|
Klassieke Talen
Plato, Apologie van Sokrates
In 399 v. C. werd de toen zeventigjarige Sokrates aangeklaagd, ten
eerste omdat hij niet geloofde aan de goden van de staat, maar aan andere
nieuwe goddelijke wezens, ten tweede omdat hij de jeugd bedierf. Zijn
drie aanklagers Anytos, Meletos en Lykoon waren met deze aanklacht de
woordvoerders van veel Atheense burgers, die met wantrouwen en ergernis
Sokrates aanzagen, een zonderling die overal in de stad de mensen aanklampte
en hun bewees dat zij van de gewone begrippen die zij dagelijks hanteerden,
geen rekenschap konden afleggen, zodat hun weten een schijnweten bleek
te zijn. Hij was steeds omzwermd door een troep jongeren, die hem vereerden
en aan zijn lippen hingen, wier geloof aan de goden en aan de traditionele
normen hij door zijn spitsvondige redeneringen ondermijnde.
Sokrates verdedigde zichzelf tegen deze beschuldigingen voor een jury
van 500 leden, nadat hij geweigerd had zich door vrijwillige ballingschap
aan het proces te, onttrekken. Met een kleine meerderheid werd het schuldig
tegen hem uitgesproken; daarna werd hij volgens de eis van de aanklagers
veroordeeld tot de dood door de gifbeker.
Wat voor indruk, mannen van Athene, mijn aanklagers op jullie hebben gemaakt,
weet ik niet. Maar ik ben bijna aan mij zelf gaan twijfelen; zo overtuigend
spraken zij. En toch, iets waars hebben zij, bij wijze van spreken, niet
gezegd. Het meest verbaasde ik mij over één van de vele
leugens die zij hebben verteld, toen zij jullie waarschuwden op jullie
hoede te zijn niet door mij te worden bedrogen; omdat ik een welsprekend
man ben. Dat zij zich niet hebben geschaamd dit te zeggen, terwijl zij
op slag en door de feiten zelf zullen worden weerlegd, wanneer ik zal
blijken allerminst welsprekend te zijn, dat leek mij wel het meest schaamteloos.
Of zij moesten welsprekend noemen iemand die de waarheid zegt. Als zij
dat bedoelen, zou ik kunnen toegeven een redenaar te zijn, maar niet volgens
hun opvatting. Zij hebben dus, zoals ik zeg, vrijwel geen waar woord gesproken.
Van mij evenwel zul je de volle waarheid horen; maar bij Zeus, Atheners,
geen opgesmukte rede zoals die van hen, gesierd met mooie termen en frasen.
Neen, je zult horen gewone woorden zoals ze toevallig bij mij opkomen,
want ik heb vertrouwen in de rechtvaardigheid van wat ik ga zeggen. Laat
niemand iets anders verwachten. Het zou natuurlijk ook niet passen aan
iemand van mijn leeftijd voor jullie op te treden als een jeugdige knaap,
die zijn woorden kunstig kneedt. Daarom, Atheners, verzoek ik en smeek
ik jullie dringend één ding: als je mij bij mijn verdediging
dezelfde woorden hoort spreken, waarmee ik gewoon ben te spreken op de
markt bij de tafels van de wisselaars, waar velen uwer mij hebben gehoord,
en ook elders, verbaas jullie dan niet en houd jullie rustig. De zaak
is namelijk deze: het is nu de eerste maal dat ik, een man van zeventig
jaren, voor het gerecht verschijn. Ik ben dus volkomen onbekend met de
spreektrant hier. Indien ik inderdaad een vreemdeling was, zou je het
mij natuurlijk vergeven, als ik in die taal en op die wijze sprak waarin
ik was opgevoed. Evenzo verzoek ik jullie nu hierom ? en dat is, dunkt
mij, redelijk ? mij mijn wijze van spreken te laten; misschien is die
slechter, misschien ook beter. Wil alleen hierop letten en dit in het
oog houden, of het recht is wat ik zeg of niet. Want dit is de taak van
een rechter; de taak van de redenaar is de waarheid te spreken.
Vooreerst, Atheners, moet ik mij verdedigen tegen de valse beschuldigingen
die het eerst tegen mij zijn ingebracht en tegen mijn eerste aanklagers,
daarna tegen de latere beschuldigingen en aanklagers. Want ik heb veel
aanklagers gehad en sinds vele jaren, die mij vals hebben beschuldigd.
Hen vrees ik meer dan Anytos en de zijnen, al zijn ook die gevaarlijk.
Maar die anderen, mijne heren, zijn gevaarlijker, die de meesten van jullie
van kind af als leerlingen aannamen en jullie bepraatten en onwaarheden
tegen mij inbrachten: dat er een zekere Sokrates was, een wijs man, die
de hemellichamen bestudeert en alle dingen onder de aarde onderzocht heeft
en die het kromme recht praat. Dat, Atheners, zijn mijn werkelijk gevaarlijke
aanklagers, die deze praatjes hebben rondgestrooid. Want wie naar hen
luistert meent dat zij die deze dingen navorsen, ook niet aan goden geloven.
Bovendien zijn die aanklagers talrijk en zij hebben mij reeds lange tijd
beschuldigd, jullie bepratend op de meest ontvankelijke leeftijd, toen
je kinderen was, of sommigen van jullie misschien jongemannen. En zij
hadden volkomen vrij spel, want er was niemand die mij, verdedigde. Het
onzinnigste is dat ik hun namen niet kan weten en noemen, tenzij er toevallig
een blijspeldichter onder hen is. Allen die uit afgunst en lasterzucht
jullie plachten te bepraten en die, zelf overtuigd, anderen overtuigden,
die allen zijn het moeilijkst te bestrijden. Want het is niet mogelijk
iemand van hen hier te laten verschijnen en hem te weerleggen, maar ik
moet noodzakelijk in mijn verdediging volkomen als tegen schaduwen vechten
en weerleggen zonder dat iemand antwoord geeft. Ook jullie moeten er dus
van overtuigd zijn dat ik, zoals ik zeg, tweeërlei aanklagers heb:
ten eerste hen die mij zo-even hebben beschuldigd, ten tweede hen die
dat sinds lang doen, over wie ik sprak. Neem van mij aan dat ik mij het
eerst tegen deze laatsten moet verdedigen; want je hebt hun beschuldigingen
het eerst gehoord en veel vaker, dan van deze latere.
Welnu. Ik moet mij dus verdedigen, Atheners, en trachten de kwade dunk
uit jullie hart weg te nemen, .die jullie gedurende, lange tijd hebben
verzameld, en nog wel wegnemen in een zo kort ogenblik. Ik zou willen
dat ik daarin mocht slagen, als dat beter is voor jullie en voor mij,
en met mijn verdediging succes oogsten. Maar ik meen dat dit moeilijk
is, en ik verheel mij niet hoe het er mee gesteld is. Toch moet het gaan
zoals het de godheid behaagt; ik moet gehoorzamen aan de wet en mij verdedigen.
Laten wij dus van het begin af nagaan wat de beschuldiging is waaruit
mijn slechte naam is ontstaan, waaraan Meletos geloof schonk, zodat hij
deze aanklacht tegen mij heeft ingediend. Laat ons zien: welke lasterpraat
verkondigden de lasteraars? Als van werkelijke aanklagers moet ik hun
aanklacht voorlezen: 'Sokrates is een boosdoener; hij houdt zich onledig
met het onderzoek van de dingen onder de aarde en aan de hemel en met
het kromme recht te praten en met diezelfde dingen aan anderen te onderwijzen.'
Dat is het ongeveer. Dat hebben jullie ook zelf gezien in het blijspel
van Aristophanes; daar liep een zekere Sokrates rond, die beweerde luchtwandelaar
te zijn en veel andere onzin uitkraamde, waarvan ik niet het minste ?
noch veel noch weinig ? verstand heb. En ik zeg dat niet, omdat ik een
dergelijke wetenschap minacht, indien iemand over zulke dingen wijsheid
bezit, maar, Atheners, ik weet van die dingen niets af. De meesten van
jullie roep ik tot getuigen en ik verzoek jullie het aan elkander te leren
en te zeggen, jullie allen die mij ooit hebt horen spreken, en dat zijn
er niet weinigen. Zeg dus aan elkander of iemand van jullie mij ooit weinig
of veel over dergelijke zaken heeft horen spreken. Daaruit zulje begrijpen
dat het ook zo gesteld is met de andere dingen die de mensen van mij vertellen.
Niets van dit alles is waar en als je van de een of ander hebt gehoord
dat ik mensen tracht op te voeden en daarmee geld verdien ? ook dat is
niet waar. Toch schijnt mij ook dat een mooi ding te zijn, als men in
staat zou zijn mensen op te voeden, zoals Gorgias uit Leontini en Prodikos
uit Kos en Hippias uit Elis. Want ieder van hen, naar welke stad hij ook
gaat, speelt het klaar om de jongelingen die van hun medeburgers ? van
wie ze maar willen ? gratis les krijgen, te overreden dat onderwijs in
de steek te laten en les te nemen van hen, waarvoor zij moeten betalen
en bovendien dank betuigen. Zo is er ook nog een ander wijs man, die,
naar ik hoorde, hier verblijf houdt.
Ik ontmoette namelijk iemand die aan de sofisten meer geld heeft betaald
dan alle anderen samen. Kallias, de zoon van Hipponikos. Ik vroeg hem
? want hij heeft twee zoons -"Kallias," zei ik, "als jullie
beide zoons veulens waren of kalveren, dan zouden we voor hen een opzichter
nemen en betalen, die hen tot voortreffelijke dieren zou maken in de deugd
die bij hen past. Dat zou dan een paardenkenner zijn of een landman. Maar
nu zij twee mensenkinderen zijn, wie ben je nu van plan te nemen als hun
opzichter? Wie is kundig in zulke deugd, de menselijke en maatschappelijke
deugd? Want natuurlijk heb jij door het bezit van je zoons daarover nagedacht.
Is er zo iemand, zei ik, of niet?"
"Stellig," zei hij.
"Wie dan?" zei ik, "en waarvandaan, en voor hoeveel geeft
hij les?"
"Euenos," antwoordde hij, "uit Paros, voor vijfhonderd
drachmen."
Ik prees Euenos gelukkig, als hij werkelijk die gave bezit en zo goedkoop
lesgeeft. Ik zou tenminste ook zelf mij erop beroemen en trots zijn, als
ik die kunst verstond. Maar ik versta die niet, Atheners.
Misschien zou iemand van jullie mij nu kunnen tegenwerpen: "maar,
Sokrates, wat doe je dan eigenlijk? Vanwaar die lasterpraatjes over jou?
Het is toch niet denkbaar dat, wanneer je niet iets bijzonders deed, anders
dan de anderen, zo veel rumoer en gepraat was ontstaan. Zeg ons dus wat
dat is, opdat wij niet zo maar klakkeloos over je oordelen."
Wie zo spreekt, zegt, dunkt mij, iets verstandigs en ik zal trachten jullie
duidelijk te maken wat het toch wel is, dat mij die naam en die laster
heeft bezorgd. Luister dus. Misschien zullen sommigen van jullie denken
dat ik scherts. Maar weet wel, ik zeg jullie de volle waarheid. Ik heb,
Atheners, die naam gekregen door niets anders dan door een zekere wijsheid.
Wat voor wijsheid dat is? Misschien ?menselijke wijsheid. Inderdaad schijn
ik daarin wijs te zijn. Maar zij die ik zojuist noemde, zijn misschien
wijs in een bovenmenselijke wijsheid, of ik weet niet hoe ik die noemen
moet. Want ik zelf versta die niet, en wie dat beweert, liegt en zegt
het om mij te belasteren. Hoor mij rustig aan, Atheners, ook indien je
vindt dat ik iets buitensporigs zeg. Want wat ik ga zeggen is niet mijn
woord, maar ik zal jullie verwijzen naar een geloofwaardig zegsman. Want
van mijn wijsheid, wat en hoe die ook moge zijn, zal ik je als getuige
geven de god in Delphi. Je kent vermoedelijk Chairephoon. Hij was van
jongs af mijn vriend en hij is met de meesten van jullie in ballingschap
gegaan en is met jullie naar huis teruggekeerd. Dus weet je ook wat voor
een man Chairephoon was, hoe onstuimig bij alles wat hij zich voornam.
Eens toen hij in Delphi kwam, waagde hij het volgende aan de god te vragen.
Maar, zoals ik al zei, maak nu geen geraas, mannen. Want hij vroeg of
er iemand bestond wijzer dan ik. De Pythia antwoordde dat niemand wijzer
was. Dat kan zijn broeder hier voor jullie getuigen, want Chairephoon
is gestorven.
Bedenk nu waarom ik dit vertel. Ik wil jullie namelijk duidelijk maken
waaruit de laster tegen mij is ontstaan. Want toen ik dat gehoord had
overlegde ik, aldus: wat bedoelt toch de god en wat is dit voor raadseltaal?
Want ik ben mij bewust dat ik noch veel noch weinig wijsheid bezit. Wat
bedoelt hij dan, wanneer hij zegt dat ik de meest wijze ben? Want liegen
doet hij natuurlijk niet; dat past niet bij hem. Lange tijd was ik in
onzekerheid wat hij wel bedoelde. Daarna ben ik na lange tweestrijd de
volgende onderzoekingstocht begonnen. Ik ging naar één van
hen die de naam hebben wijs te zijn, om, zo ergens, hier de godsspraak
te weerleggen en aan het orakel te tonen: die man is wijzer dan ik, maar
jij hebt het van mij gezegd. Ik stelde hem dus op de proef ? zijn naam
behoef ik niet te noemen; het was een van de staatslieden bij wiens onderzoek
ik zoiets ervoer, Atheners ? toen ik met hem een gesprek aanknoopte, ontdekte
ik dat deze man wel wijs scheen te zijn aan veel andere mensen en vooral
aan zichzelf, maar het niet was. Toen trachtte ik hem duidelijk te maken
dat hij wel meende wijs te zijn, maar het niet was. Het gevolg was dat
ik mij zijn haat op de hals haalde, evenals van vele aanwezigen. Ik ging
heen en overwoog bij mijzelf dat ik wijzer was dan die man. Geen van ons
beiden schijnt te weten wat schoon is en goed, maar hij meent iets te
weten zonder dat hij het weet en ik, onwetend als ik ben, meen ook niet
het te weten. Ik schijn in elk geval een klein beetje wijzer te zijn dan
hij, juist hierdoor dat ik wat ik niet weet ook niet meen te weten. Daarna
ging ik naar iemand anders van hen die voor wijzer golden dan hij, en
ik kwam tot dezelfde ontdekking. Ook daar maakte ik mij gehaat bij hem
en bij vele anderen.
Daarna ging ik verder de rij langs en ik bemerkte tot mijn verdriet en
vrees dat ik mij gehaat maakte. Toch zag ik mij genoodzaakt de uitspraak
van de god het hoogst te stellen. Gaan moest ik dus en de betekenis van
de orakelspreuk onderzoeken, gaan naar allen die iets schenen te weten.
En waarachtig, Atheners, want de waarheid moet ik jullie zeggen, ik heb
inderdaad de volgende ervaring opgedaan: zij die het meest beroemd werden,
schenen mij bijna het meest te kort te komen, toen ik zocht volgens de
wil van de god; en anderen die geringer werden geacht schenen mij rijker
aan inzicht te zijn.
Ik moet jullie mijn zwerftocht verhalen. en de moeite die ik mij getroostte,
opdat de orakelspreuk niet onweerlegbaar zou zijn. Na de staatslieden
ging ik naar de dichters van treurspelen en koorliederen, en naar de andere,
om mijzelf daar op heterdaad te betrappen dat ik minder wijs was dan zij.
Ik nam dus hun gedichten ter hand, die mij voorkwamen het nauwkeurigst
door hen bewerkt te zijn, en ik vroeg hun wat zij betekenden, om meteen
iets van hen te leren. Ik schaam mij, mannen, om jullie de waarheid te
zeggen. Toch moet ik het zeggen. Om zo te zeggen bijna alle aanwezigen
spraken beter over hetgeen die dichters zelf hadden gemaakt. Ik begreep
ook van de dichters al spoedig dat zij hun gedichten niet maakten door
wijsheid, maar door een natuurlijke aanleg,en bezieling, zoals de zieners
en de orakelpriesters. Want ook dezen zeggen veel schoons, maar weten
niets van hetgeen zij zeggen. Hetzelfde lot, meende ik, hadden ook de
dichters ondergaan. Bovendien bemerkte ik dat zij wegens hun dichtkunst
meenden ook in de overige dingen de meest wijzen te zijn ? wat ze niet
waren. Ook van hen ging ik dus heen, menend hen te overtreffen in hetzelfde
opzicht waarin ik ook de staatslieden overtrof.
Ten slotte ging ik naar de handwerkslieden. Want ik was mij bewust dat
ik om zo te zeggen niets wist, maar dat ik bij hen veel schone kunde zou
aantreffen. En hierin bedroog ik mij, niet. Zij wisten dingen die ik niet
wist, en in zoverre waren zij wijzer dan ik. Maar, Atheners, dezelfde
fout die de dichters hadden, ontdekte ik bij de goede werklieden ook.
Omdat zij hun kunst goed uitoefenden, meenden zij allen ook in de andere
gewichtigste zaken zeer wijs te zijn en deze dwaling verduisterde die
andere wijsheid. Dus stelde ik mij in naam van het orakel de vraag of
ik moest aanvaarden te zijn zoals ik ben ? noch wijs in hun wijsheid,
noch onwetend in hun onwetendheid ?of moest kiezen beide dingen die zij
hebben ook zelf te hebben. Ik gaf mijzelf en het orakel ten antwoord dat
het voor mij maar beter was te zijn zoals ik ben.
Deze onderzoekingstocht, Atheners, heeft mij veel vijandschap bezorgd
en wel een zeer bittere en zware, waaruit veel laster is voortgekomen
en waardoor ik de naam kreeg wijs te zijn. Want telkens weer geloven de
omstanders dat ik in de dingen, waarin ik de onwetendheid van een ander
aantoon, zelf wijsheid bezit. In werkelijkheid, mannen, schijnt de god
wijsheid te bezitten en in die orakelspreuk dit te zeggen, dat de menselijke
wijsheid weinig of niets waard is. Klaarblijkelijk zegt hij niet dat Sokrates
wel de wijsheid bezit, maar hij gebruikt mijn naam en stelt mij tot voorbeeld,
alsof hij wilde zeggen: mensen, deze is van jullie de meest wijze, die
evenals Sokrates heeft ingezien dat hij in wijsheid eigenlijk niets waard
is. Dat is het wat ik ook nu nog op mijn rondgang in opdracht van de god
onderzoek en naspeur bij burgers en vreemdelingen, als ik vermoed dat
iemand wijs is. En vind ik dat hij het niet is, dan help ik de god door
aan te tonen dat hij niet wijs is. Door deze bezigheid heb ik geen tijd
gehad noch in staatszaken noch in mijn persoonlijke zaken iets van enig
belang te presteren; ik leef in de grootste armoede wegens mijn dienstbaarheid
aan de god.
Daarbij komt nog dat de jongelieden die mij uit eigen beweging achterna
lopen ? de zoons van rijken huize, die het meeste tijd hebben ? er plezier
in hebben aan te horen hoe de mensen worden ondervraagd. En dikwijls doen
zij mij zelf na en proberen zij anderen te ondervragen. En dan, zo meen
ik, ontdekken zij een grote overvloed van mensen die iets menen te weten,
maar weinig of niets weten. Daarom worden zij? die door hen ondervraagd
worden, boos op mij en niet op zichzelf en zij zeggen, dat Sokrates een
ellendeling is en de jeugd bederft. En wanneer iemand hun vraagt: wat
doet hij en onderwijst hij dank dan kunnen zij niets zeggen, omdat ze
het niet weten. Om nu hun verlegenheid niet te laten blijken zeggen ze
maar, voor de hand liggende dingen die tegen alle wijsgeren worden ingebracht:
dat ik de dingen aan de hemel en onder de aarde doorvors, dat ik niet
aan de goden geloof, dat ik het kromme recht praat. Want de waarheid,
denk ik, zouden ze niet graag willen vertellen, dat van hen gebleken is
dat zij wel voorwenden iets te weten, maar niets weten. Daar zij nu, zo
meen ik, eerzuchtig zijn en heftig en talrijk, en daar zij nadrukkelijk
en overtuigend over mij spreken; hebben zij met hun langdurige en venijnige
laster jullie oren gevuld. Uit hun midden heeft Meletos zijn aanval op
mij gericht, en Anytos en Lykoon; Meletos, uit ergernis opkomend voor
de dichters, Anytos voor de handwerkslieden en staatslieden, Lykoon voor
de redenaars. Dus ? ik zei het reeds in het begin ? zou ik mij verwonderen,
als ik in staat was die laster, die zo weelderig gegroeid is, in zo korte
tijd uit jullie weg te nemen. Dit, Atheners, is de waarheid; ik heb niets
voor jullie verborgen gehouden, niets groots, niets kleins, niets heb
ik verheimelijkt. En toch weet ik wel zeker dat ik mij juist hierdoor
gehaat maak. Wat bewijst dat ik de waarheid spreek en dat dit mijn kwade
roep is en dat dit de oorzaak er van is. En of je dit nu of later onderzoekt,
zo en niet anders zul je het vinden.
Over de beschuldigingen die mijn eerste aanklagers tegen mij hebben ingebracht,
moge ik met deze verdediging volstaan tegen Meletos, de brave, de goede
vaderlander naar hij beweert, en de latere aanklagers zal ik hierna trachten
mij te verdedigen. Laten wij opnieuw ? want het zijn nieuwe aanklagers
? hun akte van beschuldiging ter hand nemen. Deze luidt ongeveer als volgt:
Sokrates doet onrecht, omdat hij de jeugd bederft en niet gelooft aan
de goden waaraan de staat gelooft, maar aan andere nieuwe goddelijke machten.
Zo ongeveer luidt de aanklacht. Laten wij van deze aanklacht ieder punt,
afzonderlijk onderzoeken.
Hij zegt dus dat ik onrecht doe, omdat ik de jeugd bederf. Maar, Atheners,
ik beweer dat Meletos onrecht doet, omdat hij met ernstige dingen spot
en lichtvaardig mensen voor het gerecht brengt, en voorgeeft dat hij zich
beijvert en bezorgd is voor zaken waarom hij zich nog nooit heeft bekommerd.
Dat dit zo is, zal ik trachten jullie duidelijk te maken.
"Welnu, Meletos, zeg mij dit: hecht je er niet veel waarde aan dat
de jeugd zo goed mogelijk zal zijn?"
"Ja."
"Komaan, zeg dan aan deze mensen hier, wie hen beter maakt. Blijkbaar
weet je het, omdat je er waarde aan hecht. De man die hen bederft heb
je, naar je beweert, gevonden en jij brengt mij voor het gerecht en klaagt
mij aan. Welnu, noem nu ook de man die hen beter maakt, en wijs hun aan
wie dat is. Zie je wel, Meletos, dat je zwijgt en geen antwoord kunt geven?
En vind je dat geen schande en een afdoend bewijs van wat ik zeg, dat
het je nooit ter harte is gegaan? Maar zeg op, mijn beste, wie maakt hen
beter?"
"De wetten."
"Maar dat vraag ik niet, mijn vriend. Welke mens, die in de eerste
plaats ook de wetten kent?"
"Deze rechters hier, Sokrates"
"Wat zeg je, Meletos? Zijn zij in staat de jongeren op te voeden
en maken zij hen beter?"
"Zeker."
"Allemaal, of sommigen van hen wel, anderen niet?"
"Allen."
"Dat is, bij Hera, een mooi ding wat je daar zegt ? een grote overvloed
van verbeteraars. En verder? Maken ook de toehoorders hen beter of niet?"
"Zij ook. En de raadsleden?"
"Ook de raadsleden."
"Maar Meletos, de volksvergadering, de leden daarvan, die bederven
de jeugd toch zeker niet? Maken zij allen hen ook beter?"
"Ook zij."
"Alle Atheners dus, naar het schijnt, maken hen goed behalve ik,
ik alleen bederf hen. Bedoel je het zo?"
"Precies, dat bedoel ik."
"Wel een zeer ongelukkig oordeel heb je over mij uitgesproken. En
antwoord me: is het ook zo met de paarden, dat zij die hen beter maken
alle mensen zijn en hij die hen bederft één? Of is het juist
andersom en is er slechts één of zijn er slechts heel weinigen
die hen beter kunnen maken, de paardenfokkers? En bederven de mensen de
paarden, wanneer zij ermee omgaan en ze gebruiken? Is het zo niet, Meletos,
met de paarden en alle andere levende wezens? Stellig, of jij en Anytos
het nu toegeeft of niet. Want het zou wel een groot geluk zijn voor de
jeugd als één alleen hen bedierf en de anderen hen verbeterden.
Maar, Meletos, jij bewijst voldoende dat je je nog nooit om de jeugd hebt
bekommerd, en je verraadt duidelijk je eigen onverschilligheid, dat niets
van de dingen waarvan je mij aanklaagt, je ooit ter harte is gegaan. Zeg
ons bij Zeus; Meletos, is het beter te wonen in een goede samenleving
of in een slechte? Antwoord, mijn beste man. Mijn vraag is niet moeilijk.
Doen niet steeds de slechten hun naasten kwaad en de goeden goed?"
"Zeker."
"Bestaat er nu iemand die door zijn naasten liever geschaad wordt
dan gebaat? Antwoord, mijn vriend. De wet dwingt je te antwoorden. Is
er iemand die liever geschaad wil worden?"
"Natuurlijk niet."
"Welnu, breng je mij hier voor het gerecht, omdat ik de jeugd bederf
en slechter maak uit vrije wil of tegen mijn wil?"
"Uit vrije wil."
"Hoe nu, Meletos? Ben jij op je jeugdige leeftijd zoveel wijzer dan
ik die zo oud ben, dat jij hebt begrepen dat de slechten altijd hun naasten
slecht doen en de goeden goed, en ben ik tot zulk een graad van domheid
gekomen, dat ik niet weet dat ik als ik een mijner naasten kwaad doe,
gevaar loop kwaad van hem te ondervinden, zodat ik willens en wetens een
zo groot kwaad bedrijf, zoals jij beweert? Dat geloof ik niet van jou,
Meletos, en mij dunkt dat gelooft niemand anders van de mensen. Of ik
bederf ze niet of als ik ze bederf, doe ik dat tegen mijn wil, zodat jij
in beide gevallen liegt. En als ik ze zonder het te willen bederf is het
niet behoorlijk mij om zulke onopzettelijke dwalingen voor dit gerecht
te dagen. Je had mij onder vier ogen moeten onderrichten en de les lezen.
Natuurlijk zal ik dan, als ik het heb ingezien, ophouden te doen wat ik
onopzettelijk doe. Maar je hebt het vermeden mij te ontmoeten en mij te
onderrichten, je hebt het niet gewild, maar je brengt mij hier voor het
gerecht, waar het gewoonte is aan te klagen mensen die straf nodig hebben,
maar niet beter inzicht."
Maar, Atheners, dit is wel duidelijk geworden dat, zoals ik zei, Meletos
zich om deze dingen niet heeft bekommerd, niet veel, niet weinig.
"Zeg me toch, Meletos, hoe je beweert dat ik de jeugd bederf. Volgens
de akte van aanklacht die je hebt ingediend, doe ik dat blijkbaar door
hen te leren niet te geloven aan de goden waaraan de staat gelooft, maar
aan andere nieuwe goddelijke machten. Beweer je niet dat ik door dit onderwijs
hen bederf?"
"Ja, dat beweer ik stellig."
"Bij die goden zelf, Meletos, waarvan nu sprake is: zeg het nog duidelijker
aan mij en aan deze mannen. Want ik begrijp niet goed of je zegt dat ik
hun leer wel aan het bestaan van sommige goden te geloven, en dat ik dus
ook zelf aan het bestaan van goden geloof en niet volkomen atheïst
ben en in zoverre geen onrecht doe; maar niet aan de goden waaraan de
staat gelooft, maar aan andere; en dat dit het is wat je mij verwijt:
geloof aan andere goden. Of bedoel je dat ik zelf in het geheel niet aan
goden geloof en de anderen dat leer?
"Dat laatste bedoel ik dat jij in het geheel niet aan goden gelooft."
"Wonderlijke Meletos, waarom zeg je dat? Geloof ik dus niet dat zon
en maan goden zijn, zoals de overige mensen?"
"Neen bij Zeus, heren rechters, want hij beweert dat de zon een steen
en de maan een aarde is."
"Mijn beste Meletos, je meent zeker Anaxagoras aan te klagen, of
schat je deze mannen hier zo gering en meen je dat zij zo ongeletterd
zijn, dat zij niet weten dat de boeken van Anaxagoras van Klazomenai vol
staan van zulke theorieën? En de jeugd zou dat van mij leren wat
zij, als het duur is, voor een drachme in de boekwinkel kunnen kopen en
Sokrates uitlachen, als hij doet of die theorieën van hemzelf zijn,
te meer omdat het zulke ongerijmdheden zijn. Maar bij Zeus, meen je werkelijk
dat ik aan geen god geloof?"
"Neen, bij Zeus, aan geen enkele."
"Dat gelooft niemand, Meletos, en, naar mij voorkomt, ook jijzelf
niet."
Ik ben van oordeel, Atheners, dat deze man hoogst onbeschaamd is en moedwillig
en deze aanklacht heeft ingediend volkomen uit overmoed en moedwil en
jeugdige onbezonnenheid. Het heeft er veel van of hij een raadsel opgeeft
en onderzoeken wil: zal die wijze Sokrates het merken dat ik scherts en
mijzelf tegenspreek, of zal ik hem en de andere toehoorders om de tuin
leiden? Want hij schijnt mij in mijn aanklacht zichzelf tegen te spreken,
alsof hij zei: Sokrates is schuldig; omdat hij niet aan goden gelooft,
maar aan goden gelooft. Zo praat iemand die schertst.
Ga nu met mij na, rechters, waarom hij mij toeschijnt dit te zeggen. Antwoord
ons dus, Meletos, en jullie heren, zoals ik jullie in het begin al vroeg,
denk er aan geen rumoer te maken, als ik mijn betoog houd op de manier
waaraan ik gewend ben.
"Is er wel iemand, Meletos, die gelooft dat er menselijke zaken zijn,
maar geen mensen? Laat hij antwoord geven, mannen, en niet keer op keer
protesteren. Is er wel iemand die niet gelooft dat er paarden zijn, maar
wel dingen van paarden? Of die niet aan fluitspelers gelooft, maar wel
aan dingen van fluitspelers? Zo iemand is er niet, mijn beste man. Als
je niet wilt antwoorden, zeg ik het aan jou en deze anderen hier. Maar
beantwoord tenminste de volgende vraag: Is er iemand die aan goddelijke
zaken gelooft, maar niet aan goddelijke wezens?"
"Neen."
"Hoe vriendelijk van jou dat je eindelijk hebt geantwoord, door de
rechters gedwongen. Je zegt dus dat ik aan goddelijke zaken geloof en
ze onderwijs, hetzij ze nieuw,zijn, hetzij oud. Maar in elk geval geloof
ik aan goddelijke zaken volgens je woorden en je hebt dat zelfs in jullie
aanklacht onder ede verzekerd. Als ik aan goddelijke zaken geloof, dan
moet ik natuurlijk noodzakelijk aan goddelijke wezens geloven. Is het
niet zo?"
"Ja, zo is het."
"Ik neem aan dat je het eens bent, want je antwoordt niet. En die
goddelijke wezens, beschouwen wij die niet als goden of kinderen van goden?
Ja of neen?"
"Zeker."
"Dus als ik ze als goden beschouw, zoals je toegeeft, en als die
goddelijke wezens een soort goden zijn, dan is het zoals ik zeg: jij geeft
raadsels op en jij schertst door eerst te zeggen dat ik niet aan goden
geloof en dan weer wel, omdat ik aan goddelijke wezens geloof. Als de
goddelijke wezens kinderen van goden zijn, bastaards, geboren uit nimfen
of anderen, naarmate van hen verteld wordt, wie ter wereld kan dan geloven
dat er wel kinderen van goden zijn, maar goden niet? Even ongerijmd zou
het zijn als men wel zou geloven aan kinderen van paarden en ezels, dus
aan muilezels, maar niet aan paarden en ezels. Meletos, je kunt deze aanklacht
onmogelijk ingediend hebben om een andere reden dan of ons daarmee op
de proef te stellen, of omdat je mij van geen werkelijk vergrijp kunt
beschuldigen. Maar dat je iemand die ook maar een beetje verstand heeft,
zou kunnen wijs maken dat dezelfde man gelooft aan bovennatuurlijke en
goddelijke zaken, maar niet aan goddelijke wezens en goden, en heroën,
dat is onmogelijk."
Maar, Atheners, dat ik niet schuldig ben volgens de aanklacht van Meletos,
schijnt mij geen verdere verdediging te vereisen, dit was wel voldoende.
Maar wat ik al eerder zei, dat veel vijandschap tegen mij is ontstaan
en bij velen, dat is ? weet het wel ? maar al te waar. Dat is het wat
mij ten val zal brengen, als dat gebeurt, niet Meletos of Anytos, maar
de laster en de afgunst van de mensen. Die hebben ook veel andere goede
mannen ten val gebracht en zullen dat stellig nog doen. Er is helemaal
geen gevaar dat dit met mij ophoudt.
Misschien zal iemand zeggen: Schaamt je je niet, Sokrates, zulk een bedrijf
te hebben uitgeoefend, dat je nu misschien het leven gaat kosten? Hem
zou ik terecht kunnen antwoorden: "Je hebt ongelijk, vriend, als
je meent dat een man die ook maar iets waard is, levensgevaar in rekening
moet brengen in plaats van bij zijn handelingen alleen hierop te letten,
of, hij rechtvaardig of onrechtvaardig, handelt en de daden doet van een
goed of van een slecht man." Volgens jouw redenering zouden de halfgoden
die bij Troje gesneuveld zijn, nietswaardig zijn, onder anderen de zoon
van Thetis, die het gevaar zozeer geringschatte in vergelijking met het
verdragen van schande, toen hij Hektor wilde doden en zijn moeder, die
een godin was, hem, naar ik meen, zo ongeveer toesprak: "Mijn zoon,
als je de dood van je vriend Patroklos zult wreken en Hektor doden, zult
je zelf sterven" ? "want terstond, zo zei zij, na Hektor staat
voor jullie het noodlot gereed." Toen Achilleus dat hoorde, achtte
hij dood en gevaar gering en was hij veel meer bevreesd als een lafaard
voort te leven en zijn vrienden niet te wreken, en hij sprak: "Mocht
ik nu dadelijk sterven na de boosdoener te hebben gestraft, opdat ik niet
hier achterblijf tot spot en hoon bij de gekromde schepen als een last
van de aarde." Denk je dat hij zich bekommerd heeft om dood .en gevaar?
Zo is het inderdaad, Atheners. Wat men zich tot taak heeft gesteld, in
de mening dat het beter is, of wat door de overheid is opgelegd, daarbij
moet men, zo meen ik, volharden en gevaar riskeren en noch de dood noch
iets anders zwaarder laten wegen dan de schande.
Slecht zou ik, Atheners, hebben gehandeld als ik, toen de veldheren die
je tot mijn commandanten hadt gekozen, mij op post zetten in Potidaia
en in Amphipolis en bij Delion, toen wel op de mij aangewezen post was
gebleven en net als ieder ander het doodsgevaar had getrotseerd, maar
als ik, nu de god, naar ik meende en geloofde; mij beval om mijn leven
door te brengen met wijsbegeerte en het onderzoeken van mijzelf en de
anderen, als ik nu uit vrees voor de dood of wat dan ook mijn post verliet.
Slecht zou dat zijn en inderdaad zou iemand mij dan met reden voor het
gerecht kunnen dagen, omdat ik niet aan goden geloof en ongehoorzaam ben
aan de godsspraak en de dood vrees en wijs meen te zijn zonder het te
zijn. Want bang zijn voor de dood is niets anders dan menen wijs te zijn
zonder het te zijn, namelijk zich verbeelden te weten wat men niet weet.
Want niemand kent de dood en niemand weet zelfs of hij niet voor de mens
de grootste van alle weldaden is. Zij vrezen hem, alsof zij zeker weten
dat hij de grootste ramp is. Is dat niet de schandelijkste domheid, zich
verbeelden te weten wat men niet weet? Ik, mannen, verschil misschien
ook hierin van de meeste mensen, en als ik zou beweren in iets wijzer
te zijn dan een ander, dan zou het zijn hierin dat ik, onvoldoende op
de hoogte van de toestanden in de onderwereld, die ook niet meen te kennen.
Maar dat onrecht doen en ongehoorzaam zijn aan de meerdere, god of mens,
slecht en schandelijk is, dat weet ik. In plaats dus van de slechte dingen,
waarvan ik weer dat ze slecht zijn, zal ik nooit, vrezen en vluchten voor
de dingen, waarvan ik niet weet, of ze misschien niet juist goed zijn.
Als je me nu dus zou vrijspreken en niet luisteren naar Anytos, die gezegd
heeft dat men mij in het geheel niet hier had moeten laten komen, of dat
ik, nu ik hier ben, noodwendig ter dood moet worden gebracht ? want hij
beweerde dat; als ik vrijgesproken werd, al jullie zonen, toepassend wat
Sokrates hun leert, volkomen bedorven zouden worden ? als jullie dus tot
mij zouden zeggen: "Sokrates, wij zullen nu niet naar Anytos luisteren,
wij spreken je vrij, maar op deze voorwaarde dat je je niet langer bezighoudt
met dat onderzoek en de wijsbegeerte. Als je erop wordt betrapt dat te
doen, zul je worden gedood." Indien je mij, zoals ik zei, op die
voorwaarde zou vrijspreken, zou ik je antwoorden: Atheners, ik waardeer
jullie en heb jullie lief, maar zal liever gehoorzamen aan de god dan
aan jullie, en zolang levensadem en kracht in mij is, zal ik niet ophouden
te filosoferen en jullie aan te sporen en te vermanen wie van jullie ik
telkens ontmoet, en hem te zeggen zoals ik tot nu toe gewoon ben geweest:
Mijn beste man, jij een Athener, burger van een stad die de grootste en
rijkste is aan wijsheid en macht, schaamt je je niet dat je je inspant
om zoveel mogelijk geld te verzamelen en roem en eer, maar dat je om inzicht
en waarheid en het heil van je ziel niet geeft en je daarom niet bekommert?
En als iemand van jullie dit bestrijdt en zegt dat hij zich daarom wel
bekommert, dan zal ik hem niet zomaar laten gaan en mij verwijderen, maar
ik zal hem vragen stellen en onderzoeken en weerleggen, en als ik meen
dat hij de deugd niet bezit, maar zegt van wel, dan zal ik hem verwijten
dat hij de dingen van de hoogste waarde het geringst schat en de geringere
dingen hoger. Dat zal ik doen ten behoeve van jong en oud, wie ik maar
tegenkom, vreemdeling en burger, maar nog liever voor de burgers, omdat
je mij nader verwant zijt . Want dit beveelt; weet het wel, mij de god
en, ik geloof dat jullie in de stad nog geen groter weldaad te beurt viel
dan mijn dienstbaarheid aan de god. Want ik doe op mijn rondgang niets
anders dan jongeren en ouderen van jullie overreden om niet allereerst
te zorgen voor je lichaam of je geld en niet in zo hoge, mate als voor
je ziel, om deze zo goed mogelijk te laten zijn, betogend dat niet deugd
uit rijkdom voortkomt, maar uit deugd rijkdom en alle andere voorrechten
voor de mens, persoonlijk en in de staat. Indien ik door dit te zeggen
de jeugd bederf, dan zou dat schadelijk moeten zijn. Maar indien iemand
beweert dat ik andere dingen dan deze verkondig, praat hij onzin. Daarom,
Atheners, ik zou zeggen: Luister naar Anytos of niet, spreek mij vrij
of niet, maar nooit zal ik anders handelen, al moest ik vele doden sterven.
Maak geen rumoer, Atheners, maar houd jullie aan mijn verzoek rustig te
blijven bij wat ik zeg en te luisteren. Naar ik meen zal het luisteren
jullie voordeel brengen. Want ik ga je nu een en ander zeggen, waartegen
je misschien luid zult protesteren. Maar doe dat niet. Weet wel, als je
mij die ben zoals ik zeg, ter dood brengt, zul je niet mij meer schaden
dan jezelf. Mij zal geen Meletos, geen Anytos schaden. Dat kunnen ze ook
niet. Want ik geloof dat het onverenigbaar is met de goddelijke rechtvaardigheid,
dat een beter man door een slechter man wordt geschaad. Hij kan hem misschien
wel doden of verbannen of zijn burgerrechten ontnemen en dat houdt hij
en menig ander wellicht voor grote rampen, maar ik doe dit niet; veel
eerder vind ik rampzalig wat hij nu doet, een mens onschuldig ter dood
trachten te brengen. Als ik mij nu verdedig, Atheners, is het er ver vandaan
dat ik dit doe terwille van mijzelf, zoals men zou denken, maar terwille
van jullie, opdat je niet door mij te veroordelen je bezondigt aan de
gave die de god je schonk. Want als je mij doodt, zul je niet licht weer
zo iemand vinden, die, al klinkt het lachwekkend, volkomen de stad is
toegewezen door de god, als aan een groot en edel paard dat door zijn
grootte te traag is en nodig heeft om door een paardenvlieg wakker gemaakt
te worden. Als zo'n soort vlieg schijnt de god mij aan de stad te hebben
toegewezen, ik die geen ogenblik ophoud jullie één voor
één wakker te maken, de hele dag overal mij bij jullie neerzettend.
Zo iemand, mannen, krijgt je niet gemakkelijk terug en dus, als je naar
mij luistert, zul je me sparen. Misschien zult je, geërgerd, zoals
dommelaars die gewekt worden, gehoor geven aan Anytos en me zo maar met
één slag doden en dan je verder leven door slapen, tenzij
de god uit zorg voor jullie iemand anders op je af zou zenden.
Dat ik zo iemand ben, die door de god aan de staat is gegeven, kun je
hieruit begrijpen: het lijkt toch niet menselijk dat ik al mijn eigen
zaken heb verwaarloosd en die verwaarlozing van mijn belangen reeds zoveel
jaren verdraag, en steeds jullie belang bevorder door naar ieder van jullie
afzonderlijk toe te gaan als een vader of oudere broeder, jullie vermanend
je te bekommeren om de deugd. En als ik hiervan enig voordeel had en ik
geld verdiende met mijn aansporingen, dan had ik een duidelijk motief.
Maar nu zie je ook zelf dat mijn aanklagers, die mij van al het overige
zo schaamteloos betichten, niet bij machte waren hun schaamteloosheid
ten top te drijven door een getuige te leveren dat ik ooit enige betaling
heb aangenomen of gevraagd. Een geloofwaardig getuige voor de waarheid
van wat ik zeg, lever ik, dunkt mij, zelf: mijn armoede.
Het kan misschien vreemd schijnen dat ik op mijn rondgang deze dingen
persoonlijk aanraad en persoonlijk mij met andermans zaken bemoei, en
het niet waag in het openbaar in jullie volksvergadering op te treden
en raad te geven voor de staat. De reden hiervan is, zoals je mij dikwijls
op veel plaatsen hebt horen zeggen, dat iets goddelijks en bovenaards
tot mij komt, wat ook Meletos spottend in zijn akte van aanklacht heeft
vermeld. Dat is bij mij al van jongs af begonnen: een stem die in mij
spreekt, en zodra hij spreekt mij steeds afhoudt van wat ik mij voorneem
te doen, maar nooit mij tot daden aanspoort. Dat is het wat mij belet
mij met de politiek in te laten en naar mij voorkomt volkomen, terecht.
Want Atheners, begrijp goed, als ik getracht had mij bezig te houden met
staatszaken, was het al lang met mij gedaan geweest en had ik geen nuttig
werk gedaan noch voor jullie, noch voor mijzelf. Erger jullie niet, omdat
ik de waarheid spreek. Met geen mens kan het goed aflopen, noch onder
jullie, noch in een ander volk, die zich eerlijk verzet en wil verhinderen
dat er veel onrechtvaardige en wetteloze dingen in de staat gebeuren.
Het is noodzakelijk dat hij die werkelijk vecht voor wat rechtvaardig
is, ook al wil hij slechts korte tijd in leven blijven, gewoon burger
blijft en zich niet in het openbare leven beweegt.
Overtuigende bewijzen zal ik jullie hiervan geven, geen woorden, maar
feiten ? waar jullie aan hechten. Hoor wat mij overkomen is en je zult
zien dat ik voor niemand op zij ga en tegen het recht handel uit vrees
voor de dood, maar ook hoe ik door niet te zwichten had kunnen omkomen.
Het zal smakeloze advocatentaal zijn die ik spreken zal, maar het zal
de waarheid zijn. Ik heb, Atheners, nooit enig ander ambt in de staat
bekleed dan dat van raadslid. En toevallig vormde mijn district het dagelijks
bestuur, toen je de tien veldheren, die in de zeeslag de drenkelingen
niet hadden geborgen, besloot gezamenlijk te vonnissen, in strijd met
de wet, zoals julli allen later hebben ingezien. Toen was ik de enige
van de prytanen, die mij er tegen kantte dat jullie iets doen zouden in
strijd met de wetten en die tegen stemde. Hoewel de redenaars klaar stonden
om mij aan te geven en te arresteren en jullie met veel geschreeuw daarmee
instemden, meende ik, dat ik liever met de wet en het recht aan mijn zijde
alle gevaar moest trotseren dan mij bij jullie aansluiten in het nemen
vaneen onrechtvaardig beslissing uit vrees voor gevangenschap of dood.
En dat gebeurde toen de stad nog democratisch was. Maar toen de oligarchie
was ingesteld, lieten de dertig tirannen mij met vier anderen naar de
koepel roepen en bevalen zij ons de Salaminiër Leoon uit Salamis
te halen, opdat hij gedood zou worden. Ook aan vele anderen gaven zij
veel dergelijke bevelen, om zoveel mogelijk mensen te compromitteren.
Toen heb, ik niet met woorden, maar daadwerkelijk getoond, dat de dood,
als ik het zo cru mag zeggen, mij geen zier kan schelen maar dat aan niet
zondigen tegen mensen en goden, dat daaraan mij alles gelegen is. Want
die regering, hoe machtig ook, had mij niet zoveel schrik aangejaagd dat
ik iets onrechtvaardigs deed. Toen wij uit de koepel kwamen, gingen de
vier anderen naar Salamis en haalden Leoon, maar ik ging mijns weegs naar
huis. Wellicht zou ik daarom ter dood gebracht zijn, als niet weldra dit
bewind ten val was gebracht. Velen kunnen dit voor jullie getuigen.
Menen jullie soms dat ik zoveel. jaren in leven zou zijn gebleven, als
ik aan het openbare leven had deelgenomen en zoals een goed man betaamt
het recht had gesteund en, zoals plicht is, dat het hoogst had gesteld?
Daar is geen sprake van, Atheners. Evenmin als iemand anders. Het zal
blijken dat ik gedurende mijn gehele bestaan, zowel als ik iets deed in
het openbaar als in mijn particuliere leven, dezelfde ben geweest: nooit
ben ik voor iemand geweken in strijd met het recht voor geen ander en
voor niemand van hen die mijn lasteraars mijn leerlingen noemen. Leermeester
ben ik van niemand ooit geweest. Als iemand wenst te horen wat ik zeg
en hoe ik mij gedraag, een jongere of een oudere, dan heb ik dat niemand
misgund. Ook spreek ik niet voor geld en zwijg ik niet als ik geen geld
krijg, maar gelijkelijk voor rijk en arm stel mij beschikbaar om met vragen
te komen, en als iemand wil antwoorden, en luisteren naar wat ik zeg.
En of iemand van hen rechtschapen wordt of niet, daarvoor kan ik niet
terecht verantwoordelijk worden gesteld; want ik heb nooit iemand beloofd
hem iets te leren en heb hem niets geleerd. Als iemand beweert ooit iets
van mij te hebben geleerd of persoonlijk te hebben gehoord wat niet ook
alle anderen gehoord hebben, dan spreekt hij ?geloof mij ? niet de waarheid.
Maar waarom toch hebben sommigen er plezier in lange tijd in mijn gezelschap
door te brengen? Jullie hebben het al gehoord, Atheners. Ik heb jullie
de volle waarheid gezegd. Zij hebben er plezier in om te horen hoe de
mensen die zich verbeelden wijs te zijn, maar het niet zijn, worden ondervraagd.
Want dat is niet onvermakelijk. Dit te doen is mij, zoals ik zeg, opgedragen
door de god, door orakels en dromen en op elke wijze waarop ooit door
goddelijk bevel ook maar iets opgedragen is. Dit, Atheners, is waar en
gemakkelijk bewijs baar. Want als ik van de jongelingen sommigen bederf
en anderen bedorven heb, moesten zij natuurlijk, als enigen, van hen;
ouder geworden, inzagen dat ik hun in hun jeugd ooit iets slechts had
aangeraden, nu hier verschijnen om mij te beschuldigen en te straffen.
En als zij dat zelf niet wilden, moesten toch enige van hun verwanten
? vaders, broeders en aan familieleden ? als hun verwanten enig kwaad
van mij hadden ondervonden, daar nu aan denken en op straf aandringen.
En inderdaad zijn velen van hen hier aanwezig; ik zie hen: in de eerste
plaats Kritoon daar, mijn leeftijdgenoot en wijkgenoot, de vader van Kritoboelos
hier. Verder Lysanias uit Sphettos, de vader van Aischines hier. Ook Antiphoon
daar uit Kephisia, de vader van Epigenes. En daarginds anderen, wier broeders
tot mijn vriendenkring behoren, Nikostratos, de zoon van Theozotides,
de broer van Theodotos Theodotos is gestorven, zodat hij zijn broer niet
kan vragen mij niet aan te klagen ? en Paralios hier, de zoon van Demodokos,
van wie Theages een broer was. En daar Adeimantos, zoon van Aristoon,
en daar zijn broer Platoon en Aiantodoros, van wie Apollodoros daar een
broer is. Zo kan ik jullie nog vele anderen noemen, van wie Meletos er
toch zeker in zijn rede één als getuige had moeten oproepen.
En als hij dat toen vergeten heeft, laat hij hem nu dan oproepen; ik geef
hem de gelegenheid; laat hij het zeggen, als hij zoiets wil. Maar, mannen,
jullie zullen tot de precies tegenovergestelde ontdekking komen. Allen
zijn bereid mij te helpen, mij die hen bedierf, die hun verwanten kwaad
deed, zoals Meletos en Anytos beweren. De bedorvenen zelf zouden misschien
reden kunnen hebben mij te helpen. Maar de onbedorvenen, reeds oudere
mannen, hun bloedverwanten, welke andere reden hebben zij om mij bij te
staan dan de juiste en billijke reden, namelijk omdat zij zich bewust
zijn dat Meletos liegt en ik de waarheid spreek.
Laat dit genoeg zijn, mannen. Wat ik tot mijn verdediging zou kunnen aanvoeren,
is dit ongeveer en nog meer misschien van dien aard. Wellicht zal de een
of ander van jullie zich ergeren als hij terugdenkt aan zichzelf, omdat
hij zelf ook in een onbelangrijker proces dan dit de rechters gebeden
en gesmeekt heeft onder veel tranen, en zijn kinderen hier heeft gebracht
om zoveel mogelijk medelijden te wekken en vele anderen van zijn verwanten
en vrienden, terwijl ik niets valt dat alles zal doen, en dat nog wel
ofschoon ik, naar ik meen, in het uiterste gevaar verkeer. Wanneer hij
dit overdenkt, zal iemand misschien minder mild jegens mij gezind worden
en in zijn ergernis hierover in boosheid zijn stem uitbrengen. Indien
het met een van jullie zo gesteld is ? ik zeg als, want ik acht het niet
billijk ? maar als het zo is, meen ik terecht tot hem te kunnen zeggen:
Mijn beste, ook ik heb familieleden. Juist zoals dat bekende woord van.
Homeros zegt: ik stam niet af van een eik of een rots, maar van mensen.
Dus, Atheners, ik heb familieleden en ik heb zoons, drie, één
reeds een jongeling, de beide anderen knapen. Maar toch zal ik geen van
hen hier brengen en niet om vrijspraak smeken. Waarom zal ik niets van
dien aard doen? Niet uit zelfgenoegzaamheid, Atheners, en niet uit minachting
voor jullie ? of ik moed heb voor de dood of niet, dat is een andere vraag
? maar voor de goede naam van mij en jullie en de gehele stad acht ik
het niet juist iets van dien aard te doen, nu ik al zo oud ben en deze
naam heb, hetzij terecht, hetzij ten onrechte.
Het is nu eenmaal uitgemaakt, dat Sokrates in zeker opzicht van de meeste
mensen verschilt. Als nu zij, die schijnen uit te blinken in wijsheid
of dapperheid of welke andere deugd ook, zich zo zullen gedragen, zou
het een schande zijn. Dikwijls heb ik mensen gezien die, al hadden zij
van zichzelf een hoge dunk, voor het gerecht zich wonderlijk gedroegen,
als meenden zij een vreselijk lot te zullen ondergaan, wanneer zij zouden
sterven, net alsof zij onsterfelijk zouden zijn indien je hen niet ter
dood bracht. Ik meen dat zij de staat te schande maken, zodat een vreemdeling
wel denken moet dat bij de Atheners zij die uitblinken in moed en die
zij zelf in de ambten en andere eerbewijzen hoger stellen dan zichzelf,
dat die van vrouwen niet verschillen. Die dingen, Atheners, moeten wij,
die ons verbeelden in zeker opzicht iets te betekenen, niet doen, en wanneer
wij het doen, moet je het niet toelaten. Jullie moet integendeel bewijzen
dat jullie veel eerder hem die zulke klagelijke scènes ten tonele
voert en de staat belachelijk maakt, zullen vonnissen dan hem die zich
rustig houdt.
Afgezien van goede naam, mannen, schijnt het mij ook niet rechtvaardig
dat men de rechter smeekt en door zijn smeekbede vrijgesproken wordt;
men moet hem inlichten en overtuigen. Want. niet dáárvoor
zit de rechter, om recht als gunst te schenken, maar om te oordelen wat
recht is. Bovendien heeft hij gezworen niet om gunsten te bewijzen aan
wie het hem goeddunkt, maar recht te spreken volgens de wetten. Dus moeten
wij jullie niet gewennen aan het verbreken van jullie eed enjullie moeten
zich niet laten gewennen. Dan zouden wij geen van beiden handelen naar
de wil van de goden. Verlang dus, Atheners, niet dat ik zo tegenover jullie
handel; want ik meen dat het noch goed noch rechtvaardig noch vroom is,
vooral nu ik, bij Zeus, door die Meletos daar van goddeloosheid ben aangeklaagd.
Want als ik jullie die jullie eed gezworen hebt, zou willen overreden
en door smeekbeden dwingen, zou ik jullie kennelijk leren geloven dat
er geen. goden zijn, en zou ik in mijn verdediging mijzelf openlijk beschuldigen
niet aan goden te geloven. Maar iets heel anders is het geval: ik geloof,
Atheners, aan goden; zoals geen van mijn aanklagers, en ik laat aan jullie
en aan de god over een oordeel over mij te vellen, zoals het het beste
zal zijn voor mij en voor u.
De jury spreekt het 'schuldig' uit. Door de aanklagers is de doodstraf
geëist. Sokrates krijgt opnieuw het woord om, indien hij dat wenst,
een tegeneis te stellen.
Dat ik niet boos ben, Atheners, over het gebeurde, namelijk dat je mij
veroordeeld hebt, daartoe dragen veel dingen bij. Ook is deze gebeurtenis
voor, mij niet onverwacht gekomen. Integendeel, ik ben verbaasd over.
de verhouding wan het aantal uitgebrachte stemmen. Ik had niet gedacht,
dat het zo weinig zou schelen, maar veel. Nu echter, naar het schijnt;,
zou ik vrijgesproken .zijn, als slechts dertig stemmen anders waren uitgevallen.
Aan Meletos ben ik, dunkt mij, ook nu ontkomen en niet slechts ontkomen,
maar dit is eenieder duidelijk dat, als niet Anytos en Lykoon. ook als
aanklagers tegen mij waren opgetreden, hij, een boete had moeten betalen
van duizend drachmen, omdat hij niet het vijfde deel van de stemmen had
gehaald.
De man eist dus tegen mij de doodstraf. Het zij zo. Wat zal ik, Atheners,
nu als tegeneis stellen? Natuurlijk wat ik verdiend heb. Wat is dat dan?
Wat verdien ik te ondergaan of te betalen, omdat ik in mijn leven nooit
geleerd. heb mij rustig te houden, maar verwaarloosd, heb wat de meeste
mensen doen: geld verdienen en huishouding, militaire commando's, leidersposities
en de andere ambten en politieke clubs en omwentelingen die zich in de
staat afspelen. Ik achtte mij inderdaad te fatsoenlijk om met die middelen
voor mijn behoud te zorgen en ik zocht niet daar een plaats, waar ik noch
voor jullie noch voor mijzelf van enig nut kon zijn, maar daar waar ik,
naar ik beweer, persoonlijk ieder de grootste weldaad kon bewijzen, pogend
ieder van jullie te overreden niet eerder voor iets van zijn eigen zaken
te zorgen, voordat hij voor zichzelf had gezorgd dat hij zo goed en verstandig
mogelijk zou zijn, en evenmin voor de staatszaken eerder dan voor de staat
zelf, en voor het overige op dezelfde wijze. Zo was ik, en wat verdien
ik nu te ondergaan? Iets goeds, Atheners, als ik een eis moet stellen
die in werkelijkheid past bij wat ik verdiend heb. En wel zulk een goed
dat bij mij behoort. Wat nu behoort bij een arme weldoener, die vrije
tijd nodig heeft om jullie te vermanen? Er is niets, Atheners, wat beter
past dan dat hij in het prytaneum wordt gespijzigd, veel eerder dan wie
van jullie met een renpaard of met een twee? of vierspan in de Olympische
Spelen heeft overwonnen. Want die maakt dat jij gelukkig schijnt, ik dat
je hen bent. En hij heeft geen spijziging nodig, ik wel. Als ik dus moet
eisen wat ik naar recht en billijkheid verdien, eis ik dit, spijziging
in het prytaneum.
Misschien zul je menen dat deze woorden van hetzelfde getuigen als mijn
woorden over het smeken om medelijden, namelijk van zelfgenoegzaamheid.
Maar dat is niet zo, Atheners. Het is dit: ik ben overtuigd dat ik geen
enkel mens willens en wetens kwaad doe, maar jullie kan ik daarvan niet
overtuigen; want wij hebben nog maar kort met elkander gesproken. Toch
meen ik dat je overtuigd zou worden, als het hier zoals bij andere volken
gebruik was om over een doodvonnis niet één dag; maar vele
dagen te beraadslagen. Nu is het niet gemakkelijk in korte tijd zich van
veel laster te bevrijden. Daar ik dus overtuigd ben dat ik niemand kwaad
doe, denk ik er niet aan mijzelf kwaad te doen en in mijn eigen nadeel
te spreken, alsof ik een of andere straf verdien en zo iets voor mijzelf
moet eisen.
Uit vrees waarvoor? Soms om te ondergaan het lot dat Meletos voor mij
eist en waarvan ik beweer niet te weten of het iets goeds is of iets kwaads?
Moet ik in plaats hiervan iets kiezen waarvan ik zeker weet dat het iets
kwaads is; moet ik dat eisen? Gevangenisstraf misschien? Waartoe moet
ik leven in een gevangenis als slaaf onderworpen aan een telkens wisselend
gevangenisbestuur, de elfmannen? Of een geldboete en gevangenisstraf totdat
ik die betaald heb? Dat komt neer op hetzelfde wat ik zo-even zei; want
heb geen geld om te betalen. Of moet ik ballingschap eisen? Misschien
zou je dat inwilligen. Ik zou wel zeer aan het leven gehecht moeten zijn,
Atheners, als ik zo dom was dat ik niet kon berekenen: jullie, mijn medeburgers,
hebbe mijn gesprekken niet kunnen verdragen; zij waren jullie zo lastig
en zo pijnlijk dat je nu tracht er van verlost te worden; zullen dan anderen
die zo gemakkelijk verdragen? Verre van dien, Atheners. Het zou een fraai
leven voor mij zijn, als ik op mijn leeftijd hier wegging om de ene stad
voor de andere te verwisselen, een telkens verjaagde zwerver. Want ik
weet zeker dat, waar ik ook kom, de jongeren naar mij zullen luisteren,
net als hier. Als ik hen verjaag, zullen zij mij verdrijven, de ouderen
bepratend. Als ik hen niet verjaag, zullen hun vaders en verwanten het
doen terwille van hen.
Misschien zal iemand zeggen: "Kun je dan niet in het buitenland leven,
als je zwijgt en je stil houdt?" Niets is zo moeilijk als sommigen
van jullie dit aan het verstand te brengen. Want als ik zeg dat ik dan
ongehoorzaam ben aan de god en ik daarom onmogelijk mij stil kan houden,
zul je mij niet geloven en denken dat ik mij van den domme houd. Maar
zeg ik dat het de grootste zegen is voor de mens om dagelijks te spreken
over deugd en de andere dingen waarover je mij hoort debatteren en mijzelf
en anderen onderzoeken, maar dat een leven waarbij men zichzelf niet onderzoekt,
een mens onwaardig is ... dan zul je mijn woorden nog minder geloven.
Deze dingen, mannen, zijn zoals ik zeg; maar, jullie te overtuigen is
niet gemakkelijk.
Bovendien ben ik er niet aan gewend mijzelf iets kwaads waardig te keuren.
Als ik geld had, zou ik een geldboete hebben geëist, zoveel als ik
moest betalen. Dat zou mij niet hebben geschaad. Maar geld heb ik niet,
tenzij je mij zulk een boete wilt opleggen, zoveel als ik betalen kan.
Misschien zou ik jullie een mina zilver kunnen betalen. Zoveel stel ik
dus als tegeneis.
Platoon, hier, Atheners, en Kritoon en Kritoboelos en Apollodor os zeggen
dat ik een tegeneis van 30 minen moet stellen en dat zij borg staan voor
die som. Welnu, dan is dat mijn tegeneis; zij zullen voor mij betrouwbare
borgen zijn voor het geld.
Het vonnis is de doodstraf; na voorlezing van het vonnis spreekt Sokrates
de rechters opnieuw toe.
Voor een winst van weinig tijd, Atheners, zul je gesmaad en beschuldigd
worden door hen die op de stad willen smalen, dat je Sokrates hebt gedood,
een wijs man. Want ook al ben ik het niet, zij die jullie willen beschimpen,
zullen mij wijs noemen. Als je een korte tijd hadt gewacht, zou dat jullie
vanzelf ten deel zijn gevallen; want je ziet dat ik reeds vergevorderd
ben in leeftijd en dichtbij de dood. Ik zeg dit niet tegen jullie allen,
maar tot hen die voor mijn dood hebben gestemd, tot wie ik ook nog dit
zeg: misschien denken jullie, Atheners, dat ik veroordeeld ben, omdat
het mij ontbrak aan zulke woorden waarmee ik jullie zou hebben overreed,
als ik maar gemeend had alles te moeten doen en zeggen om aan mijn vonnis
te ontkomen. Verre van dien. Wel ben ik veroordeeld, omdat het mij aan
iets ontbrak; stellig niet aan woorden, maar aan durf en onbeschaamdheid
en aan bereidheid om zulke dingen tot jullie te spreken als jullie het
liefst hadden gehoord: dat ik ach en wee had geroepenen gejammerd en veel
andere dingen had gedaan en gezegd, die ? zo beweer ik ? mij onwaardig
zijn, dingen zoals jullie gewoon zijn te horen van de anderen. Maar evenmin
als ik toen meende wegens het gevaar iets te moeten doen wat een vrij
man ontsiert, heb ik er nu berouw van mij zo te hebben verdedigd; veel
meer geef ik er de voorkeur aan door zulk een verdediging te sterven dan
op die andere manier te leven. Want noch in een proces, noch in de oorlog
mag ik of mag iemand anders, hierop uit zijn om tot elke prijs aan de
dood te ontsnappen.
Want ook in het gevecht blijkt het dikwijls dat iemand aan de dood kan
ontkomen door zijn wapens weg te werpen en zijn achtervolgers om genade
te smeken. Ook vele andere middelen bestaan er in elk gevaar om aan de
dood te ontvluchten, als men er maar toe besluit alles te doen en te zeggen.
Misschien, Atheners, is het niet moeilijk te ontkomen aan de dood, maar
veel moeilijker aan de schande; deze loopt sneller dan de dood. En nu
ben ik wel, omdat ik traag aan de dood, maar veel moeilijker aan de schande;
deze omdat zij geducht en fel zijn, door de snelste, de schande. Nu ga
ik heen, nadat ik van jullie het doodvonnis heb gekregen, maar zij gaan
heen, nadat zij van de waarheid gekregen hebben het vonnis van verdorvenheid
en onrecht. Ik berust in mijn vonnis en zij in het hunne. Zo moest het
wellicht zijn en ik geloof dat het zo goed is.
Nu wens ik nog de toekomst te voorspellen aan jullie die mij veroordeeld
hebben. Want ik ben op het tijdstip waarop de mensen het best voorspellen,
namelijk vlak voor hun dood. Ik zeg, dan; mannen, tot jullie die mijn
dood hebben gewild, dat dadelijk na mijn dood jullie een straf wacht,
veel zwaarder, bij Zeus, dan waarmee je mij gestraft hebt door mij te
doden. Want jullie hebben dit gedaan in de mening er van verlost te zijn
rekenschap te moeten afleggen van je leven; het tegendeel zul je ondervinden,
zeg ik u. Heel wat meer zullen er zijn die jullie rekenschap vragen, die
ik tot dusverre tegenhield, al hebt je dat niet gemerkt. En lastiger zullen
zij zijn naarmate zij jonger zijn en groter jullie ergernis. Want als
je meent dat je door mensen te doden er een eind aan kunt maken, dat men
jullie verwijt niet juist te leven, dan heb je het mis. Deze methode om
jullie er van te bevrijden is niet mogelijk en niet deugdelijk; de schoonste
en gemakkelijkste methode is anderen niet te onderdrukken, maar zichzelf
zo goed mogelijk te maken. Dit voorspel, ik dan aan jullie die mij veroordeeld
hebben, en nu neem ik van jullie afscheid.
Maar met jullie die voor vrijspraak gestemd hebt, zou ik gaarne nog over
de gebeurtenis willen spreken, zolang de heren van het gerecht bezig zijn
en ik nog niet ga naar de plek waar ik sterven moet. Blijf, vrienden;
zolang nog bij mij. Niets belet ons met elkaar te spreken, zolang het
geoorloofd is. Want ik wil aan u, als vrienden, de betekenis van wat mij
nu overkomen is duidelijk maken. Want, rechters, ? als ik jullie rechters
noem, geef ik jullie de juiste naam ?mij is iets wonderlijks overkomen.
De goddelijke stem die mij vroeger altijd zeer dikwijls waarschuwde, verzette
zich zelfs bij het geringste, als ik iets dreigde te doen wat niet goed
voor mij was. En nu is, zoals je ook zelf ziet, mij iets overkomen wat
geacht wordt en geldt voor de ergste ramp. Maar noch toen ik vanochtend
van huis ging verzette zich het teken van de god, noch toen ik hier voor
het gerecht verscheen, noch ergens in mijn pleidooi bij wat ik wilde zeggen.
En toch bij andere redevoeringen deed de stem mij dikwijls mijn woorden
inhouden. Maar nu heeft hij nergens bij deze hele procedure zich tegen
mij verzet, noch bij daad, noch bij woord. Wat mag, hiervan de reden zijn?
Ik zal het jullie zeggen. Dit wat mij overkomen is, moet wel iets goeds
geweest zijn. En stellig oordelen diegenen van ons onjuist, die het sterven
als een ramp beschouwen. Een duidelijk bewijs heb ik daarvan ontvangen.
Het kan niet anders of het gewone teken had zich verzet, als ik iets ging
doen wat niet goed was.
Laten wij ook langs de volgende weg bedenken dat er een stellige hoop
bestaat dat de dood iets goeds is. Want de dood is één van
beide: of als een niets?zijn, en de dode heeft dan geen enkele waarneming
van iets; of, naar verteld, wordt,als hij een verandering en verhuizing
voor de ziel naar een ander oord. Als, er, geen enkele waarneming is,
maar zoiets als een slaap, wanneer men in de slaap zelfs geen droom ziet,
dan moet de dood een wonderbaarlijke winst zijn. Want ik geloof, als iemand
zulk een nacht moest uitkiezen, waarin hij zo had geslapen dat hij zelfs
geen droom zag, en als hij de andere nachten en dagen van zijn leven daarmee
moest vergelijken en dan zeggen, hoeveel dagen en nachten hij in zijn
leven had doorgebracht beter en heerlijker dan die nacht ? ik geloof dat
zelfs de grote koning, laat staan een gewoon burger, die gauw geteld had
tegenover de andere dagen en nachten.
Is dus de dood zoiets, dan noem ik hem een winst; want dan schijnt ook
de eeuwigheid niets meer te zijn dan één nacht. Maar.als
de dood zoiets is als een verhuizing van hier naar een ander oord en als
waar is wat verteld wordt, dat al de gestorvenen daar zijn, welk groter
goed, rechters, zou er kunnen zijn dan dit? Want indien men bij zijn komst
in de Hades verlost van deze zogenaamde rechters, de ware rechters zal
vinden die, naar men zegt, daar recht spreken, Minos en Radamanthys en
Aiakos en Triptolemos en de andere halfgoden die tijdens hun leven rechtvaardig
geweest zijn ? zou dat een slechte verhuizing zijn? Hoeveel zou ieder
van jullie er niet voor over hebben samen te treffen met Orpheus en Moesaios
en Hesiodos en Homeros? Ik wil tenminste wel vele doden sterven als dat
waar is. Ook voor mijzelf zou het verblijf daar wonderschoon zijn, wanneer
ik Palamedes ontmoette en Aias, de zoon van Telamoon en wie er van de
ouden nog verder door een onrechtvaardig vonnis gedood is: Wanneer ik
mijn eigen wedervaren kon vergelijken met het hunne, zou dat, meen ik,
niet onwelkom zijn. En dan de hoofdzaak: voort te gaan de mensen daar
te onderzoeken en te. ondervragen zoals de mensen hier, wie van hen wijs
is en wie van hen het meent te zijn, maar het niet is!
Hoeveel, rechters, zou men er niet voor over hebben om de aanvoerder van
het grote leger voor Troje of Sisyphos te ondervragen of duizend anderen
die men kan noemen, mannen en vrouwen. Om met hen daar te spreken en samen
te zijn en hen te ondervragen zou een niet in te denken geluk wezen. Want
natuurlijk brengen de mensen daarginds iemand hiervoor stellig niet ter
dood. Want ook in andere opzichten zijn zij daarginds gelukkiger dan de
mensen hier en ook hierom: zij zijn voor de toekomst onsterfelijk, als
tenminste waar is wat men ons vertelt.
Ook jullie, rechters, moet tegenover de dood vol vertrouwen zijn en dit
ene voor waar houden dat, een goed man geen onheil treft, noch bij zijn
leven noch na zijn dood, en dat zijn belangen door de goden niet worden
verwaarloosd. Ook wat mij nu wedervaren is, is niet zo maar gebeurd, maar
het is mij duidelijk dat nu de dood en de verlossing van mijn zorgen het
beste voor mij was. Daarom ook heeft het teken mij geen ogenblik weerhouden
en heb ik geen reden tot erge boosheid op hen die mij veroordeeld en aangeklaagd
hebben. Toch was dat bij hun veroordeling en aanklacht niet de bedoeling;
zij bedoelden mij te benadelen; dat is voor hen een reden tot verwijt.
Het enige wat ik hun verzoek is dit: wanneer mijn zoons volwassen zijn,
straf hen dan, mannen, en kwel hen evenzo als ik jullie placht te kwellen,
indien je bemerkt dat zij zich om geld of iets anders eerder bekommeren
dan om deugd, en als zij menen iets te zijn terwijl zij niets zijn, verwijt
hun dat, zoals ik het jullie deed, dat zij niet zorgen waarvoor zij moeten
zorgen, en menen iets te zijn zonder iets waard te zijn. Indien je dat
doet, dan zullen zowel mijn zoons als ik van jullie ondervonden hebben
wat rechtvaardig is. Maar nu is het tijd om heen te gaan, voor mij om
te sterven, voor jullie om te leven. Wie van ons beiden een beter lot
tegemoet gaat weet niemand behalve de godheid alleen.
 
|
|