|
Klassieke Talen
Canto 5
Bij het begin van de tweede hellekring stuiten Dante en Vergilius
op Minos, de rechter van de onderwereld, die een oordeel velt over de
zielen en allen hun plaats toewijst. Vervolgens komen de dichters bij
de eerste groep zondaars, de wellustigen, die in een razende storm eeuwig
door de lucht worden rondgesleurd. Een van hen, Francesca da Rimini, vertelt
over haar ongelukkige liefde.
Zo daalde ik uit de eerste hellekring of naar de tweede, die weliswaar
minder plaats omvat maar des te meer verdriet, dat zich een uitweg baant
in schrille jammerklachten. Daar staat Minos, huiveringwekkend om te zien
en met een grimmige grijns op zijn gezicht: hij onderzoekt de zondeschuld
bij het binnengaan, velt zijn vonnis en wijst de plaatsen toe, al naar
gelang hij zichzelf met zijn staart omwindt. Ik bedoel dat de onzalig
geboren ziel, wanneer zij vóór hem komt, alles opbiecht,
en dat die kenner der zonden dan ziet welke plaats in de hel haar toekomt:
hij slaat zijn staart evenveel keren om zich heen als het aantal kringen
dat hij wil dat iemand naar beneden wordt gestuurd. Steeds staan er vele
zielen vóór hem, en een voor een onderwerpen ze zich aan
zijn oordeel: ze zeggen wat ze misdaan hebben en luisteren, om dan vervolgens
omlaag te worden gegooid.
'O gij die komt naar dit verblijf van smarten,' zei Minos tegen mij toen
hij me zag, en hij onderbrak daarbij zijn gewichtig werk, 'kijk goed hoe
gij hier binnengaat en in wie gij vertrouwen stelt: laat u niet misleiden
door het feit dat de toegang zo breed is!' Toen richtte zich mijn leidsman
tot hem met deze woorden: 'Waarom schreeuwt gij zo, net als Charon? Belemmer
hem niet op de weg die de goddelijke voorzienigheid voor hem heeft uitgezet.
Men wil dit zo hierboven, waar willen en kunnen één zijn.
Vraag dus niet verder!'
Op dat punt begonnen de kreten van smart weer tot mijn door te dringen
en een luid gejammer trof mij tot in het diepst van mijn ziel. Ik kwam
op een plaats die van ieder licht verstoken was en die loeide zoals de
zee tijdens een storm wanneer ze door tegenwinden wordt gebeukt. De helse
orkaan, die nooit tot rust komt, sleurt de geesten daar met zich mee en
beult hen of in tomeloze wervelingen. Wanneer zij aan de rand van de afgrond
komen, verdubbelen zij hun geschreeuw, hun kreten en hun klachten, terwijl
ze luidkeels Gods almacht vervloeken. Ik begreep dat zij die tot een dergelijke
foltering werden veroordeeld de vleselijke zondaars waren, mensen die
hun verstand onderwerpen aan hun begeerte. En zoals in het koude jaargetijde
de spreeuwen op de wiekslag van hun vleugels worden meegedragen, zo worden
daar die slechte geesten door die stormwind naar hier, naar daar, naar
onder en naar boven meegevoerd: nooit kunnen ze enige hoop koesteren op
vermindering van pijn, laat staan op beëindiging ervan. En zoals
kraanvogels hun klaagtonen laten horen hoog in de lucht vliegend in een
lange rij, zo zag ik schimmen naderen die luidkeels jammerend door die
razende storm werden meegesleurd.
'Meester,' zei ik, 'wie zijn die mensen, die daar in de zwarte lucht zo
zwaar worden gestraft?' 'De eerste van diegenen over wie gij iets wilt
weten,' legde hij mij uit, 'was keizerin over vele volkeren en talen.
Zij was zó verslaafd aan de zonde van de wellust dat zij in haar
wetten elk genot geoorloofd maakte ten einde de schande waartoe zij was
vervallen van zich weg te nemen. Het is Semiramis, van wie men leest dat
zij de opvolgster en echtgenote was van Ninus: zij heerste over het land
dat nu wordt bestuurd door de sultan van Egypte. Die andere vrouw is Dido,
die door liefdesverdriet een einde maakte aan haar leven en ontrouw werd
aan haar gestorven man Sychaeus. Daarachter komt de wellustige Cleopatra.
En ge ziet Helena, die de oorzaak was van zo'n langdurige ellende, en
de grote Achilles, die uiteindelijk met de liefde in tweestrijd raakte.
Ge ziet Paris, Tristan, en meer dan duizend schimmen wees hij mij aan
en noemde hij: schimmen die allen door liefde uit het leven waren weggenomen.
Het feit dat ik al die vrouwen en helden uit vroeger tijden hoorde noemen,
greep mij zó aan dat ik er bijna door van mijn stuk raakte. Ik
richtte me daarom tot Vergilius en zei: 'Dichter, graag zou ik met die
twee praten die daarginds samen door de lucht gaan en zo licht op de wind
lijken te worden meegevoerd.' 'Wanneer ze dichter bij ons zijn,' antwoordde
hij, 'moet ge het hun maar vragen krachtens de liefde die hen drijft,
en ze zullen zeker komen. 'En zodra de wind hen in onze richting boog,
verhief ik mijn stem: 'O zwaarbeproefde zielen, kom hierheen en praat
even met ons, althans als men het u niet weigert!' En zoals duiven die
door verlangen worden gedreven, met uitgespreide vleugels en als door
hun wil gedragen naar het zoete nest zweven, zo verlieten die twee zielen
de schare waarin Dido zich bevond, om door de onheilspellende lucht heen
naar ons toe te komen: zo krachtig was mijn liefdevolle roep.
'O gij die minzaam en welwillend hier in deze purperzwarte lucht een bezoek
komt brengen aan ons door wie de wereld met bloed werd gekleurd: als de
koning van het heelal ons gunstig gezind was, zouden wij tot hem bidden
voor uw vrede, omdat gij medelijden toont met ons afschuwelijk lijden.
Wat gij graag wilt horen, zullen wij u zeggen, en wat gij graag wilt zeggen,
zullen wij aanhoren, zolang de storm, zoals hij nu doet, zwijgt. De stad
waar ik werd geboren, ligt aan de kust van de zee waarin de Po met zijn
zijrivieren uitmondt om tot rust te komen. Liefde, die een edel hart snel
overmeestert, deed hem die hier bij mij is ontvlammen voor de schoonheid
die mij werd ontnomen; en de manier waarop dat gebeurde grieft mij nog
steeds. Liefde, die niet toestaat dat iemand die bemind wordt op zijn
beurt níet bemint, deed mij zó'n groot behagen in hem vinden
dat hij mij, zoals gij ziet, zelfs nu nog niet verlaat. Liefde bracht
ons tot een en dezelfde dood: de diepste hellekring wacht hem die ons
het leven benam,' aldus de woorden die van hun kant ons oor bereikten.
Toen ik begreep hoe ongelukkig die zielen waren, sloeg ik mijn ogen neer.
En ik hield ze omlaag gericht totdat de dichter mij vroeg: 'Waar denkt
gij aan? ' En toen ik antwoord gaf, verzuchtte ik: 'Ach, hoeveel zoete
gedachten, hoeveel verlangens brachten hen tot die smartelijke stap!'
En vervolgens wendde ik me weer tot hen met deze woorden: 'Francesca,
uw kwellingen vervullen mij zozeer met droefheid en medelijden dat ze
mij tot tranen toe roeren. Maar zeg me: waardoor en op welke wijze stond
de liefde u toe dat gij in de tijd van de zoete verzuchtingen elkaars
verborgen verlangens leerde kennen?'
En zij gaf mij ten antwoord: 'Geen groter verdriet dan de herinnering
aan geluk in tijden van ellende! Dat weet ook uw meester. Maar als gij
zo graag het eerste begin van onze liefde wilt leren kennen, zal ik spreken
als iemand die praat met de tranen in zijn ogen. Op een dag lazen we voor
ons plezier over Lancelot en de liefde die hem in het nauw dreef: we waren
alleen en koesterden geen enkele argwaan. Meermalen gebeurde het tijdens
het lezen dat onze ogen elkaar ontmoetten en wij verbleekten. Maar één
punt was het tenslotte dat ons overwon. Toen wij lazen hoe die grote minnaar
Ginevra's blijde gezicht vol vurige begeerte kuste, drukte deze, die nooit
van mij gescheiden zal worden, zijn lippen op mijn mond terwijl hij beefde
over heel zijn lichaam. Het boek en degene die het schreef brachten ons
tot elkaar: die dag lazen wij niet verder.'
Terwijl de ene ziel dit zei, huilde de andere, met als gevolg dat ik door
de diepe ontroering die dit verhaal bij mij teweegbracht, buiten bewustzijn
raakte alsof ik stierf. Waarna ik neerstortte zoals een dood lichaam neerstort.
Canto 6
Dante en Vergilius komen in de derde hellekring, waar de vraatzuchtigen
worden gestraft: op hen daalt een eeuwige regen van water, sneeuw en hagel
neer, en bovendien worden zij verscheurd door de monsterlijke hellehond
Cerberus. Dante ontmoet zijn stadgenoot Ciacco, die hem onthult hoe de
politieke toestand in Florence zich zal ontwikkelen, en vervoigens praat
hij met Verglius over het laatste oordeel en het hiernamaals.
Nadat ik door het deerniswekkende beeld van die twee verwanten van mijn
stuk was geraakt en in zwijm gevallen, begon ik langzaam weer tot bewustzijn
te komen. En al gauw zag ik rondom mij, waarheen ik me ook wendde of keerde
en in welke richting ik ook keek, nieuwe folteringen en nieuwe gefolterden.
Ik bevond me in de derde hellekring, die van de eeuwige, vervloekte, ijskoude
en zware regen, die altijd met dezelfde regelmaat en op dezelfde manier
in stromen naar beneden komt. Dichte hagel, smerig water en natte sneeuw
storten daar uit de donkere lucht neer op de stinkende grond, die alles
opneemt.
Cerberus, een wreed en monsterachtig gedrocht, blaft als een hond uit
drie kelen naar de mensen die daar warden ondergedompeld. Hij heeft bloeddoorlopen
ogen, een vette zwarte baard, een enorme buik, en klauwen waarmee hij
de geesten krabt, ontvelt en openrijt. Die ongelukkige zondaars janken
door de onophoudelijke regen als honden: met de ene zijde van hun lichaam
proberen ze de andere te beschutten, waarbij ze zich steeds weer opnieuw
omwentelen.
Toen die verachtelijke Cerberus ons opmerkte, sperde hij zijn drie muilen
naar ons open en ontblootte hij zijn tanden, en er was op zijn lijf niets
dat niet bewoog. Nadat mijn gids zijn handen had uitgestoken, raapte hij
wat grond op en gooide die met volle vuisten in de gulzige kelen van het
ondier. En zoals een uitgehongerde hond pas ophoudt met blaffen wanneer
hij in het eten bijt ? want op dat moment is hij er alleen nog maar op
uit het voedsel te verslinden ? precies zo ging het met die afzichtelijke
koppen van de demon Cerberus, die de zielen zó met zijn harde blaffen
overdondert dat ze het liefst doof zouden willen zijn.
Wij liepen over de schimmen heen die door de zware regen ter aarde waren
geworpen, en daarbij zetten wij onze voeten op hun ijle vormen, die leken
op echte lichamen. Zij lagen allemaal op de grond behalve één,
die zich oprichtte en ging zitten zodra hij ons langs zag komen. 'O gij
die hier door de hel wordt geleid,' zei hij tot mij, 'herkent ge mij niet?
Gij werd geboren voordat ik de dood vond.' En ik antwoordde: 'Het lijden
dat gij doorstaat onttrekt u misschien aan mijn herinnering, zodat het
lijkt alsof ik u nooit heb gezien. Maar zeg mij wie gij zijt en vertel
mij waarom ge u op deze troosteloze plaats bevindt en een zo zware straf
moet ondergaan dat, ook al is een andere misschien groter, geen enkele
in ieder geval weerzinwekkender is.'
'Uw geboortestad, die op dit moment zo vol haat en nijd is dat het alle
perken te buiten gaat,' antwoordde hij, 'was tijdens mijn zorgeloze aardse
bestaan de plaats waar ik leefde. Voor u, mijn medeburgers, heette ik
Ciacco, en het is door de verderfelijke zonde van de gulzigheid dat ik
hier, zoals gij ziet, in de striemende regen op de grond lig. En ik ongelukkige,
ik ben hier niet alleen, want al deze zielen rondom mij ondergaan dezelfde
straf voor dezelfde zonde.' En toen hij ophield, antwoordde ik hem: 'Ciacco,
uw ellende drukt zo zwaar op mij dat ik mijn tranen nauwelijks kan bedwingen.
Maar als ge kunt, zeg me dan waar de burgertwisten in de verdeelde stad
op zullen uitlopen en of er één man is die de rechtvaardigheid
nastreeft, en geef mij een verklaring voor het feit dat zich zo'n enorme
tweedracht van de mensen heeft meester gemaakt.'
Hij antwoordde: 'Na een langdurige strijd zal het bij hen uitdraaien op
een bloedbad, en de woeste partij van buiten de stad zal de andere met
veel schade verjagen. Daarna zal die partij haar suprematie binnen drie
jaar weer verliezen en de andere zal dan op haar beurt de overhand krijgen
door het krachtig ingrijpen van een man die nu nog laveert. Zij zal lange
tijd het hoofd trots opgericht houden, terwijl zij de andere groepering,
hoezeer deze dan ook onder verdriet en schande gebukt gaat, zwaar onder
druk zal zetten. Er zijn in de stad slechts twee rechtvaardigen, maar
hun stem wordt niet gehoord: trots, afgunst en hebzucht zijn de drie vonken
die de harten hebben doen ontvlammen.'
Toen hij zijn smartelijke betoog aldus had beëindigd, zei ik tot
hem: 'Ik heb graag dat gij mij nog verder inlicht en in uw goedgunstigheid
door wilt gaan met spreken. Zeg mij waar Farinata en Tegghiaio die eens
zo achtenswaardig waren, zich bevinden, en Jacopo Rusticucci, Arrigo en
Mosca, en de anderen die hun talent in dienst stelden van het goede. En
vertel mij iets over hen. Want groot is mijn verlangen om te weten of
de hemel hen vertroost of de hel hen vergiftigt.' Hij antwoordde: 'Zij
bevinden zich tussen de zwartste zielen diep in de hel, waar ze gebukt
gaan onder de last van uiteenlopende zonden: als ge zo ver afdaalt, ziet
ge hen vanzelf. Maar wanneer ge weer in de zoete wereld zult zijn, doe
mij dan een plezier en roep mij bij de mensen in herinnering. Meer zeg
ik u niet en meer antwoord ik u niet!'
Toen draaide hij zijn blik, die steeds recht op mij gericht was geweest,
van mij af, keek mij nog even aan en sloeg vervolgens de ogen naar beneden.
Waarna hij evenals zijn blinde lotgenoten in de modder neerviel. Mijn
gids zei tegen mij: 'Hij zal pas weer opstaan wanneer het bazuingeschal
der engelen zal weerklinken en de hun vijandig gezinde Machthebber zal
komen: dan zal ieder de trieste tombe weerzien, zijn vlees en zijn gestalte
hernemen, en het oordeel horen dat donderend in alle eeuwigheid weergalmt.'
Zo gingen wij langzaam verder over de smerige brij van schimmen en van
regen, waarbij we ons gesprek even op het leven in het hiernamaals brachten.
'Meester,' zo vroeg ik, 'zullen deze kwellingen na het laatste oordeel
toenemen, verminderen of even erg blijven?' Zijn antwoord luidde: 'Keer
terug naar de kennis die gij hebt: zoals gij weet, leert de filosofie
dat iets, naarmate het volmaakter is, niet alleen het goede meer voelt,
maar ook het kwade. Hoewel deze verdoemden de ware volmaaktheid nooit
zullen bereiken, verwachten ze toch na het oordeel meer volmaakt te zijn
dan ervoor.' En terwijl wij nog veel langer over dit onderwerp praatten
dan ik hier kan weergeven, liepen we in een boog die hellekring rond,
totdat we bij het punt kwamen vanwaar men afdaalt naar de volgende kring.
En daar vonden we de grote vijand Pluto.
Canto 7
Wanneer Pluto's agressiviteit tot bedaren is gebracht, betreden de
dichters de vierde hellekring, waar zich de gierigaards en de verspillers
bevinden, die in een eeuwige rondedans steeds weer opnieuw met elkaar
in botsing komen. Nadat Vergilius Dante heeft uitgelegd wat voor een macht
de Fortuin is, dalen ze of in de vijfde kring, waar ze in het moeras van
de Styx de toornigen en tragen aantreffen, die elkaar woest te lijfgaan.
'Papé Satàn, papé Satàn aleppe!' gromde Pluto
met zijn schorre stem zodra hij ons zag. Waarop Vergilius, die nobele
wijze die van alles op de hoogte was, mij moed insprak door te zeggen:
'Laat uzelf niet van uw stuk brengen door uw vrees. Want hoeveel macht
hij ook bezit, hij zal ons niet kunnen beletten langs deze rotswand of
te dalen.' Vervolgens wendde hij zich naar de vergramde Pluto met zijn
opgeblazen kaken en zei: 'Zwijg, vervloekte wolf! Vreet uzelf op in uw
razernij! Het is niet zonder reden dat wij hier naar de diepte afdalen:
men wil dit boven in de hemel, waar Michaël eens wraak nam op de
hoogmoedigen die in opstand kwamen. Zoals door de wind gebolde zeilen,
wanneer de mast doormidden breekt, in een kluwen naar beneden vallen,
zo viel ook dat wrede monster toen ter aarde.
Aldus daalden wij of in de vierde helleholte. En daarbij liepen we een
flink stuk verder naar beneden over de helling van de droeve afgrond,
die al het kwaad van het heelal omvat. O rechtvaardigheid van God! Wie
kan zoveel onvoorstelbare smarten en pijnen opeenhopen als ik daar zag?
En waarom worden wij voor onze zonden zo gruwelijk gefolterd?
Zoals vlak bij Charybdis de golven op elkaar stukslaan als ze elkaar ontmoeten,
zo botsen daar de zielen, terwijl ze zich in een kring voortbewegen, in
een soort contradans op elkaar.'Ik zag er nog veel meer dan elders: ze
kwamen uit twee richtingen naar elkaar toe, terwijl ze luidkeels brullend
met hun borst en schouders zware lasten voortwentelden. Ze botsten op
elkaar en vervolgens draaiden ze allen op hetzelfde punt weer om, waarna
ze hun lasten weer terugrolden en schreeuwden: 'Waarom houdt gij vast?'
en 'Waarom smijt gij weg?'
Dan liepen ze aan beide kanten de gruwelijke cirkel weer rond naar het
punt ertegenover, waarbij ze elkaar steeds weer hun schimpend refrein
toeriepen. Na daar te zijn aangekomen keerde ieder weer langs zijn halve
cirkel terug naar het punt aan de overkant, waar men opnieuw in botsing
kwam.
Omdat ik mijn hart bij die aanblik voelde breken, zei ik: 'O meester,
leg mij uit wat dat voor mensen zijn, en zeg mij of deze zielen hier links
van ons, wier kruin geschoren is, allemaal tot de geestelijke stand behoorden.'
Hij antwoordde: 'Het zijn stuk voor stuk mensen die tijdens hun aardse
leven zo verblind waren dat ze in het omgaan met hun rijkdom niet de juiste
maat wisten te houden. Het rauwe geblaf dat zij uitstoten wanneer ze aan
de twee keerpunten van de cirkel komen, waar een tegenovergestelde zonde
hen van elkaar scheidt, maakt dat voldoende duidelijk. Deze schimmen hier,
wier hoofd niet met haar is bedekt, waren geestelijken en pausen en kardinalen,
bij wie de hebzucht alle perken te buiten gaat.'
'Meester,' zei ik toen, 'onder hen zou ik er wel een paar moeten kennen
die met dat kwaad besmet waren.'
En hij tot mij: 'Het is een ijdele gedachte die gij koestert: de verblinding
die hen tijdens het leven eerloos maakte, verduistert hier nu elke mogelijkheid
om hen te herkennen. Eeuwig zullen ze op elkander botsen: de gierigaards
zullen uit het graf verrijzen met gesloten vuisten, de verspillers met
kaalgeschoren schedels. De hemel heeft hun de eigenschap om verkeerd weg
te geven en verkeerd vast te houden ontnomen en laat hen hier nu op deze
wijze met elkaar in botsing komen. En om te beschrijven hoe dat gaat,
kan ik met mooie woorden niets doen. Gij kunt nu zien, mijn zoon, hoe
kortstondig de illusie is van de aan de Fortuin onderworpen goederen,
waarvoor de mensen elkaar zo in de haren vliegen. Want al het goud dat
er nu in het ondermaanse is of ooit is geweest, zou niet in staat zijn
één van deze dodelijk vermoeide zielen tot rust te brengen.'
'Meester,' zei ik, 'deze Fortuin, waarover gij het hebt, wat is dat toch
voor een macht, dat zij de goederen van de wereld zo stevig in haar greep
heeft?' Hij antwoordde: 'O dwaze schepselen, hoe groot is de onwetendheid
die u misleidt! Mijn zoon, ik wil dat gij goed in u opneemt wat ik nu
uit ga leggen. Hij, wiens weten alles te boven gaat, schiep de hemelen
en gaf aan elk van hen een macht die hen moest leiden, met als gevolg
dat ieder deel nu ieder ander deel gelijkelijk met zijn licht beschijnt.
En op dezelfde wijze stelde hij voor de schitteringen van de wereld' een
algemene leidsvrouwe aan: zij heeft tot taak om regelend op te treden
en de ijdele goederen op de juiste tijd van volk op volk en van geslacht
op geslacht te laten overgaan, en wel zo dat het menselijk verstand er
geen vat op heeft. Het feit dat het ene volk krachtig heerst terwijl het
andere zwak terneerligt, vloeit voort uit haar raadsbesluit, een besluit
dat verborgen is als een adder onder het gras. Uw menselijke kennis is
tegen haar niet opgewassen: zij voorziet, oordeelt en bestuurt haar machtsgebied,
zoals de anderen het hunne. Haar wisselingen komen nooit tot rust, en
noodzaak verleent haar snelheid: zo komt het dikwijls voor dat iemands
lot verandert. Zij is iemand die vaak wordt uitgescholden, ook door hen
die haar eigenlijk zouden moeten prijzen in plaats van haar ten onrechte
en met boze stem te beschimpen. Maar zij is zalig en ze hoort het niet:
net als de andere eerste schepselen laat zij blij haar sfeer wentelen,
terwijl ze intens van haar zaligheid geniet. Maar kom, laten we nu afdalen
naar plaatsen van nog zwaarder lijden. De sterren, die opkwamen toen ik
op weg ging, verdwijnen al onder de horizon, en te lang stilstaan is verboden.'
Wij liepen de vierde hellekring helemaal door tot aan de steile rand aan
de overzijde. Daar kwamen we bij een kokende bron, waarvan het water bruisend
en pikzwart van kleur door een greppel omlaag kolkt. En vergezeld van
die donkere golven daalden wij langs een haast onbegaanbaar pad of naar
beneden. De sombere stortbeek vormt, eenmaal aangekomen aan de voet van
de barre grijze rotswand, een moeras dat men de Styx noemt. En terwijl
ik ingespannen keek, zag ik daar in die poel bemodderde mensen, die helemaal
naakt waren en wier gezicht door toorn was verwrongen. Ze beukten op elkaar
in, niet alleen met de vuisten maar ook met het hoofd en de borst en de
voeten, waarbij ze bovendien nog met de tanden elkaars vel in stukken
scheurden. Vergilius, de goede meester, sprak: 'Mijn zoon, nu ziet gij
de zielen van hen die zich door hun drift lieten overmeesteren. En ge
moet als waarheid van mij aannemen dat er zich ook onder water nog mensen
bevinden: ge kunt overal zien dat ze door hun gezucht het oppervlak laten
borrelen. Vastklevend in de modder zeggen zij: "Tijdens het zoete
door zonlicht beschenen leven waren wij ellendelingen, omdat we een smeulend
vuur in ons binnenste ronddroegen; nu vreten wij onszelf hier op in deze
zwarte drek." Deze droeve hymne gorgelen ze uit hun strot naar buiten,
want zij kunnen zich niet door middel van gave woorden uitdrukken.'
Zo liepen wij tussen de droge rotswand en het drassige moerasland in een
wijde boog om de vuile poel heen. En daarbij hielden we onze ogen onophoudelijk
gericht op hen die daar modder slikken. Zo kwamen wij tenslotte aan de
voet van een toren.
Canto 8
Terwijl Dante en Vergilius door Phlegyas de Styx worden overgevaren,
hebben ze een ontmoeting met de Florentijn Filippo Argenti, die daar wordt
gestraft voor zijn hovaardigheid. Vervolgens leggen ze aan bij de stad
Dis, waar een groot aantal demonen bun de weg probeert te versperren.
Vergilius gaat naar hen toe om met hen te praten, maar zegooien de poort
voor zijn neus dicht. Dan wachten de dichters op hulp vanuit de hemel.
Nu ik met mijn verhaal verder ga, moet ik eerst vertellen dat wij, geruime
tijd voordat we de voet van de hoge toren bereikten, onze blik omhoog
lieten gaan naar de top, waar we twee vlammende lichtjes zagen waarop
een ander lichtje, nauwelijks voor het oog zichtbaar, van verre antwoordde.
Ik wendde me naar Vergilius, die zee van alle wijsheid, en vroeg hem:
'Wat betekent dat? Wat antwoordt dat andere vuur? En wat zijn het voor
mensen die zoëven dat licht ontstaken?' Hij antwoordde: 'Als de damp
van het moeras het u niet verbergt, kunt ge over het smerige water heen
al zien wat er gaat gebeuren.'
Nooit schoot een boog een pijl of die met zo'n snelheid door de lucht
kliefde als ik toen over het water een schuitje naar ons toe zag komen.
Het werd slechts bestuurd door één schipper, die schreeuwde:
'Nu zijt gij waar ge wezen moet, verdorven ziel!" 'Phlegyas, Phlegyas,
het heeft deze keer geen zin dat ge zo tekeergaat,' zei mijn meester.
'Wij blijven niet langer bij u dan de tijd die nodig is om deze drekpoel
over te steken.' En zoals iemand die merkt dat hij wordt misleid en bedrogen
zich opvreet van verdriet, zo kropte ook Phlegyas toen zijn woede op.
Mijn leidsman stapte in het bootje en liet vervolgens ook mij er ingaan.
En pas toen ik was ingestapt, leek het geladen. Zodra wij in het schuitje
zaten, doorsneed de oude boeg het water, maar veel dieper dan hij met
anderen gewoon was. Terwijl wij over de doodse slijkpoel voeren, dook
er iemand voor mij op, die van top tot teen onder de modder zat en riep:
'Wie zijt gij dat ge vóór uw tijd hier aankomt?' Waarop
ik zei: 'Dat ik hier aankom, betekent niet dat ik hier blijf. Maar wie
zijt gij? En waarom ziet gij er zo smerig uit?' Hij antwoordde: 'Gij ziet
dat ik behoor tot hen die huilen.' Waarop ik tot hem riep: 'Vervloekte
geest, ga door met huilen en blijf rouwen. Want ik herken u, al zit ge
ook helemaal onder de modder.' En toen hij zijn beide handen naar ons
bootje uitstak, duwde de meester, die daarop verdacht was, hem weg terwijl
hij zei: 'Ga weg van hier en voeg u bij de andere honden!'
Daarna sloeg hij zijn armen om mijn hals, kuste me op mijn gezicht en
sprak: 'O ziel die hier terecht uw toorn laat blijken, gezegend is zíj
wier schoot u heeft gedragen! De man die gij daar ziet, was tijdens zijn
leven trots en schaamteloos, en er is niets goeds dat zijn nagedachtenis
siert. En het is om die reden dat zijn schim hier raast en tiert. O, hoevelen
beschouwen zichzelf op aarde als grote koningen, terwijl ze later hier
als varkens door het slijk wentelen en niets van zichzelf achterlaten
dan een naam die men vol verachting uitspreekt!' En ik zei: 'Meester,
ik zou hem erg graag in deze drab zien wegzinken, voordat wij het moeras
verlaten.' Waarop Vergilius antwoordde: 'Voordat de oever voor u opdoemt,
zult ge tevreden worden gesteld: het is juist dat gij dat geniet wat ge
verlangt.' En even later zag ik hoe de man door de met modder besmeurde
mensen zo werd toegetakeld dat ik er God nu nog voor wil loven en danken.
Allen schreeuwden: 'Grijp Filippo Argenti!' Waarop die dolzinnige driftkop
uit Florence de tanden in zijn eigen vlees sloeg. Zo lieten wij hem daar
achter, en meer wil ik over hem niet vertellen.
Plotseling trof een droef geklaag mijn oren. En terwijl ik met wijd opengesperde
ogen gespannen naar voren tuurde, zei de goede meester tegen me: 'Mijn
zoon, we komen nu dicht bij de stad Dis met haar reusachtig aantal zwaarbeproefde
burgers.' 'Meester,' zei ik, 'ik kan daarginds in de vlakte al duidelijk
haar moskeeën onderscheiden, die een felrode kleur hebben alsof ze
uit vuur ontstaan zijn.' En hij legde mij uit: 'Het eeuwig vuur dat hen
daarbinnen beschijnt, verleent bun die rode gloed die gij bier onder in
de hel kunt waarnemen.'
Tenslotte bereikten we de diepe grachten waardoor die troosteloze stad
wordt omgeven: de muren leken mij, toen ik dichterbij kwam, van ijzer.
Nadat we eerst een funk stuk rond de stad gevaren waren, bereikten we
uiteindelijk een punt waar de schipper ons met barse stem toeschreeuwde:
'Uitstappen: hier is de ingang!' ik zag daar meer dan duizend demonen,
die uit de hemel in de hel waren neergeworpen, bij de poorten staan en
nijdig zeggen: 'Wie is dat toch, die zonder dood te zijn het rijk van
de gestorvenen betreedt?' En pas toen mijn meester hun te kennen gaf dat
hij even met hen wilde spreken, toomden ze hun boosheid en woede wat in
en zeiden: 'Goed, maar dan moet gij alleen hier komen. En ge moet hem
die zo vermetel is geweest om in dit rijk binnen te dringen, laten vertrekken
en op zijn eentje de roekeloze terugreis laten maken, althans als hij
daartoe in staat is. Want we willen dat gij, die hem door deze donkere
contreien zijt voorgegaan, hier blijft.'
Gij kunt u wel indenken, lezer, hoezeer de moed mij in de schoenen zonk
toen ik die vervloekte woorden hoorde: ik dacht dat ik nooit meer op aarde
zou terugkeren. 'O dierbare leidsman, die mij al zo vaak moed hebt ingesproken
en mij uit vele dreigende gevaren hebt gered,' zei ik, 'laat mij in deze
hachelijke situatie niet in de steek. En als men ons niet toestaat om
verder te gaan, laten we dan samen snel op onze schreden terugkeren.'
Waarop Vergilius, die mij daarheen had gebracht, tegen mij zei: 'Vrees
niet! Niemand hier kan ons de pas versperren, zo machtig is hij die ons
toestemming heeft gegeven. Maar als gij hier even op mij wacht, dan kunt
ge uw geest intussen sterken en voeden met hoop. Want ik zal a in deze
onderwereld niet verlaten.' Met deze woorden ging hij heen, mijn dierbare
vader, en hij liet mij achter in een toestand van onzekerheid, waarbij
ja en nee in mijn hoofd met elkaar streden. Ik kon niet horen wat hij
tegen hen zei, maar toen hij bij hen stond duurde het niet lang of ze
renden allemaal zo hard ze konden terug de stad in. Die vijanden van ons
gooiden de poorten dicht vlak voor de neus van mijn meester, die buiten
bleef en met trage passen weer naar mij toekwam.
Met de ogen naar de grond gericht en met een blik waaruit elke zelfverzekerdheid
was verdwenen, verzuchtte hij: 'Wie heeft mij de woonplaatsen der droefenis
ontzegd?' En tot mij zei hij: 'Trek u mijn verdriet niet aan en raak niet
van uw stuk: ik zal deze beproeving te boven komen, wie het ook is die
mij daarbinnen tracht tegen te houden. Hun aanmatigende houding is niet
nieuw, want ze gaven er al eens blijk van bij de minder geheime toegang
tot de hel, die ook nu nog steeds geen slot heeft en waarboven gij de
inscriptie van de dood hebt gezien. En aan deze kant van die poort daalt
al iemand de helling af, die zonder geleide door alle hellekringen gaat
en de stad voor ons zal ontsluiten.'
Canto 9
Terwijl de dichters bij de poort van Dis op hulp staan te wachten,
vertelt Vergilius dat hij al eens in die stad is geweest. Intussen verschijnen
de drie wraakgodinnen, die Dante bedreigen en hem willen doen verstenen.
Dan zien de dichters over de Styx een engel naar zich toe komen, die hen
in de stad brengt. Daar komen ze terecht in de zesde hellekring, die van
de ketters, die zich in gloeiende graftomben bevinden.
De bleekheid die zich ten gevolge van de angst op mijn gezicht aftekende
toen ik mijn gids terug zag komen, deed de kleur van zijn ontstemming
sneller wegtrekken. Hij bleef stilstaan als iemand die aandachtig luistert.
Want ver kijken kon hij niet, daar in die zwarte lucht en die dikke nevel.
'Toch zullen we in de strijd die ons wacht de zege behalen,' begon hij,
'want anders... Zo machtig is degene die zich tot ons wendde. O, wat duurt
het lang voordat er iemand komt!' Ik begreep wel dat hij het begin van
wat hij zei bedekte door wat erna kwam en dat die eerste woorden verschillend
waren van de volgende, maar desondanks maakte zijn spreken mij bang, omdat
ik aan de afgebroken zin waarschijnlijk een ergere betekenis toekende
dan hij in feite bezat.
Ik stelde Vergilius de vraag: 'Daalt er vanuit de eerste hellekring, waar
onvervulde hoop de enige straf is, wel eens iemand in deze donkere afgrond
af?' 'Het komt slechts zelden voor dat iemand van ons de weg aflegt die
ik nu ga,' verklaarde hij. 'Maar toch ben ik al een keer hier beneden
geweest, en wel door een bezwering van de onbarmhartige Erichtho, die
de schimmen van de gestorvenen weer naar hun lichaam liet terugkeren.
Ik had mijn vleselijk omhulsel nog maar pas afgelegd toen zij mij die
stad in stuurde, die gij daarginds ziet liggen: ik moest er een geest
weghalen uit de kring van Judas.' Dat is hier in de hel de laagste en
donkerste plaats, die ook het verst verwijderd is van de hemel die alles
doet draaien. Ik ken de weg, dus wees maar gerust. Dit moeras, dat zo'n
walgelijke stank uitwasemt, omgeeft de stad van smarten, waar wij nu niet
goedschiks kunnen binnenkomen.'
En wat hij verder nog zei staat mij niet goed meer voor de geest, omdat
al mijn aandacht intussen gericht was op de hoge toren met de gloeiende
tinnen, waar plotseling drie helse furiën oprezen, bloedrood van
kleur en wat hun lichaam en houding betreft lijkend op vrouwen. Gifgroene
hydra's strengelden zich om hen heen, en hoornslangetjes en adders, die
rond hun vreselijke slapen kronkelden, vormden hun haren. Vergilius,die
deze slavinnen van de koningin van het eeuwig gejammer goed kende, zei
tegen mij: 'Kijk, daar hebt ge de ongenadige Erinyen. Deze hier aan de
linkerkant is Megaera, die rechtse daar die staat te huilen is Alecto,
de middelste is Tisiphone,' waarna hij zweeg.
En zij, zij krabden alle drie met hun nagels hun borst open en sloegen
zich luid weeklagend op hun lichaam, en daarbij stieten zij zulke ijselijke
kreten uit dat ik me van angst aan de dichter vastklampte. 'Laat nu Medusa
komen, dan zullen we hem doen verstenen,' riepen ze, terwijl ze naar beneden
keken. 'Het was verkeerd dat we geen wraak namen op Theseus toen die tot
hier doordrong.' 'Draai u om en houd uw ogen dicht!' zei mijn meester
toen tegen mij, 'want als de Gorgo zich vertoont en gij zoudt kijken,
dan zou het voor u uitgesloten zijn nog ooit naar de aarde terug te keren.'
En in eigen persoon draaide hij mij om, waarbij hij zo weinig vertrouwen
in mij had dat hij ook nog zijn handen voor mijn gezicht hield.
O gij die gezond en zuiver weet te denken, tracht de lering die zich onder
de sluier van deze ongewone verzen verbergt, te doorgronden! En reeds
kwam over de troebele golven een machtig geraas naderbij, dat zo vol was
van verschrikking dat beide oevers er van beefden. Het leek op het loeien
van een storm die door de ijlheid van de hete lucht opgezweept zich neerstort
op het woud en teugelloos de takken kapotslaat, stukbreekt en met zich
meevoert, waarbij hij door de trotse stofwolk die voor hem uit gaat de
wilde dieren en de herders op de vlucht jaagt. Vergilius maakte mijn ogen
vrij en sprak: 'Richt nu de scherpte van uw blik over dat oeroude moerasschuim
naar het punt waar de damp het dichtst is.'
En zoals kikkers voor een vijandige ringslang in het water wegschieten
en zich dan als een kluitje aan de bodem vastklampen, zó zag ik
meer dan duizend door de dood gedelgde zielen voor iemand uit vluchten,
die de Styx met droge voeten overstak. Hij sloeg de dikke nevel uit zijn
gezicht weg en bracht daarbij steeds zijn linkerhand naar voren. En het
leek alsof alleen die last hem kwelde. Omdat ik meteen begreep dat hij
een bode uit de hemel was, wendde ik me tot mijn meester, die mij een
teken gaf om kalm te blijven en eerbiedig te buigen. O, hoe verontwaardigd
scheen de engel mij! Hij ging naar de stadspoort toe en maakte die met
een klein stafje open, zonder dat hij enige weerstand ondervond. 'O uit
de hemel weggejaagden, verachtelijk gespuis,' zo begon hij staande op
de gruwelijke drempel, 'wat matigt gij u in uw boosheid aan? Waarom verzet
gij u tegen de goddelijke wil, die toch altijd het doel dat hij zich stelt
bereikt, en die al meermalen uw lijden heeft verzwaard? Wat helpt het
op, het noodlot in te beuken? Zoals gij u herinnert, draagt Cerberus er
nog de sporen van op zijn ontvelde keel en kin.' Vervolgens keerde hij
zonder iets tegen ons te zeggen terug over het smerige moeras, waarbij
hij leek op iemand die andere zorgen aan gijn hoofd heeft dan die van
degene die voor hem staat.
Omdat we ons na deze heilige woorden veilig voelden, richtten we onze
schreden naar de stad, waarin we toen zonder strijd of moeite binnengingen.
Zodra ik binnen was, liet ik, verlangend om de toestand in die vesting
te zien, mijn ogen rondgaan. En aan beide kanten zag ik daar toen een
uitgestrekte vlakte vol droefenis en zware folteringen. Zoals in Arles,
waar de Rhône tot stilstand komt, en in Pola, waar de Golf van Quarnero
Italië's grenzen bespoelt, allerlei graven het terrein oneffen maken,
zo was dat ook daar aan alle kanten het geval, maar de manier waarop was
veel gruwelijker. Want overal verspreid flikkerden vlammen, die de graftomben
zo met hun gloed zengden dat geen smid ooit het ijzer gloeiender wil hebben.
Alle zerken stonden overeind, en het hartverscheurend gejammer dat eruit
opsteeg was duidelijk afkomstig van zwaarbeproefden en rampzaligen. 'Meester,'
vroeg ik, 'wie zijn het die in deze stenen graven zo luid liggen te kermen?'
Hij antwoordde: 'Hier bevinden zich de ketters van alle sekten, te zamen
met hun volgelingen. En deze groeven zijn veel voller dan ge denkt. Gelijken
liggen hier met gelijken begraven, en de tomben zijn al naar gelang de
dwaling meer of minder heet.' En nadat hij zich naar rechts had gewend,
liepen wij daar tussen de plaats der martelingen en de hoge stadswal verder.

|