus
2 en 4 zijn actualiteitspoëzie: vooral het laatste toont aan wat
Vergilius zou kunnen verrichten als officieel dichter. Het gaat om "caesariaanse"
poëzie, want Daphnis is te identificeren met Caesar.

Conclusie: de negende en de eerste ecloge zijn de meest persoonlijke
van heel de bundel. Onder de kalme, rustige dialoog gaat een drama schuil.
De 9e ecloge heeft dan de bedoeling medelijden op te wekken van Octavianus
door het schilderen van de ongelukken van het domein en zijn eigenaar,
zijn poëtisch talent aan te tonen, o. a. voor de officiële,
caesariaanse poëzie (we zijn in -40, nog maar enkele jaren na de
dood van Caesar).
De 1e ecloge spreekt zijn dank uit tegenover Octavianus, maar wijst tegelijkertijd
op de bedroevende situatie van de gespolieerden, van hen die noodgedwongen
hun landgoed moeten verlaten.
Daarom zijn 2 personen aan het woord: zij spreken om beurten over geluk
(Tityrus) en over droefheid (Meliboeus).
Het gaat om een dialoog, om een dramatisch stukje. Het is een schepping
van een dichter, geen historicus. Een dichter heeft het recht om zijn
persoonlijke herinneringen te vervormen. Door zich te ontdubbelen heeft
Vergilius zijn levendigste, meest ontroerende ecloge geschreven.
Autobiografisch? Ja en neen. Het zijn geen autobiografische elegieën,
het blijven idyllen: hij blijft trouw aan de conventies van het genre
(Theocritus).
Vergilius staat aan het begin van zijn literaire carrière. Geleidelijk
aan gaat hij zich meer en meer gaan inzetten voor het nieuwe regime. Er
is een duidelijke evolutie waar te nemen van Bucolica over Georgica naar
Aeneïs.
(cf. J. Oroz, Virgilio, poeta dell'imperium, Helmantica, 1953,
p. 251 - 277)
 
|