Klassieke Talen

Aeneis, 1, 586-756

De Trojanen zijn in een storm met hun zeven schepen op de Afrikaanse kust geslingerd. Het schip van Aeneas is op een andere plek gestrand dan de rest. Van elkaar weten ze niet of ze de zeeramp hebben overleefd, maar allen bereiken tenslotte Carthago, de kolonie van koningin Dido. Net als Aeneas was ook zij een vluchteling: haar broer Pygmalion had thuis, in Phoenicië, uit machtswellust Dido's man Sychaeus vermoord, zijzelf was met een goudschat en trouwe volgelingen ontkomen en had in Afrika een nieuwe stad gesticht.
Terwijl zij daarin de Junotempel recht spreekt, komt een delegatie van de aan land geworpen Trojanen bij haar om hulp smeken. Zij zegt die toe en belooft ook naar Aeneas en diens schip te laten zoeken. Dat is echter niet meer nodig, want Aeneas heeft samen met zijn vriend, Achates de tempelscène gevolgd, gehuld in een wolk en dus onzichtbaar: de godin Venus, Aeneas' moeder, had hen op die manier beschermd.

Al bij die laatste klanken breekt het wolkenkleed opeens uiteen en lost zich op, verdwijnend in de wijde ether. Daar staat Aeneas. Stralend in het klare licht lijkt hij een god, in uiterlijk en in gestalte: Venus zelf had haar zoon betoverd met een lokkenpracht en purperglans van jonge kracht, een blijde schittering blinkt in zijn ogen - zoals een kunstenaar ivoor met schoonheid siert; als zilver of Parisch marmer dat met fonkelend goud wordt afgewerkt. Dan spreekt hij tot de koningin - zijn stem komt onverwacht voor iedereen - en zegt: "Hier is hij die u zoekt. Hier ben ik, Aeneas, de Trojaan, ontsnapt aan Libisch zeegeweld. U, die als enige zich over Trojes zware zorgen ontfermt, en ons, die aan de Grieken zijn ontsnapt, uw huis en stad aanbiedt, terwijl wij alles kwijt zijn en door alle rampen van land en zee zijn uitgeput - wij kunnen u niet met gepaste dank belonen, Dido, wij, noch wat er elders aan Trojanen rest en rondzwerft over aarde. Als goden nog om vrome mensen geven, en als ergens rechtvaardigheid en een oprecht gemoed van waarde zijn, mag ware dank uw deel zijn! Hoe gezegend deze tijden waarin u leeft; de ouders die u hebben voortgebracht! Zolang rivieren zeewaarts gaan, zolang zich schaduw over bergen en dalen tekent, en de ether sterren voedt, zullen uw eer en naam altijd bekend zijn, waar ter wereld ik komen mag" en na dat woord strekt hij één arm uit naar zijn vriend Ilioneus, zijn andere grijpt naar Serestes, dan naar de rest, naar Gyas, naar Cloanthus, dappere mannen
Dido is diep getroffen, al terstond door zijn verschijning, dan ook door al zijn avonturen, en zij spreekt hem toe: "Godinnenzoon! Welk noodlot achtervolgt u met zoveel gevaren? Wat voor macht doet u op barre kusten landen? U bent Aeneas dus, door moeder Venus aan de stroom van de Simoëis gebaard voor haar Trojaanse man, Anchises. Ikzelf weet nog heel goed hoe Teucer bij ons kwam, in Sidon, verbannen uit zijn land; hij vroeg mijn vader, Belus, om een nieuw gebied, en Belus wou toen juist het rijke Cyprus gaan plunderen en bracht het zegevierend in zijn macht. Al sinds die tijd zijn mij de lotgevallen der Trojanen en ook uw naam en die van Griekse koningen bekend. Hij, Teucer, prees zijn vijand, de Trojanen, vaak uitbundig en ging er prat op zelf van Oudtrojaanse stam te zijn. Daarom: wees welkom, mannen, mijn paleis staat voor u open. Eenzelfde lotsbeschikking heeft ook mij een zware weg doen gaan en mij tenslotte in dit land een stad doen stichten. Niet onbekend met leed weet ik een mens in nood te helpen."
Zo spreekt zij en zij gaat Aeneas voor naar haar paleis, kondigt een dankfeest voor de goden in de tempel aan, en laat ondertussen ook nog aan de makkers op de kust een stoet van twintig stieren, honderd zwijnen, ruigbehaard en groot, én honderd malse lammeren, met ooien, brengen, een gift tot vreugde voor de godheid. Haar woning wordt vanbinnen met veel vorstelijke luisterrijk opgetuigd; men dekt de tafels in de middenhal, kunstig bewerkte kleden zijn er, met een pracht aan purper, enorme zilveren schalen, gouden bekers, rijk bewerkt met 'n rijenlange serie van voorvaderlijke daden, verricht door tal van helden sinds de oorsprong van 't geslacht.
Aeneas stuurt met spoed, omdat het vaderlijk verlangen geen rust vindt in zijn hart, Achates naar het scheepskamp om Ascanius in te lichten en hem naar de stad te halen; altijd betreft zijn eerste zorg Ascanius, zijn zoon. Ook zegt hij hem de kostbaarheden die uit Trojes vlammen gered zijn mee te brengen: een met gouddraad geborduurd gewaad, een sluier met een rand van gele acanthusranken, pronkstukken van de Griekse Helena, door haar vanuit Mycene meegenomen, toen zij op dat zondig huwelijk in Troje afging, wonderfraai geschenk van moeder Leda; ook nog een scepter, die Ilione ooit had gedragen, Priamus' oudste dochter; dan een halssnoer, parelrijk, en nog een dubbeldiadeem vol goud en edelstenen. Met deze opdracht zoekt Achates snel de schepen op.

Maar dan zint Venus op een nieuwe list, op nieuwe plannen als Cupido een ander aanschijn aanneemt en zich als de goede Ascanius vertoont, kan hij met zijn geschenken bij Dido liefdesvuur ontvonken, diep tot in het merg. Zij, Venus, wantrouwt het Carthaagse huis en zijn gehuichel, en vreest voor Juno's wreedheid. 's Avonds neemt die zorg nog toe en zegt ze tegen Cupido, de liefdesgod met vleugels: "Mijn zoon, door jou alleen bestaat mijn macht, mijn grote invloed; zelfs de Gigantenpijlen van de oppergod zijn jou te min..." Vandaar dat ik je goddelijke hulp kom vragen. Je weet toch hoe je broer, Aeneas, over zee gejaagd wordt van kust naar kust, vanwege Juno's felle haat? Je hebt al vaak verdriet gehad door mijn verdriet daarover... En nu heeft de Carthaagse Dido hem te gast en smeekt hem te blijven, maar de afloop van zo'n Juno-achtig aanbod benauwt mij: zij zal zeker op zo'n keerpunt iets gaan dóén. Daarom dacht ik haar vóór te zijn en Dido's hart te vangen in list en liefdesgloed, waaruit geen andere god haar redt - met zoveel liefde voor Aeneas wil ik haar beheersen! Hoe ik je dat wil laten doen, vertel ik je, hoor goed: de prins, mijn dierbaar kleinkind, wordt nu door zijn trouwe vader naar Dido's stad geroepen. Straks vertrekt hij en hij brengt geschenken mee, die aan de zee en Trojes brand ontsnapt zijn. Ik zal hem, diep in slaap, verbergen op de bergtop van de Cythera of Idalion, op een gewijde plek, zodat geen mens die list ontdekt of tussenbeide komt. Dan moet jij ongemerkt niet langer dan één nacht zijn aanschijn vervalsen; even jong neem jij zijn jongenstrekken aan, en dan, als Dido jou in grote blijdschap op haar schoot trekt tijdens het vorstelijke maal en Bacchus' wijnfestijn, en jou omhelst en zoete kussen geeft, blaas jij haar zachtjes verborgen vuur in, een bedrieglijk liefdesmedicijn." Amor gehoorzaamt zijn geliefde moeder, legt zijn vleugels eerst af en treedt verheugd in 't spoor en in de voetstap van Julus Ascanius ? die zelf door Venus is bedwelmd met een diepe slaap; zij draagt hem zorgvol in haar armen naar het bergbos van Idalion, waar zachte marjolein hem met haar bloesem en zoetademende koelte koestert.
Cupido ging dus blij en wel op pad en bracht in opdracht rijke geschenken naar de stad; Achates liep voorop, en na hun aankomst heeft de koningin haar gouden sofa bestegen, middenin een hal met fraaie wandtapijten. Vader Aeneas volgt, alle Trojaanse gasten volgen haar reeds; men vlijt zich in de purperen kussens neer. Bedienden reiken water aan voor 't wassen van de handen, serveren brood, delen servetten uit, heel zacht van stof. Wel vijftig dienaressen werken in de keukens aan één lange rij van schalen en bemoederen het haardvuur, en honderd anderen plus nog zo'n aantal jonge knechten zetten die schalen en de bekers voor de gasten neer.
Ook hebben vele Tyriërs de feestelijke hal betreden; ieder krijgt zijn plaats in geborduurde kussens. Bewondering klinkt op: om de geschenken van Aeneas, om Julus' goddelijk aanschijn, om zijn woorden ? nagebootst! -ook om het kleed, de gele sluier met acanthusranken. Vooral die arme Dido, nu al door toekomstig kwaad verslagen, kan alleen maar kijken, en al kijkend gloeit zij, de Punische vorstin, voor kind en giften evenzeer. Nadat de jongen met zijn armen om Aeneas' hals diens grote vaderliefde leugenachtig heeft beantwoord, begroet hij ook de koningin. Haar blik, haar hele hart gaat naar hem uit. Zij trekt hem al op schoot, die arme Dido die niet begrijpt wat voor een god zij koestert! Hij, gehoorzaam aan Venus' woord, begint bij Dido de gedachte aan Sychaeus weg te nemen, en haar schuwe hart, dat lang reeds liefde ontwend is, af te leiden met een felle gloed. Dan, als men uitrust van het maal - de schalen zijn verwijderd - plaatsen ze grote kommen, die men kranst en vult met wijn. Het feestgeruis klinkt nu hoog op, de stemmen zweven luid dooi de ruime zalen; luchters, aan vergulde balken hangend, worden ontstoken, fakkelvuur verjaagt de duisternis. Dan laat de koningin een drinkschaal brengen, zwaar van goud en edelsteen, een erfstuk uit de Belus-dynastie, vult die met wijn en zegt, nadat zij stilte heeft geboden: "Jupiter, als men u beschermer noemt van gastvriendschap, wil deze dag dan voor Carthagers en Trojaanse vrienden gezegend maken, gedenkwaardig voor ons nageslacht. Laat Bacchus ons zijn vreugde schenken, Juno ons haar gunst, en u, Carthagers, vier dit samenzijn in blijde eerbied!" Zo sprak zij, en zij offerde wat druppels wijn op tafel, raakte de drinkschaal met haar lippen voor een eerste dronk en gaf hem toen uitnodigend aan Bitias. Die slokte gretig van 't klokkend vocht en dook diep in de gouden schaal. Na hem de andere edelen. De langgelokte Jopas zong bij zijn gouden citer, zoals hem de grote Atlas het had geleerd: een lied dat over zoneclipsen en de maan zong, over het ontstaan van mens en dier, van buien en bliksems, over regenbrengende Hyaden en de Grote en Kleine Beer; waarom de winterzon zo haastig de zee in duikt; welk oponthoud voor lange nachten zorgt. Herhaald klonk het applaus der Tyriërs, en de Trojanen vielen hen bij. Vooral de arme Dido liet de nacht met veel gesprekken duren, uren vol van liefde drinkend. Steeds vroeg zij verder: over Hector, over Priamus, met wat voor wapentuig Aurora's zoon zich had vertoond, naar Diomedes' paarden of hoe groot Achilles was. "Kom, vriend, vertel ons ook,' zo zei zij, `van begin af aan van dat verraad der Grieken, van het lot van uw Trojanen, van al uw tochten. Want al zeven zomers lang wordt u door alle landen, over alle zeeën voortgejaagd."

 

Aeneis, 4, 1-705

Dido's wens, geuit in de laatste verzen van boek 1, wordt vervuld. Aeneas vertelt haar uitvoerig over de val van Troje en de list van het houten paard, over de brandende stad en zijn eigen vlucht (heel boek 2), en vervolgens over zijn jarenlange zwerftocht in het Middellandse-Zeegebied, met alle avonturen van dien (heel boek 3). -Al lluisterend is Dido verliefd geworden en die liefde neemt in de volgende uren, als boek 4 begint, alleen maar toe. Zij voelt zich schuldig, omdat ze na de moord op haar vroegere man Sychaeus had gezworen nooit mee gevoelens van liefde toe te laten. Dido's zuster Anna raadt haar echter aan wel degelijk een nieuwe verbintenis te overwegen.

Zo lang al voelt de koningin een zware pijn, een wond die zij diep vanbinnen koestert, duister vuur dat haar verteert. Steeds denkt zij aan die man van moed en deugd, steeds aan zijn volk da zo roemrijk is. Zijn blik, zijn woorden hebben zich diep in haar geest gehecht, en liefdespijn gunt haar geen zoete nachtrust. De nieuwe dag breekt aan: Aurora laat de wereld weer in zonlicht stralen - dauw en schemer had zij al verdreven -als Dido, half uitzinnig, tot haar trouwe zuster zegt: "Ach, Anna, wat een slapeloze twijfel verontrust mij! Die gastvriend, die sinds kort in onze stad is - wat een man! Hoe fier gedraagt hij zich en wat een kracht in woord en daden! Ik denk, ja ik geloof beslist dat hij van goden stamt; lager geboren zielen tonen angst. Ach, wat een onheil heeft hem vervolgd! Die taaie strijd waarvan hij ons vertelde! Als ik niet vast en onherroepelijk besloten had nooit meer met wie dan ook een huwelijk aan te gaan, omdat mijn eerste liefde mij door valse doodslag werd ontnomen, als huwelijksbed en bruiloft mij niet zouden tegenstaan, zou ik misschien voor hem alleen wel zwakheid willen tonen. Ik zeg het eerlijk, Anna: sinds het droeve noodlot van mijn man Sychaeus, sinds ons huis door broedermoord besmeurd werd, is onze gast de enige die nu mijn wankel hart en zinnen raakt; ik voel een vonk van oude hartstocht vlammen. Maar eerder mag de aarde mij tot in haar binnenste verzwelgen, mag de godenvader mij met bliksemvuur naar Erebus, die duisternis vol bleke schimmen jagen, dan dat ik goede naam en regels van fatsoen zou schenden. De man die zich het eerst met mij verbond, nam in het graf mijn liefde mee. Hij moet die bij zich houden en bewaken." Na deze woorden breekt zij in een stroom van tranen uit en Anna zegt: "Je bent mij liever dan het daglicht, Dido! Ach, moet jouw jong bestaan dan jaar na jaar in eenzaamheid en treurnis kwijnen, zonder kindervreugd en Venuslusten? Denk je dat iemands dode ziel of as dit echt verlangt? Ik weet: geen andere man kon jouw verdriet tot nu toe keren, in Libië zomin als eerst in Tyrus; Jarbas heb je versmaad, ook andere heersers uit dit roemrijk Afrika... Maar moet je zelfs de liefde van je eigen hart bestrijden? Vergeet niet tussen wat voor volkeren je woont: ginds heb je Gaetulië, onoverwinlijk vechtersland; daarnaast toomloos Numidisch volk, bij Syrtis' ongastvrije zeebocht. En dan die dorstige woestijn, die alom vechtende Barcaeërs! Om maar niet te spreken van de oorlogsklanken waarmee je broer uit Tyrus je bedreigt (...) Ik denk waarachtig dat het 's hemels wil en Juno's gunst is waardoor een storm ons die Trojaanse schepen heeft gestuurd. O zuster, wat zal deze stad, wat zal jouw rijk niet bloeien in zo'n verbond! Als Trojes macht zich bij de onze voegt, tot wat voor hoogten zal Carthago's roem zich dan verheffen! Smeek slechts de goden om hun gunst, eer hen met offers en onthaal je gast, noem hem veel redenen om hier te blijven: de zee blijft wild door storm en regenbuien van Orion, zijn vloot is nog beschadigd en de lucht genadeloos."

Haar raad heeft Dido's vonkend hart in liefdesgloed gezet, haar twijfel hoop gegeven, haar haar schaamte doen vergeten. Eerst gaan zij naar de tempel, smeken er bij ieder altaar om vrede, slachten naar gebruik een keur van lammeren voor Ceres, die ons wetten brengt, voor Bacchus, voor Apollo en bovenal voor Juno, die de huwelijkstrouw bewaakt. Zelf, stralend mooi, draagt Dido een gevulde wijnschaal aan en stort die uit tussen de horens van een blanke koe, of schrijdt tot bij de rijke offertafels, stalt haar gaven vlak voor de goden uit, de hele dag, of laat heel gretig elk slachtdier opensnijden om het levend ingewand om raad te vragen. Ach, onwetend priestervolk! Wat baten offers of tempels nog, als liefde raast, en als de vlam het zwak gemoed intussen aanvreet en de wond vanbinnen in stilte groeit? De arme Dido brandt en loopt verdwaasd de stad door, net zoals een hinde door een jagend herder in Kreta's bossen onverhoeds van verre door een pijl getroffen is; het vliegend staal bleef in haar achter, zonder dat hij het weet; nu dwaalt ze tussen het geboomte van de Dicte-berg, vluchtend, met in haar flank dat noodlotswapen. Soms gaat Aeneas met haar mee, ze begeleidt hem door de straten, toont de rijkdom van het nieuwgebouwd Carthago, begint iets te vertellen, stokt dan middenin een zin... Of, als de dag verstrijkt, verlangt ze weer, bij elke maaltijd - dwaas als ze is - dat ze opnieuw van Trojes ondergang te horen krijgt, en hangt opnieuw al luisterend aan zijn lippen. En later, na het afscheid, als het maanlicht op zijn beurt verduisterd is, de sterren dalen en tot slapen manen, blijft zij droef achter in haar leeg paleis en stort zich op de bank waarop hij zat. Hij is nu weg, toch hoort en ziet ze hem nog. Ze trekt Ascanius, zijn vaders evenbeeld, op schoot, als om haar stille hartstocht met bedrog te sussen. De torenbouw ligt plat, haar mannen oefenen niet meer op 't wapenveld, de haven en de vestingwallen tegen de vijand, alles zwijgt en wacht op verder werk-de huizen, de dreigend zware muur, de hemelhoge hijsmachine.

Als Juno, Jupiters geliefde vrouw, bemerkt heeft dat Dido verteerd wordt door haar ziekte en dat die liefdeswaanzin niet wijkt voor naam en eer, gaat zij op Venus af en zegt: "Aan jullie komt bepaald de eerste prijs en grote dank toe, jou en je zoon! Een prachtig, gedenkwaardig feit, wanneer twee goden met hun listig spel één vrouwenziel beheersen! Maar het ontgaat mij allerminst dat ginds die stad van mij jou bang maakt, dat je argwaan koestert voor dat hoog Carthago. Hoe loopt dit af? En dan, wat hebben we aan al die strijd? Zullen we liever niet voor altijd vrede en een huwelijk doen sluiten? Immers, jij hebt nu je liefste wens bereikt: het hart van Dido gloeit, het vuur doorstroomt haar diepste wezen. Twee volken samenbrengen met elk gelijke macht - laat dat ons doel zijn. Dido dient dan haar Trojaanse man, en brengt als bruidsschat en in jouw bescherming haar Carthagers mee." Venus, die deze huichelwoorden wel doorziet en aanvoelt dat Juno het Italisch rijk wat graag in Afrika zou plaatsen, zegt haar dit: "Wie is zo dwaas dat hij zo'n voorstel afwijst? Of wie verkiest er oorlog tegen jou, zolang een gunstig lot de plannen die jij noemt kan begeleiden? Maar 't is de toekomst die mij twijfel baart: wil Jupiter dat er één stad komt van Carthagers en de vluchtelingen uit Troje? Keurt hij dat verbond en samengaan wel goed? Jij bent zijn vrouw. Jij kunt hem smeken, zijn gedachten peilen. Ga maar, ik volg wel." De verheven Juno antwoordt haar: "Die taak neem ik graag op me. Maar hoor toe, ik wil je eerst nog in 't kort vertellen hoe ons plan kan worden uitgevoerd. Aeneas en die arme Dido zullen in het bos gaan jagen, morgenvroeg, zodra de zon zijn vroege opstaan heeft aangekondigd en de wereld met zijn stralen wekt. Ik zal hen hullen in een donkerzwarte hagelbui, juist als de jagerstroep druk bezig is en rond het bergdal de netten spant; ik laat het hele luchtruim donderen. Dan rennen ze uiteen, een dichte duisternis omringt hen, Dido en de Trojaanse leider zullen schuilen in dezelfde grot. Ik zal daar zijn en als jij met mij instemt, bezegel ik hun hecht verbond en maak haar tot zijn vrouw. Dat zal hun bruiloft zijn." Zich niet verzettend tegen Juno knikt Venus met een stille lach: zij heeft de list doorzien.
Intussen was Aurora uit de Oceaan gerezen. Een keur van mannen trekt bij 't eerste licht de stadspoort uit met wijdgeknoopte netten, strikken, breedgestaalde speren; Massylisch ruitervolk rijdt mee, jachthondgesnuif alom. Bij de paleispoort wacht Carthaagse adel op de komst van de koningin, die in haar kamers toeft; haar paard staat klaar, vol goud- en purperglans, druk bijtend in het schuimend toom. Tenslotte treedt ze dan naar buiten in een groot gezelschap, gehuld in een Phoenicisch kleed met geborduurde randen, een gouden pijlenkoker op de rug, het haar omwonden met goud; een gouden speld steekt door haar glanzendrode kleren.
Ook haar Trojaanse gasten treden aan; de vreugde straalt van Julus af, maar stralend mooier nog dan ieder ander is daar Aeneas zelf, als hij zich aansluit bij haar stoet. Hij lijkt Apollo, als die na de winter Xanthus' oevers in Lycië verruilt voor Delos, zijn geboortegrond, en daar de dans weer instelt: rond het altaar klinkt gezang van Kretensers en Dryopen en geverfde Agathyrsen, allen dooreen. Hijzelf gaat over Cynthus' berg en kranst zich het golvend haar met teer lauriergroen, of doorvlecht het met een gouden band; zijn pijldoos rammelt op zijn rug. Zo krachtig gaat ook Aeneas, net zo'n glans straalt zijn verschijning uit. Als men het hoge, ongebaande bergterrein bereikt heeft, worden de wilde geiten op hun rots gestoord en zie: ze schieten weg langs alle toppen; elders steken herten een open bergwei over om vervolgens in paniek, snel, als een dichte stofwolk, aan de bergen te ontsnappen. Ascanius geniet; de jongen ment zijn vurig paard dwars door valleien heen, rent nu eens hier, dan daar naar voren en wenst, ja bidt, dat hij een groot wild zwijn op weerloos vee ziet afgaan of dat er een blonde leeuw de helling af daalt.
Maar onderwijl begint een zwaar gerommel langs de lucht te rollen; snel volgt ook een regenbui vol hagelstenen. Carthagers en Trojaanse mannen en Aeneas' zoon, kleinkind van Venus, rennen bang naar links en rechts om ergens in 't veld een dak te vinden; bergrivieren stromen wild. Dido en de Trojaanse leider schuilen samen in dezelfde grot. Juno, de bruidsgodin, en Moeder Aarde geven direct hun teken: bliksems vlammen, en de Ether bezegelt het verbond en nimfen zingen op de bergtop een bruiloftslied. Die dag begon het kwaad, die dag begon haar sterven! Want zij let niet meer op goede naam of schijn; zij, Dido, voelt niet langer stille liefde, maar spreekt luid van een huwelijk! Met dat woord verdoezelt zij haar schuldgevoel.
Terstond gaat het gerucht de grote steden langs en vliegt door heel Libië. Geen kwaad zo snel als Fama, het Gerucht. Haar kracht ligt in beweging, want al vliegend wordt zij sterker. Eerst nog erg schuw en klein, richt zij zich spoedig naar de lucht, houdt vaste voet op aarde, maar haar hoofd gaat schuil in wolken. Zij is het kind van Moeder Aarde, die haar heeft gebaard uit godenhaat, zo zegt men, na Enceladus en Coeus, een zuster met gewiekste vleugels en heel rap ter been, een groot, angstwekkend wezen, niet alleen begroeid met veren, maar ook met tal van ogen - wonderbaarlijk als het klinkt - en tal van fluistermonden, tal van oren die zij spitst tot luisteren. 's Nachts flitst zij ruisend tussen lucht en aarde in 't donker rond, geen zoete slaap dekt dan haar ogen toe, en overdag zit zij op wacht, soms op een dakpunt, soms op hoge torens, en brengt hele steden in paniek, of ze nu kwade leugens aangrijpt ofwel waarheid zaait. Ook toen vond zij het leuk de mensen met veel soorten praatjes te voeden, alles rond te zingen, wel of niet gebeurd: "Aeneas, telg van het Trojaanse huis, is in Carthago; de mooie Dido wenst zich te verbinden met die man! Nu, voor zolang de winter duurt, genieten zij van 't leven in schandelijke wellust, zonder aandacht voor hun rijk...'
Dit boos gerucht verspreidt Vrouw Fama via vele monden. Heel snel ook dringt het op zijn tocht tot koning Jarbas door. De boodschap maakt hem woedend en vergroot zijn wraakgevoelens. Hij, zoon van Ammon - want zijn moeder Garamantis was ooit door de god geschaakt - had in zijn rijk wel honderd tempels aan Jupiter gewijd, wel honderd altaarhuizen waar het eeuwig vuur der goden waakte; heel wat offers hadden de grond doordrenkt met bloed, de deuren waren rijk omkranst. Daar, voor de offertafels en omringd door godenbeelden, werd Jarbas door dit bittere gerucht zo razend boos, dat hij - zo zegt men - smekend, met zijn armen naar de hemel uitriep: "Almachtig heerser Jupiter! U ziet dit aan, terwijl mijn Maurisch volk u toch vereert met wijn, wanneer men op fraaibewerkte banken feestviert? Huiveren wij soms voor niets wanneer u bliksemt, vader? Zijn die hemelschichten die ons verschrikken, doelloos? Dreunt uw donderstem zo hol? Een vrouw die vluchtend hier kwam en van ons wat land mocht kopen om een bescheiden stad te stichten, wie ik grond gaf om te ploegen, plus beschikkingsrecht - zij heeft mij afgewezen, maar wel Aeneas heer en meester van haar rijk gemaakt! En nu is hij haar Paris, die met zijn verwijfd gezelschap, met zijn geparfumeerde haar en om zijn kin gestrikte Phrygische muts daar hofhoudt met zijn prooi, en ik mag hier uw tempels eren en vergeefse faam eerbiedigen!'
De godenheerser heeft dit smeken dat door Jarbas knielend bij 't altaar werd geuit, verstaan: zijn blik heeft zich gericht naar Dido's stad, naar die gelieven die hun eer en aanzien verspeelden. Hij ontbood Mercurius voor dit bevel: "Op weg, mijn zoon! Roep Zefier, zweef omlaag op snelle vleugels en spreek tot die Trojaanse leider die nu in Carthago blijft hangen, en de toekomst van zijn eigen stad en land vergeet... Ga vlug, breng hem mijn boodschap over door de lucht: niet voor dit doel - zo weet ik van zijn goddelijke moeder - is hij bestemd; niet hiervoor heeft zij hem tot tweemaal toe uit Grieks gevaar gered. Hij moet Italië regeren, een land dat leiders kweekt en trilt van strijd; hij moet een volk uit Trojes bloed doen groeien, heel de wereld moet zijn wetten verstaan. Maar als de glans van zo'n groot rijk hem zelf niet raakt, als hij zo'n taak niet voor zijn eigen glorie wil volbrengen, gunt hij zijn zoon Ascanius dan geen Romeinse stad? Wat wil hij? Waarom blijft hij bij vijandig volk? Vergeet hij Ausonië en heel de toekomst van Lavinium? Scheepgaan is mijn bevel. Die boodschap moet jij hem gaan brengen." Aldus zijn woord. Mercurius doet wat zijn heer en vader hem vraagt: hij bindt zich eerst de gouden vleugelschoenen aan die hem, hoog vliegend en geholpen door het blazen van de snelle wind, ver over zee en landerijen dragen. Daarna grijpt hij zijn staf, waarmee hij schimmen voorgaat naar de trieste Tartarus, of hen omhoogvoert, of waarmee hij bedwelmt of wekt en mensenogen licht geeft in de dood. Maar nu gebruikt hij hem om wind te vangen en zo vliegt hij door wolken heen, en vliegend ziet hij daar de steile schouders en sterke rug van Atlas, die de hemelkoepel torst - Atlas, wiens pijnboomzware hoofd altijd met nevelgrijs omgeven is, en die door storm en regen wordt geteisterd; een sneeuwlaag dekt zijn schouders, langs zijn oudemannenkaken storten rivieren neer, zijn ruige baard staat stijf van ijs. Hier zoekt Mercurius, neerstrijkend met zijn vleugelpaar, zijn eerste rustpunt. Daarna laat hij zich in volle zwaarte omlaag naar 't water zweven, als een vogel boven zee die langs de branding en langs vissenrijke klippen cirkelt. Niet anders duikt Mercurius vanaf de Atlas - die zijn moeders vader was - in glijvlucht tussen aarde en hemel naar't strand van Libië, dwars door een stroom van winden heen. Als hij op vleugelvoeten bij de eerste hutten neerstrijkt, ziet hij Aeneas, die daar meehelpt met het bouwen van de nieuwe stad. Hij draagt zowaar een zwaard met fonkelstenen van jaspis; Tyrisch purper geeft zijn mantel, die wijd om zijn schouders hangt, een warme gloed - een duur geschenk van Dido: zij had een dunne gouddraad door het weefsel heen gewerkt. De god gaat rechtstreeks op hem af: `Jij legt hier nu de grondslag voor een Carthaagse burcht, jij bouwt een schitterende stad als Dido's man, en denkt niet aan je eigen rijk en toekomst? De godenheerser die van hoog tot laag het al bestiert, hij zelf stuurt mij hierheen, vanaf de stralende Olympus, en gaf mij deze snelgevlogen boodschap voor je mee: wat wil je, waarom hang je rond in Libische contreien? Wanneer de roem van eigen heerschappij jou niet beweegt en jij je opdracht niet voor eigen glorie wilt volbrengen, vergeet Ascanius dan niet, die straks de hoop vormt van het Julische geslacht; hem is Romeins gebied en macht in Italië beloofd." De godheid heeft dat laatste woord nog niet gesproken, of hij laat zijn menselijke vorm vervagen en verdwijnt de ijle lucht in, ver uit 't zicht. Aeneas staat daar, stomverbijsterd door die godsverschijning, zijn haar rechtop van schrik, zijn stem gevangen in zijn keel. Het liefst wil hij snel weggaan, dat geliefde land verlaten, zo diep is hij getroffen door dat goddelijk bevel. Ach, wat te doen? Met wat voor woorden waagt hij de vorstin, die zo verliefd is, aan te spreken? Hoe moet hij beginnen? Snel laat hij zijn gedachten gaan, bedenkt nu dit, dan dat en overweegt van alles en op allerlei manieren, waarna hij kiezen moet, en dan lijkt dit het beste plan: hij roept Sergestus, Mnestheus en de dappere Serestus bijeen; zij moeten in 't geheim de schepen en bemanning op 't strand verzamelen, voor wapens zorgen, zonder dat de reden van dit nieuwe plan bekend wordt. Ondertussen zal hij proberen om de goede Dido, die niet weet, laat staan verwacht dat deze liefde eindigt, toe te spreken, en zien welk tijdstip uitkomt, welke woorden gunstig zijn. Verheugd met dit bevel doen allen snel wat hun gevraagd is. Maar de vorstin heeft zijn geheim voorvoeld ? want wie misleidt een minnend hart? - en wist als eerste van het komend afscheid, reeds bang toen alles nog zo veilig leek. Opnieuw deed Fama haar heilloos werk: "De vloot ligt bijna klaar om uit te varen!" Razend is Dido, radeloos gaat zij tekeer, verhit rent ze de hele stad door, opgezweept als een Maenade die om het jaar bij 't offerfeest met luide Bacchuskreten orgieën viert, waarvan Cithaerons berg een nacht lang galmt. Tenslotte spreekt zij zelf Aeneas aan en voegt hem toe: "Verrader! Denk je werkelijk zo'n zondig spel te spelen en stiekem uit mijn land te kunnen weggaan? Word je niet door onze liefde, door jouw eens gegeven trouwbelofte gestuit? Noch door de wrede dood die Dido sterven zal? Nu, zelfs bij winterweer, maak jij je vloot gereed en toon je veel haast om volle zee te kiezen, ondanks noorderstorm? Jij valsaard! Wat! Als jij geen ander land, geen nieuwe woonplaats moest zoeken, als het oude Troje nog bestond, zou jij dan nu de terugreis wagen over golvenhoge zeeën? Ontloop je mij? Bij deze tranen, bij jouw rechterhand ? wat kan ik anders doen, wat rest mij nog in mijn ellende? ? ja, bij ons huwelijk, bij ons juist gevierde bruiloftsfeest, ik smeek je: als ik iets voor jou betekend heb, als ik je ook maar een beetje dierbaar ben, toon medelijden met dit wankel huis! Vergeet je plan, als smeken nog kan helpen. Door jou zijn nu nomadenheersers, is heel Afrika mijn vijand; zelfs mijn eigen Tyrisch volk! Voor jou ook stierven mijn onschuld en wat mij alleen al sterrenhoog verhief: mijn naam van eer. Bij wie laat jij mij achter in mijn doodsnood - jij, gastvriend- Want alleen die titel past nog bij mijn man.

Waar wacht ik op? Soms tot mijn broer Pygmalion mijn muren komt stukslaan? Totdat Jarbas, die Gaetuliër, mij meesleurt? Als ik nu maar een kind van jou had mogen wiegen, vóór je dit land ontvlucht, als hier een kleine Aeneas in mijn hof zou spelen, die hier hoe dan ook jouw beeld weer op zou roepen, dan leek ik niet zo helemaal verraden en alleen!'
Zo klonk haar woord. Hij bleef, naar Jupiters bevel, strak kijken, drukte de liefde in zijn hart met kracht nog dieper weg en sprak tenslotte kort: "Nooit zal ik, koningin, ontkennen dat u de vele gunsten, die u noemen kunt, aan mij bewezen hebt. Zolang dit lichaam ademt en 't verleden mij bijblijft, zal ik mij in dank uw naam herinneren. Ik zeg u ter verdediging slechts dit: ik heb mijn aftocht nimmer verborgen willen houden, denk dat niet. Ik heb ook nooit van bruiloftsvuur gerept en kwam niet voor een huwelijk hierheen. Had ik mijn levensweg naar eigen lot en inzicht mogen bepalen en mijn eigen zware opdracht kiezen, dan zou ik allereerst aan Troje denken, en de resten van wat mij dierbaar was, vereren; Priamus' paleis zou hoog herrijzen; zelf had ik voor mijn verslagen volk de stad herbouwd. Maar toen beval 't orakel van Apollo mij naar Italië te gaan, het groot Italië. Daar ligt mijn hart, mijn land. Wanneer Carthago's burcht en aanzien u, een Phoenicische, zo sterk ter harte gaan, vanwaar die afgunst dan, wanneer Trojanen zich in 't verre westen gaan vestigen? Ook ons is het gegeven een nieuw rijk te vinden. Steeds wanneer de nacht zijn vochtig duister over de aarde spreidt en 't sterrenvuur verschijnt, zie 'k in een droom vader Anchises' schim, die mij bezorgd en dreigend toespreekt. En dan Ascanius: ik doe dat dierbaar kind veel onrecht door hem Hesperia, land van zijn toekomst, te onthouden. Maar nu heeft mij de hemelbode, na een snelle vlucht, Jupiters eigen woorden - 'k zweer het bij ons beider leven - overgebracht; ik zag de godheid zelf in helder licht de stadspoort binnengaan, zijn stem klinkt nu nog in mijn oren. Zie af van dat geklaag, dat pijnlijk is voor u en mij: ik zoek Italië niet op uit vrije wil (...)'
Zolang hij spreekt, kijkt zij hem van opzij een tijdlang aan, een blik die hem van alle kanten en van hoofd tot voeten in stilte opneemt; daarna, heet van woede, roept zij uit: "Verrader! Nee, jij bent geen zoon van Venus, ook geen nazaat van Dardanus! De ruige, rotsenharde Kaukasus was jouw verwekker, een Hyrcaanse tijgerin je voedster! Want waarom zwijgen? Krachten sparen voor iets ergers nog? Heb jij mijn tranen soms beklaagd? Een blik aan mij besteed en in deemoed meegehuild? Mij, jouw geliefde, soms getroost? Wat noem ik eerst van al? Nee, niet de hoogverheven Juno, zelfs niet de godenvader ziet dit voor rechtvaardig aan! Nergens oprechte trouw! Berooid op onze kust geworpen werd hij mijn gast; ik liet hem delen in mijn macht, ik dwaas, redde zijn makkers van de dood, zijn schepen uit de branding!
Ach, heet van waanzin ben ik! Nu opeens roept hem Apollo, nu 't Lycische orakel, zelfs die hemelbode brengt nu Jupiters angstaanjagende bevelen door de lucht! Kennelijk nemen goden zoveel moeite ? onze liefde verstoort hun rust... Ik houd je heus niet vast, ik spreek niet tegen. Ga! Zoek Italië maar op! Volg wind en golfslag tot je je land ziet... Maar ik hoop, als godenmacht nog invloed heeft, dat je zult boeten op een klip in zee en vaak om Dido zult roepen! Ver van jou trek ik een spoor van donker vuur en als de kille dood mijn ziel en lichaam heeft gescheiden, zal steeds mijn schaduw bij je zijn. Dat, lafaard, wordt je straf en het bericht daarvan zal mij in 't dodenrijk bereiken!" Dan breekt zij plots haar woorden af en vlucht, ziek van verdriet, naar binnen, weg, ver uit zijn ogen, laat hem daar dus achter met al zijn bange twijfels en met alles wat hij nog wil zeggen... Dienaressen steunen haar, wanneer zij instort, en leggen haar op bed in haar witmarmeren vertrek. Hoewel de edele Aeneas haar verlangt te helpen in haar verdriet, met woorden graag haar zorg wil lenigen, voert hij na veel gezucht en wankelend door diepe liefde toch het bevel der goden uit en zoekt zijn vloot weer op. Nu maken de Trojanen waarlijk haast: de hele kuststrook ligt vol met hoge schepen, hun geteerde kiel omspoeld door water; uit het bos haalt men de riemen, onbewerkte loofzware takken nog. Ze zwoegen hard voor hun vertrek. En zie dan hoe ze gaan en overal de stad uit stromen: ze zijn als mieren die een hoge stapel graan naar huis meevoeren en daar opslaan, altijd denkend aan de winter; hun zwarte leger trekt het veld door, het transport gaat langs een heel smal paadje in het gras; ze duwen met hun schouders de dikke korrels voort; een deel bewaakt de stoet of straft de achterblijvers; heel het pad gonst van het harde werken. Dido, hoe was het jou te moede, toen je hen zag gaan? Hoe klonk je klaagstem, toen je hoog vanuit je venster uitkeek naar 't strand, waar alles gonsde? Toen je merkte dat de zee daar, voor je ogen, was vervuld met louter mensenkreten? Ach, wrede liefde, waartoe dwingt u mensenharten niet! Steeds weer in tranen raken, steeds weer smeken en proberen is Dido's dwang. Haar trots moet buigen voor haar liefde, en niets laat zij nu nog onbeproefd om niet voor niets te sterven...
"Anna, je ziet die drukte over heel het strand. Ze zijn van overal verzameld, de bemanning heeft uit blijdschap de achterstevens al omkranst, de zeilen vragen wind... Als ik het risico van zulk een groot verdriet kon nemen, zal ik het ook wel kunnen dragen, Anna. Toch is er één ding dat je voor mij, ocharm, moet doen; want die verrader was slechts vertrouwd met jou, gunde jou zelfs een blik tot in zijn hart, en jij alleen wist tijd en toegang te vermurwen. Ga, zuster! Spreek de trotse vijand nog eens smekend toe: ik heb toch niet in Aulis met de Grieken meegezworen om Troje te vernietigen, een vloot naar Pergamum gestuurd? Ik gaf Anchises' as, zijn vaders schim, geen aanstoot. Waarom mag dan mijn woord zijn wrede oren niet bereiken? Waarom zo'n haast? Zijn arme minnares vraagt voor het laatst één gunst nog: wachten totdat wind en varen veilig zijn. Ik vraag niet om ons vroeger huwelijk dat hij heeft verraden; verlang ook niet dat hij zijn rijk, het mooie Latium, prijsgeeft. Ik vraag om louter tijd, rust voor mijn hartstocht, uitstel, waardoor mijn lot mij wat berusting leert in mijn verdriet. Het is mijn laatste wens. O, doe het voor je arme zuster! En geeft hij toe ? mijn dank zal dubbel gelden, tot ik sterf...'
Zo bleef zij smeken, en haar diepbedroefde zuster bracht hem dat nog en nog eens over. Maar hij blijft bij al haar smeken onaangedaan en hoort haar woorden onbewogen aan. Zijn lot beveelt dat zo; de god sluit zijn welwillend oor. Zoals wanneer de Alpenwinden om een eeuwenoude oersterke eik aan 't vechten zijn en hem van links naar rechts met vlagen trachten te ontwrichten-luid gekraak breekt uit en een dikke bladerlaag valt neer rond de gebeukte stam; zelf steekt hij in de rotsgrond, met zijn wortels even diep naar de Tartarus gericht als met zijn kruin hoog naar de lucht - zo wordt de held Aeneas ook aan één stuk door met woorden bestookt, van elke kant, en diep vanbinnen voelt hij pijn, maar dat gevoel blijft star en stug. Vergeefse tranen vloeien...

Dido, nu echt wanhopig, bang ook voor de kracht van 't lot, verlangt te sterven; 't hemellicht kan zij niet langer aanzien, en haar besluit het levenslicht te doven wordt versterkt door wat zij zag gebeuren, toen zij op het offergeurend altaar haar gaven bracht: het offerwater kleurde zwart - o schrik! - en de geplengde wijn werd onheilspellend bloed, wat zij aan niemand, zelfs niet aan haar zuster, heeft verteld. En verder, uit de marmeren kapel die zij ter ere van haar gestorven man in haar paleis zo luisterrijk verzorgde - alom sneeuwwit lint en bloem- en bladfestoenen - dacht zij de stem te horen klinken van Sychaeus, die haar toesprak in de nacht, als duisternis de aarde dekte; en vaak ook zat er een verlaten uil hoog op haar dak zijn dodenlied te klagen, langgerekte droeve tonen, terwijl er ook nog veel schrikwekkende voorspellingen van vrome zieners dreigden. In haar dromen jaagt Aeneas haar razend op tot waanzin, of zij ziet zichzelf steeds weer alleen gelaten, steeds in eenzaamheid voortsnellend over een lange weg, op zoek door stille streken naar haar volk. Dwaas is ze - net als Pentheus die een zwerm van wraakgodinnen zag komen, of een tweetal zonnen en twee Thebes zag; of als Orestes, Agamemnons zoon, die in 't theater wil vluchten voor de zwarte slangen en de fakkels van zijn moeder, maar de wraakgodinnen waken bij de uitgang! Dus, als ze in haar waanzin en ten prooi aan haar verdriet besloten heeft te sterven, gaat ze bij zichzelf te rade over wanneer en hoe, zoekt haar bedroefde zuster op, maar hult haar opzet in een blik van blijde hoop, en zegt haar: "Ik heb een weg gevonden, Anna - wens mij maar geluk! - waardoor ik hem weer terugwin of hem uit mijn hart kan bannen. Aan 't eind der aarde, bij de Oceaankust, waar de zon in zee duikt, ligt een Ethiopisch land; de grote Atlas laat er de hemelbol vol fonkelsterren op zijn nek ronddraaien. Uit dat land is mij een priesteres gewezen, bewaakster van het Hesperiden-heiligdom; zij bracht de draak zijn eten, zorgde voor de gouden appeltakken door 't sprenkelen van honingvocht en slaapverwekkende papavers. Zij beweert dat zij met toverspreuken iemands verdriet kan stillen, als zij wil, of anderen er juist mee treffen kan; dat zij rivieren stil laat staan, of sterren laat keren; dat zij 's nachts de doden oproept; dat je dan de grond hoort loeien waar je staat en olmen van de bergen ziet tuimelen... Ik zweer je bij de goden, zusterlief, en bij jouw dierbaar hoofd: ik móét wel toverkunst gebruiken! Zorg jij nu in 't geheim voor brandhout in de open hof, laat bovenop de wapens leggen die die man van ontrouw hier aan de muur liet hangen, en zijn kleren, en het bed waarop ik sterf van liefde: alles wat aan die verrader herinnert dient verbrand te worden, zegt de priesteres.'
Na deze woorden zwijgt ze stil en bleekheid dekt haar wangen. Toch rijst bij Anna geen vermoeden dat dit vreemde offer haar zusters dood moet dekken, nee, zij kan zo'n liefdeswaanzin niet peilen, voelt niet dat er nog iets ergers dreigt dan na Sychaeus' moord. Dus volgt ze de bevelen op (...) De koningin brengt om het hout dat op de binnenplaats hoog naar de lucht steekt - dennenstammen, dikgezaagde eiken - een rij van slingers aan, omkranst het met rouwkleurig groen en legt hoog op het bed het zwaard dat hij vergat, zijn kleren en zijn portret, zich wel bewust van wat nu komen gaat. Altaren staan rondom. Met losgebonden lokken roept de priesteres wel driemaal honderd goden aan; roept Chaos, roept Erebus, roept Hecates driehoofdige gestalte van maagd Diana aan; zij had reeds uit Avernus' bron - zei ze! - geplengd, grijpt nu naar kruiden die met bronzen messen bij maanlicht zijn gesneden, rijk aan donker, giftig sap; grijpt ook naar veulenmilt, dat bloed van liefde dat de merrie na de geboorte van haar jong vaak weglikt van zijn kop. En Dido zelf, die bij het offer met haar reine handen het meel uitstrooit - aan één voet ongeschoeid, de rokken los - bezweert de hemel en de sterren die het lot bepalen dat zij gaat sterven, biddend om een god van recht en wraak die zich tenminste nog iets aantrekt van verraden minnaars.
Nacht is gedaald. Op aarde rusten moegewerkte mensen in zoete slaap. Ook bos en wilde zeeën liggen stil tijdens het uur dat sterren langs de hoge hemel glijden en alles zwijgt, velden en vee en bontgeveerde vogels, al wat bij wijde waterstromen leeft, of op het land dicht struikgewas bewoont, diep slapend in het stille duister. Maar Dido niet, de Punische vorstin. Diep ongelukkig raakt zij niet meer in slaap, laat in haar ogen, in haar hart geen nachtrust toe; de pijn weegt dubbel zwaar, de liefdeswoede bestormt haar keer op keer, een golf van wrok jaagt haar fel op en steeds blijft zij zich in haar hart dezelfde vragen stellen: "Kijk mij! Wat moet ik doen? Soms naar mijn oude vrijers teruggaan en mij belachelijk maken? Om een huwelijk smeken bij nomadenvorsten, die ik eerst zo vaak heb afgewezen? Dat nooit! Met die Trojanen mee aan boord gaan om hun opdracht tot een goed eind te brengen? Soms omdat ze door mijn hulp gered zijn en nu dankbaar zijn voor langverleende gunsten? Stel dat ik dat zou willen ? wie wil mij nog? Wie neemt zo'n gehate vrouw nog op zijn trotse schepen mee? Ocharme, je wist toch van Laomedons verraad? Je voelt het toch? En dan? Zal ik alleen, slechts vergezeld door juichend scheepsvolk, hier weggaan, of met al de mijnen, al die Tyriërs, die ik zo kortgeleden dwong om Sidon te verlaten? Moeten zij wéér de zeilen hijsen en de zee op gaan? Nee, sterven is mijn loon. Het zwaard zal mijn verdriet doen zwijgen. Jij, Anna, zwichtte voor mijn tranen, jij begon mijn hartstocht aan zoveel leed en aan mijn vijand uit te leveren! Het is mij niet gegeven zonder huwelijk, zonder blaam, vrij als een dier te leven, zonder zoveel pijn te voelen...
De trouw die ik Sychaeus' as beloofd heb, is geschonden." Aldus de diepe klachten die zij uit haar hart liet wellen.
Aeneas sliep. Nu vastbesloten weg te gaan sliep hij op 't hoge achterdek. De vloot lag klaar om te vertrekken. Maar in zijn droom kwam de verschijning van dezelfde god als kort tevoren naast hem staan om hem opnieuw te manen, in alles lijkend op Mercurius, zijn stem, zijn kleur, zijn blonde lokken en zijn fraaie jeugdige gestalte: "Godinnenzoon! Kun jij nog slapen op een uur als dit? Merk je dan niet, jij dwaas, wat voor gevaren jou straks wachten? Die vrouw daar broedt op list en vrees'lijk onheil, vastbesloten te sterven, razernij jaagt haar in woeste golven op. Vertrek met haast, zolang je nog de tijd hebt je te haasten! Je zult de zee zien schuimen van de schepen, fakkelvuur wild op zien lichten en het strand zien trillen van de vlammen, als straks Aurora jou nog steeds in dit gebied betrapt. Kom, snel! Maak voort! Niets zo veranderlijk en wispelturig als vrouwen!" Met dat woord verdween hij in de zwarte nacht.
Dan schudt Aeneas, opgeschrikt door dit zo vluchtig droombeeld, zichzelf goed wakker en laat ook zijn makkers niet met rust: "Gauw, mannen! Wakker worden! Zet je aan de riemen! Wikkel de zeilen los, en snel! Een god vanuit de hoge hemel maant mij nu voor de tweede maal al haastig weg te gaan, de kabels los te slaan... O hoge god, wie u mag zijn, wij luisteren opnieuw en volgen juichend uw bevelen. Help ons, sta ons genadig bij en laat de sterrenlucht ons gunstig leiden!" ? Na dit woord rukt hij zijn fonk'lend zwaard tevoorschijn, en kapt met het blote staal de touwen door. Dan grijpt eenzelfde ijver allen aan: 't is haastje-repje, het hele strand raakt leeg, de zee gaat schuil onder de vloot, ze roeien dat het spat en schuimt en scheren over 't water.

Reeds had Aurora het saffranen bed van Tithonus verlaten om de aarde met haar vroege licht te kleuren. Zodra de koningin vanuit haar raam de dag ziet lichten en ginds Aeneas' vloot ziet gaan, de zeilen in gelid, en merkt dat alles stil is op het strand en in de haven, stompt zij zich driemaal, viermaal op haar fraaie borst, rukt wild aan haar blonde haar en roept: "Bij Jupiter! Die vreemdeling kan zomaar weggaan en mijn koninkrijk te schande maken? Waar blijft mijn leger? Waarom hem niet achternagegaan met heel de stad, de vloot niet snel naar zee gestuurd? Vooruit dan, breng fakkels aan, haal wapens! Werp u op de riemen, snel! Wat zeg ik? Of waar ben ik? Wat voor waanzin maakt mij gek? Ach, arme Dido! Nu pas treft je onheilsdaad je echt! Dat had zo moeten zijn, toen jij de macht afstond! Is dit dan het erewoord van iemand die de goden van zijn stad gered heeft-zegt men - en zijn oude vader op zijn schouders getild heeft? 'k Had zijn lijf aan stukken moeten snijden en verstrooien over zee, zijn vrienden, zelfs Ascanius vermoorden en als maaltijd aan de vader presenteren! Dat was een hachelijke zaak geweest, maar wat dan nog: wat deert mij, met de dood voor ogen? 'k Had het vuur tot in zijn tenten moeten werpen, en zijn vloot doen vlammen; vader en zoon en iedereen verbranden, en mijzelf erbij! O Zon, die met uw stralen alle aardse daden licht geeft! O Juno, die mijn liefdespijnen kent en kan verstaan! O Hecate, die 's nachts op elke driesprong wordt geroepen! O Furiën en al wie macht heeft over Dido's dood, luister, en laat verdiende godenwraak het kwaad bestraffen, verhoor mijn smeken: als die man met zijn vervloekte naam dan echt zijn land moet zoeken en zijn haven moet bereiken, als Jupiter dat zo beschikt heeft en dat doel hem dwingt, stuur hem dan wel de kwelling toe van strijd en oorlog tegen een dapper volk, van vlucht uit eigen land, gescheiden van zijn julus. Laat hem bedelen om hulp, zien hoe zijn mannen smadelijk sneuvelen, en na een eerloos vredespact niet van zijn rijk en langverwachte levensrust genieten, maar sterven vóór zijn tijd, in eenzaamheid en zonder graf! Dit bid ik. Met mijn bloed laat ik mijn laatste woorden vloeien. En u, Carthagers! U moet later al wie na hem komen met haat bestoken en aldus uw eer bewijzen aan mijn as. Geen liefde, geen verbond mag met ons volk bestaan! En uit mijn graf zal eenmaal wraak verrijzen: een Carthager die die Trojaanse kolonisten met zijn vuur en zwaard doet vluchten, nu of later, op het uur dat macht gaat spreken! Ik bid om vijandschap van kust tot kust, van zee tot zee, van leger tegen leger; strijd voor hen en al hun zonen..." Ze stokte, wijdde zich nu in gedachten aan de vraag hoe zij zo snel als kon het boze daglicht zou verbreken.
Dan spreekt ze 'n enkel woord tot Barce, voedster van Sychaeus, - haar eigen voedster lag allang in Sidon in haar graf: "Ach, lieve voedster, roep mijn zuster Anna, haal haar hier, zeg dat ze zich direct moet reinigen met stromend water en voor het vee en de genoemde offergaven zorgt - dat eerst. Jij moet ook zelf je hoofd met offerbanden tooien. Ik wil het offer voor de onderaardse Jupiter dat ik heb voorbereid, volbrengen; afscheid nemen van mijn liefdespijn, en wat nog rest van die Trojaan verbranden." Zo sprak zij, en het oudje repte zich zo snel zij kon.

Bevend en buiten zinnen door haar vreselijk besluit stuift Dido met een wilde blik uit bloeddoorlopen ogen, haar bang gelaat vol vlekken en door 't naderen van de dood lijkbleek, over de binnenplaats, beklimt daar in haar waanzin de hoge stapel hout, grijpt naar Aeneas' zwaard-dat hij haar niet voor dit gebruik had nagelaten en ontbloot het. Eerst werpt ze nog een blik op zijn Trojaanse kleren, op hun beider bed, breekt bij het zien in tranen uit, slechts even, zet zich er dan op neer en spreekt haar laatste woorden uit: "Dierbare kleren, voor zolang het hemels lot ze dierbaar liet zijn... ontvang mijn ziel, verlos me van mijn liefdespijn! Ik heb geleefd, de tocht volbracht, zoals Fortuna aanwees. Nu zal mijn schim in al haar grootheid onder aarde gaan. Een stad vol roem heb ik gesticht, mijn burcht voltooid gezien, mijn man gewroken, mijn op kwaad beluste broer doen boeten. Gelukkig zou ik zijn, ach, te gelukkig, als mijn kusten maar nooit door die Trojaanse schepen waren aangeraakt!' Hierna drukt zij haar lippen op het bed, en roept: "Mijn sterven blijft zonder wraak, maar sterven moet... Zo wil ik het, zo zal mijn einde zijn... Hij mag uit zee mijn vlammen zien, die wrede Trojaan, en met het onheilsteken van mijn dood op weg gaan!" Dan blijft het stil. Haar huisgenoten zien hoe zij zich tijdens dat laatste woord al op het staal gestort heeft, hoe het zwaard schuimt van het bloed, haar handen rood zijn... Hun geschreeuw stijgt op door hoge zalen, het gerucht jaagt rond en schokt de stad. De huizen janken van het klagen, van de schrille kreten van vrouwen, en de hoge lucht weergalmt van luide rouw - precies alsof na 'n inval van de vijand heel Carthago instortte, of het oude Tyrus, en de vlammen zich ziedend van dak naar dak, van huis naar tempelgevel haastten.
Doodsbang bij 't horen van die angstige paniek komt daar haar zuster aangerend, tot bloedens toe haar wangen krabbend, zich stompend op de borst, en roepend tot de stervende: "Dido! Was dit je opzet? Moest mijn hulp een leugen dienen? Dit bracht mij dus die stapel hout, dat offervuur? Wat geeft de meeste pijn? Dat ik hier sta: je had je trouwe zuster niet nodig in je doodsstrijd! Had dit lot met mij gedeeld! Dezelfde pijn had ons tezelfdertijd in 't zwaard doen sterven! Bracht ik met deze handen hout, moest ik tot onze goden gaan bidden om-hoe wreed! - er zelf niet bij te zijn, toen jij daar neerviel? Zusterlief, je hebt jezelf en mij gedood, je volk uit Sidon en je stad... Breng water aan, laat mij nu haar wonden wassen, en zolang haar nog een laatste adem rest, die met mijn lippen vangen.." Met dat woord had zij de treden bestegen, sloeg haar armen om haar zuster, die nog leefde, en depte klagend met haar kleed het donkerrode bloed. Dido probeerde haar geloken blik op haar te richten, maar gaf het op - de wond diep in haar lichaam deed haar kreunen. Driemaal kwam zij wat hoger, steunend op een elleboog, driemaal viel zij weer terug op bed, zocht met verdwaalde blikken het zonlicht aan de hemel op en zuchtte toen zij 't vond.
Toen stuurde Juno, de almachtige godin, uit deernis met zoveel leed en moeizaam lijden, Iris naar omlaag: zij moest de worstelende ziel uit het omknellend lichaam bevrijden. Want omdat de arme Dido zonder schuld en onvoorzien voortijdig stierf, ten prooi aan blinde hartstocht, was door Persephone nog niet een blonde haarlok van haar hoofd geknipt, en mocht ze niet het Stygisch rijk betreden. En zo daalt Iris op saffranen vleugels, rijk bedauwd en met een sleep van duizend kleuren die de zon weerkaatsen, vanuit de lucht, en stelt zich bij haar op: "Ik wijd dit haar aan Hades, op bevel, en ik verlos je uitje lichaam," zegt ze en snijdt een lok af. Tegelijk is elke warmte verdwenen en haar leven weggevlogen op de wind.

 

Aeneis, 6, 440-444 en 450-476

Dido's ziel is naar het dodenrijk gegaan, terwijl Aeneas noordwaarts is gevaren om zijn rijk in Italië te stichten. Toch zullen zij elkaar nog eenmaal ontmoeten: als Aeneas bij Cumae op de kust van Italië is geland, vraagt hij daar aan de Sibylle, de priesteres van de Apollotempel, toestemming om in de onderwereld de schim van zqn vader Anchises te bezoeken. Zij begeleidt hem op die tocht, die in boek 6 wordt beschreven. Aan het eind ervan spreekt Aeneas met zijn vader, die hem veel over zijn nageslacht voorspelt en hem verschillende zielen aanwijst die laterdoorzielsverhuizing beroemde Romeinen zullen worden. Maar daarvoor al, vlak na de overtocht over de Styx, heeft Aeneas Dido's schim ontdekt.

Niet ver vandaar ontvouwen zich in alle richtingen de Velden van Verdriet-zoals die plek altijd genoemd wordt. Daar schuilen schimmen die door wrede liefdeswond en pijn zijn weggekwijnd. Langs stille paden gaan ze, in de schaduw van mirtebossen; hun verdriet knaagt voort, ook in de dood.
Ook Dido, de Carthaagse koningin, is daar; zo kort na eigen moord dwaalt zij dat grote bos door. Als Aeneas, de held uit Troje, in haar buurt komt en in duisternis haar schim herkent - zoals men wel bij nieuwe maan een lichtschijn tussen de nevels door ziet komen of dat meent te zien - vloeien zijn tranen en hij spreekt haar toe in zoete liefde: "Dido! Jij, ongelukkige! Het was dus waar wat mij bericht is: dat je met het zwaard je leven hebt beëindigd! Was ik de oorzaak van je dood? Ach! Bij de sterren, bij de goden zweer ik je, indien mijn woord ook onder aarde geloof wekt: ongewild moest ik, mijn koningin, je kust verlaten! 't Was op godsbevel dat ik je rijk ontvluchtte en nu door diepe duisternis en ruwbegroeid terrein hier tussen al die schimmen loop. Ik kon ook niet vermoeden dat ik je met mijn afscheid zoveel pijn zou doen. Nee, blijf toch staan! Ontloop mij niet en zie mij aan, want wie ontloop je? Dit zijn de laatste woorden die het lot ons samen gunt!" Zo sprekend wil Aeneas haar verbitterd hart, haar ogen vol boosheid milder stemmen, haar bewegen tot een traan, maar zij blijft afgewend hardnekkig naar de bodem staren en haar gelaat blijft bij zijn eerste woorden even kil als hard graniet en onbewegelijk als Delosmarmer. En dan tenslotte neemt zij een besluit en vlucht uit haat het schimmenrijke bos in, waar haar eerste man, Sychaeus, haar in haar droefheid troost en even grote liefde toont. Aeneas volgt haar nog langdurig met betraande ogen en voelt een diepe deernis om haar onverdiende lot.