|
Klassieke Talen
Semonides van Amorgos, Acht soorten vrouwen.
De vrouw kreeg van de god in den beginne
Vele gestalten mee. Zij lijkt een borstelig zwijn
Als er bij haar een morsige troep dingen
Over de vloer rondslingert, en zij zelf onrein
Gekleed in vuile jurken van goor linnen
Zich volvreet tussen al die rommel binnen.
De tweede vrouw lijkt door de god geschapen
Naar wat de loze vos is; 't tegendeel van dom
Heeft zij direct elk voordeel in de gaten,
Elk nadeel ook, en dikwijls blijft ze praten
Tot nadeel voordeel wordt, en praat zo om en om.
De derde lijkt een hond: terstond opdringerig
Wil ze van alles weten, alles horen
Spiedend in 't rond en snuffelend, en hinderlijk
Doorjankend, als geen mens haar aan wil horen.
Dan kan geen man, geen dreigement haar storen,
Zelfs niet als hij haar tanden onverbiddelijk
Zou uitslaan met een steen, of - als er gasten zijn -
Iets meer beminnelijk haar stem zou smoren.
Zo wars en eigenzinnig is haar grote mond.
De vierde is door de goden ooit van klei gekneed
En als een kleipop aan de man gegeven.
Niets goeds of kwaads valt met haar te beleven,
Ze voert ook nooit iets uit, behalve als ze eet,
En bij een felle kou trekt ze nooit even
Haar stoel tot bij het vuur, omdat ze dat vergeet.
De vijfde vrouw is wisselend humeurig
Gelijk de zee: eerst lijkt ze fris en fleurig
En elke buitenstaander die haar zo ontmoet
Prijst haar uitvoerig : 'Ah, nooit zag ik eerder
Een vrouw zo mooi, zo goed op heel de wereld!'
Maar daarna doet ze bars en sikkeneurig,
Is ongenietbaar en ook niet om aan te zien,
Meer als een teef, die bij haar nest met jongen
Elkeen die nader komt als vijand of als vriend
Nors afgromt en onhartelijk verwelkomt.
De zesde is als een paard dat met z'n manen pronkt.
Zo'n vrouw verafschuwt slavenwerk en sloven,
Raakt nog geen maalsteen aan, draait nooit een zeef in 't rond,
Bezemt ook nooit eens zelf het huisvuil van de grond
En komt nooit in de buurt van haard of oven
Uit angst voor roet. Ze mint haar man, omdat dat moet
En wast zich elke dat tot twee- of driemaal toe
Het hele lijf van onderen tot boven,
Beoliet zich niet rnirrezalf en draagt het haar
Diep uitgekamd en opgedoft met rozen.
En iedereen mag dan haar schoonheid loven,
Maar voor haar eigen man betekent zij een ramp,
Tenzij hij koning is, of een tiran, omdat
Die graag in dit soort pronkjuweel geloven.
De zevende is een aap, en vast en zeker
Is zij het grootste kwaad dat Zeus de mannen zond.
Zo lelijk is ze om te zien. Ze wordt op straat
Dan ook alom bespot en nagekeken
Zonder dat haar dat deert - zoals 't een aap vergaat.
Ze heeft veel weinig nek en veel te weinig kont
En beent wat traag steeds op dezelfde plek in 't rond.
Wie zoiets moet omarmen, is een zielig man,
Want ondertussen kent ze ook nog streken
Die nooit in iemands voordeel zijn, integendeel,
Zij is er steeds op uit om als 't even kan
Elk medemens de nek te laten breken.
Maar de achtste is een bij. Gelukkig wie haar heeft.
Zij is de enige vrouw aan wie geen nadeel kleeft
En 't leven krijgt met haar meer glans en waarde,
Omdat ze haar man edele zoons zal baren
En tot haar oude dag in liefde naast hem leeft.
Te midden van haar zusters en vriendinnen
Sprak zij alom een soort godinnengratie uit,
Ze voelt zich bij die andere vrouwen binnen
Met al hun minnepraatjes vaak heel weinig thuis.
Een vrouw als zij wel het allerdeugdzaamst
En allerbest geschenk dat men kan winnen.
De hele rest is volgens het bestier van Zeus
Voor elke man een niet meer weg te denken kruis.
 
|