Klassieke Talen

 

Dante, Divina Commedia
Canto 1

Wanneer Dante na de weg te zijn kwijtgeraakt in een duister woud ronddwaalt, ziet hij ineens een heuvel voor zich oprijzen. Hij wil die beklimmen, maar drie dieren beletten hem dat: een panter, een leeuw en een wolvin. Op dat moment verschijnt hem de schim van Vergilius. Deze biedt zich aan als gids en belooft hem te redden door hem een andere weg te laten nemen.

Op het midden van onze levensweg bevond ik me in een donker woud, omdat ik van de rechte weg was afgedwaald. Ach, hoe moeilijk is het onder woorden te brengen hoe woest en ruw en onbegaanbaar dat woud was! Wanneer ik eraan denk, slaat mij de schrik weer om het hart. Want het is zo iets gruwelijks dat het de dood nabij komt. Maar om het over het goede te hebben dat ik er aantrof, zal ik vertellen van de andere dingen die ik er heb gezien.
Ik kan niet goed meer zeggen hoe ik er binnenging, zozeer was ik op het moment dat ik de weg van de waarheid verliet door slaap overmand. Maar toen ik aan het eind van het dal dat mijn hart met vrees had vervuld de voet van een heuvel had bereikt, keek ik omhoog en zag ik hoe de bovenste hellingen ervan bekleed waren met de stralen van de planeet die de mensen overal de rechte weg wijst. Toen begon de vrees, die heel die ellendige nacht diep in mijn hart aanwezig was geweest, wat te minderen. En zoals iemand die moe en buiten adem uit zee aan land is gekomen omkijkt naar het gevaarlijke water, zo richtte zich mijn geest, die steeds nog op de vlucht was, achterwaarts naar het ondoordringbare woud, waar nog nooit iemand levend was uitgekomen.
Nadat ik mijn vermoeide lichaam even wat rust gegund had, hernam ik mijn tocht over de verlaten helling, waarbij ik zo liep dat de staande voet steeds de laagste was. En zie, daar verscheen mij ongeveer aan het begin van de steilte een lichtvoetige en pijlsnelle panter met een gespikkelde huid. En die ging nier alleen niet onder mijn ogen vandaan, maar hinderde mij zelfs zozeer bij het voortgaan dat ik meermalen op het punt stond terug te keren.
Het was aan het begin van de morgen, en de zon kwam op met de sterren die bij haar waren toen de goddelijke liefde die schoonheid het eerst in beweging zette. Het uur van de dag en het bekoorlijke jaargetij waren voor mij dan ook een reden om van dat dier met zijn vrolijke vacht iets goeds te verwachten. Maar dat leidde er niet toe dat ik bij het zien van een leeuw, die voor mij opdook, niet sidderde van angst. Het leek alsof hij met de kop omhoog op mij afkwam, gedreven door een razende honger en vervuld van een dreiging waarvoor zelfs de lucht bang leek te zijn.
En een wolvin, die in haar magerte met alle begeerten beladen scheen en reeds velen tot een leven vol ellende had gebracht, overstelpte mij toen door de verschrikking die er van haar uitging met zoveel zorgen dat ik de hoop om nog ooit boven op de heuvel te komen opgaf. En zoals iemand die graag wint, wanneer de tijd komt dat hij verliest, in zijn gedachten treurt en bedroefd is, in net zo'n toestand kwam ik toen terecht door dat rusteloze beest, dat mij, terwijl het recht op mij afkwam, langzaam terugdrong naar de plaats waar de zon afwezig is.
Maar terwijl ik naar beneden gleed verscheen er iemand voor mijn ogen die het vermogen om te spreken door een langdurig stilzwijgen verloren scheen te hebben. Toen ik hem daar zag in die enorme verlatenheid, riep ik tot hem: 'Heb medelijden met mij, wie gij ook zijt, een schim of een mens van vlees en bloed!' 'Een mens ben ik niet, al ben ik het vroeger wel geweest,' antwoordde hij mij. 'Mijn ouders kwamen uit Lombardije, en ze aanschouwden beiden het levenslicht in Mantua. Ik werd geboren onder Julius Caesar, zij het ook laat, en ik leefde te Rome toen de goede Augustus daar regeerde, in de tijd van de valse en leugenachtige goden. Ik was dichter en als zodanig bezong ik de rechtvaardige zoon van Anchises die uit Troje kwam nadat het trotse Ilium in vlammen was opgegaan. Maar vertel me eens, waarom keert gij terug naar al die ellende? Waarom bestijgt ge niet de vreugdevolle berg die begin en oorzaak is van alle blijdschap? '
'Zijt gij de beroemde Vergilius, die bron waaraan zo'n rijke woordenstroom ontspringt?' vroeg ik hem op mijn beurt, terwijl mijn blik vervuld was van ontzag. 'O roem en licht van alle dichters, mogen de langdurige studie en de grote liefde die mij er steeds toe hebben gebracht uw boek te zoeken, mij nu tot steun zijn. Gij zijt mijn meester en mijn lichtend voorbeeld, aan u alleen heb ik de schone stijl ontleend die mij zoveel aanzien heeft geschonken. Ziedaar het beest waardoor ik op mijn schreden ben teruggekeerd. O help mij ertegen, beroemde wijze, want het maakt dat de aders in mijn polsen kloppen van angst!' Als gij aan deze woestenij wilt ontkomen,' antwoordde hij toen hij mijn tranen zag, 'dan moet ge een andere weg nemen. Want de wolvin, waartegen gij hulp inroept, laat niemand passeren, maar houdt de mensen tegen om hen vervolgens te doden. Zij bezit een zo verdorven en boosaardige natuur dat ze er nooit in slaagt haar vraatzucht te stillen, en na het eten heeft ze altijd nog meer honger dan tevoren. Talloos zijn de wezens waarmee ze paart, en het zullen er nog heel wat meer zijn, totdat de windhond zal komen die haar van pijn zal laten sterven. Deze zal zich niet voeden met grondbezit en geld, maar met wijsheid, liefde en deugd, en hij zal tussen vilt en vilt geboren worden. Hij zal de redder zijn van het diep weggezonken Italië, waarvoor de maagdelijke Camilla, Euryalus, Turnus en Nisus hun bloed vergoten. Hij zal haar voortjagen door alle steden, totdat hij haar tenslotte zal hebben teruggeworpen in de hel, waaruit de afgunst haar te voorschijn liet komen. Daarom ben ik dan ook van mening dat het voor u het beste is mij te volgen: ik zal uw gids zijn en ik zal u van hieruit door een gebied voeren dat eeuwig is.' Daar zult ge kreten van wanhoop horen en geesten uit vroegere tijden zien lijden, waarbij ze stuk voor stuk schreeuwen om hun tweede dood. En ge zult diegenen zien die in het vuur tevreden zijn, omdat ze hopen dat ze zich eens, wanneer dan ook, bij de gelukzaligen kunnen voegen. Als ge daarna naar deze laatsten wilt opstijgen, zal er een ziel komen die voor die taak waardiger is dan ik. Bij haar zal ik u achterlaten wanneer ik vertrek. Want de Heerser die daarboven regeert, wil niet dat ik zijn stad betreed, aangezien ik niet aan zijn wet gehoorzaamde. Heersen doet hij overal, maar dáár is hij koning, dáár is zijn stad en zijn troon: gelukkig degene die hij uitverkiest om naar die plaats te komen!'
Ik zei tegen Vergilius: 'Dichter, ik smeek u bij de God die gij niet hebt gekend, dat ge mij, om mij aan dit kwaad en erger te laten ontkomen, naar de plaats geleidt die ge zojuist hebt genoemd, zodat ik Petrus' poort kan aanschouwen en al degenen van wie gij zegt dat ze in zulke droefenis verkeren.' Toen ging hij op weg en ik volgde hem op zijn schreden.

Canto 2

Als de avond valt, slaat Dante de schrik om het hart bij de gedachte aan de moeilijke tocht die voor hem ligt. Hij wordt door moedeloosheid overvallen en denkt dat de onderneming zijn krachten te boven zal gaan. Nadat Vergilius hem echter heeft verteld dat hij naar hem toe gekomen is in opdracht van de maagd Maria, de heilige Lucia en Beatrice, vat Dante weer moed en besluit hij Vergilius te volgen.

De dag ging heen, en de invallende duisternis verloste de levende wezens op aarde van al hun zorgen en inspanningen. En ik, ik maakte me als enige op om de gevaren van de reis en de kwellingen bij het zien van zoveel ellende te trotseren: ervaringen die de herinnering waarheidsgetrouw zal weergeven. O Muzen, o verheven talent, kom mij te hulp! O geheugen, dat vastlegde wat ik zag, nu zal uw ware adel blijken!
Ik wendde me tot Vergilius en sprak hem aan met deze woorden: 'O .dichter, die mij leidt, ga na of mijn krachten toereikend zijn om mij de grote stap te laten zetten. Gij zegt in uw werk dat de vader van Silvius, toen hij nog sterfelijk was, het rijk der doden bezocht en er lichamelijk vertoefde.' Dat de tegenstander van alle kwaad hem met het oog op het grote werk dat uit hem moest voortkomen gunstig gezind was, vindt géén denkend mens onverdiend. Want hij was in de hoogste hemel uitverkoren als vader van het zegenrijke Rome en zijn imperium, dat in feite gegrondvest was als een heilige zetel voor de opvolgers van Petrus. Door deze reis, waarvoor gij hem roemt, heeft hij dingen vernomen die later de oorzaak zouden zijn van zijn eigen overwinning en die van het pausdom. Daarna is het Uitverkoren Werktuig erheen gegaan om er kracht en steun te zoeken voor het geloof dat het begin is van de weg die voert naar de eeuwige zaligheid. Maar op grond waarvan zou ík erheen kunnen gaan? Wie staat het mij toe? Ik ben geen Aeneas en geen Paulus: noch ikzelf noch iemand anders keurt mij daartoe waardig. Ik vrees dan ook dat het een dwaasheid is als ik me laat overhalen om die reis te maken. Gij begrijpt dat in uw wijsheid beter dan ik het zelf onder woorden kan brengen.'
En zoals iemand die op een gegeven ogenblik niet meer wil wat hij eerst wilde en zijn aanvankelijke voornemen door nieuwe gedachten laat varen, zodat hij tenslotte volledig afstapt van wat hij eigenlijk van plan was, tot zo iemand maakte ik mezelf daar op die donkere helling. Want doordat ik er goed over ging nadenken, besloot ik de onderneming, waar ik.tevoren zo gretig aan was begonnen, op te geven.
'Als ik uw woorden goed heb begrepen,' antwoordde de schim van de edele dichter, 'dan is uw ziel door lafheid aangetast. Deze eigenschap vormt voor de mens vaak een belemmering die ertoe leidt dat hij afziet van daden die eervol voor hem zijn, net zoals iets wat plotseling in het donker opdoemt een dier soms doet terugdeinzen. Om te bereiken dat gij u losmaakt van deze vrees, zal ik u zeggen waarom ik hier ben gekomen en wat ik heb gehoord toen ik voor het eerst medelijden met u kreeg.
Toen ik me nog niet lang geleden bevond bij hen die zonder hoop verlangen, werd ik geroepen door een vrouw die zo schoon was en zo gelukzalig dat ik haar vroeg mij te zeggen wat er van haar dienst was. Haar ogen waren stralender dan sterren, en bekoorlijk en zacht begon ze tegen mij te spreken met in haar stem de klank van de engelenkoren: "O grootmoedige ziel uit Mantua, van wie de roem op aarde voortduurt en zal blijven voortduren zolang de wereld bestaat, een vriend van mij, die mij om mezelf en niet om andere redenen beminde, wordt op de verlaten helling zo in zijn voortgaan belemmerd dat hij uit angst is omgekeerd. En door dat wat ik in de hemel over hem heb gehoord, ben ik bang dat hij al zó ver is afgedwaald dat ik met mijn hulp te laat kom. Ga daarom op weg en help hem met uw schoonklinkende woorden en met alles wat voor zijn redding nodig is. En doe het zo dat ik er enige troost aan kan ontlenen. Ik die u op weg zend, ik ben Beatrice. Ik kom van een plaats waarheen ik vurig verlang terug te keren. Liefde was het die mij in beweging zette en hier doet spreken! Wanneer ik me weer voor het aanschijn van mijn Heer zal bevinden, zal ik me tegenover hem dikwijls prijzend over u uitlaten." Toen zweeg zij, en vervolgens begon ik te spreken: "O vrouw van deugd, door u alleen overstijgt het mensdom alles wat door de hemel die de kleinste kringen heeft wordt omsloten! Zo aangenaam is mij uw opdracht dat ik, ook al had ik reeds aan u gehoorzaamd, steeds zou denken dat ik te laat was. Gij hoeft mij alleen maar uw wens kenbaar te maken. Maar vertel me eerst eens waarom gij niet aarzelt om vanuit het weidse oord waarheen gij zo vurig verlangt terug te keren hier beneden naar dit middelpunt of te dalen."
"Omdat gij dit zo precies wilt weten," antwoordde zij mij toen, "zal ik u in het kort vertellen waarom ik niet bang ben hierheen te komen. Men moet alleen voor die dingen bang zijn die het vermogen in zich hebben iemand kwaad te doen, en niet voor de andere, want die zijn in geen enkel opzicht angstwekkend. Gods genade heeft zó op mij ingewerkt dat het ongelukkig lot van u en de uwen mij niet raakt en het vuur van de hel, dat hier woedt, mij ook niet aantast. Er is in de hemel een edele vrouw die zó treurt om het feit dat de drie dieren, waar ik u op of stuur, u de weg versperren, dat zij daarboven Gods strenge oordeel breekt. Zij riep Lucia bij zich en sprak tot haar: "Nu heeft uw trouwe dienaar u nodig, ik beveel hem bij u aan." En Lucia, die vijandin van al wat hard en wreed is, ging op weg en kwam op de plaats waar ik mij bevond, zittend in het gezelschap van de oude Rachel. ' Zij zei tegen mij: "Beatrice, waarachtige roem Gods, hoe komt het dat ge hém niet te hulp snelt die u zozeer beminde dat hij door u de gelederen van het gewone volk verliet? Hoort ge niet zijn jammerlijk klagen? Ziet ge niet hoe de dood hem bedreigt op de zee der zonde die zó groot is dat zelfs de oceaan er zich niet mee kan meten?" Nooit hebben zich op aarde mensen zó gehaast om hun voordeel na te jagen of hun verlies te ontlopen als ik dat deed toen ik die woorden hoorde: ik daalde van mijn gelukzalige zetel of en kwam hier naar beneden, terwijl ik al mijn vertrouwen stelde in uw wijze woorden, die zowel uzelf als allen die ze gehoord hebben tot eer strekken."
Nadat zij aldus had gesproken, richtte zij haar lichtende ogen op mij en zette mij daardoor nog meer tot spoed aan. En zo ben ik, gehoor gevend aan haar verlangen, naar u toe gekomen om u te bevrijden van het wilde beest dat u verhinderde rechtstreeks de schone berg der deugd te bestijgen. Welnu, wat is er dan nog? Waarom blijft ge staan? Waarom laat ge zoveel lafheid toe tot uw hart? Waarom gaat ge niet moedig en vastberaden op weg, nu deze drie gezegende vrouwen aan het hemels hof zorg voor u dragen en mijn woorden u zoveel goeds beloven?"
Zoals bloempjes die door de vrieskou van de nacht gebogen en gesloten zijn, wanneer de zon haar stralen over hen uitgiet alle opengaan en zich oprichten op hun stengels, zo hief ik mij toen op uit mijn neerslachtigheid. En ik begon met nieuwe moed te spreken zoals iemand die alle zorgen van zich heeft afgeschud: 'Hoe liefdevol is zij die mij te hulp kwam! En hoe minzaam zijt gij die zo snel gehoor gegeven hebt aan de woorden van waarheid die zij sprak! Gij hebt mijn hart door uw woorden zozeer vervuld van verlangen om te gaan dat ik weer tot mijn eerste voornemen ben teruggekeerd. Vooruit dus, beiden hebben we nu een en hetzelfde doel: gij zijt mijn leidsman, mijn heer en mijn meester!' Zo sprak ik tot hem, en nadat hij mij was voorgegaan, betrad ik de moeilijke en woeste weg.

Canto 3

Dante en Vergilius bereiken de poort die toegang geeft tot de hel. Zodra ze die zijn gepasseerd, komen ze bij de plaats waarzich de eerste zondaars bevinden: de slappelingen, die zó verachtelijk zijn dat ze niet eens een plaats in de hel verdienen. Iets verder zien de beide dichters de rivier de Acheron, waar de zondige zielen door de veerman Charon naar de eigenlijke hel worden overgezet.

'Door mij gaat men binnen in de stad van pijn, door mij gaat men naar het eeuwig lijden, door mij gaat men tot de mensen die verloren zijn. Rechtvaardigheid bewoog mijn hoge Maker: ik ben het werk van de goddelijke Macht, de hoogste Wijsheid en de eerste Liefde. Al wat vóór mij werd geschapen was eeuwig, en ook ik blijf eeuwig voortbestaan. Laat varen alle hoop gij die hier binnentreedt! '
Deze woorden zag ik in een donkere kleur boven een poort geschreven staan, en daarom zei ik tegen Vergilius: 'Meester, wat daar staat lijkt mij verschrikkelijk.' En hij, die meteen begreep wat ik bedoelde, antwoordde: 'Hier moet men elke angst van zich afzetten, en elke lafheid dient hier dood te zijn. Wij zijn gekomen op de plaats waar ge, zoals ik u heb gezegd, de droeve zielen zult zien, die de gave om God te schouwen hebben verloren.'
En nadat hij met een blijde uitdrukking op zijn gezicht zijn hand in de mijne had gelegd, waardoor ik moed vatte, leidde hij mij de verborgenheden binnen. Daar klonken zuchten, jammerklachten en luide kreten op in de sterreloze lucht, waardoor ik, omdat ik dat alles voor het eerst hoorde, tot tranen toe werd bewogen. Afgrijselijke talen, gruwelijke klanken, woorden van smart, uitroepen van toom, schelle en schorre stemmen, en rouwmisbaar dat ermee gepaard ging, brachten een tumult teweeg dat daar in die tijdeloze duisternis eeuwig rondwielt als zand bij een wervelstorm.
En vervuld van huiver en ontzetting vroeg ik mijn meester: 'Wat is het dat ik daar hoor? En wat voor mensen zijn dat die zo door smart overmand lijken?' Vergilius antwoordde mij: 'Dit ellendig lot ondergaan de beklagenswaardige zielen van hen die zonder schande en zonder eer hebben geleefd. Zij zijn vermengd met het nietswaardig koor van engelen, dat niet tegen God in opstand kwam en hem ook niet trouw bleef, maar zich afzijdig hield. De hemel verjaagt hen om niet aan schoonheid in te boeten, en de diepe hel neemt hen niet op, omdat de slechten zich dan nog enigermate tegenover hen zouden kunnen beroemen.' Ik vroeg toen: 'Meester, wat voor een kwelling is het die hen zo luid doet jammeren?' Hij antwoordde: 'Dat zal ik u kort uitleggen. Deze zielen hebben geen hoop meer op de dood,' en hun blinde leven is zó minderwaardig dat zij ieder ander lot benijden. De wereld bewaart aan hen geen enkele herinnering, en Gods erbarming en gerechtigheid versmaadt hen: laten we daarom niet over hen praten. Kijk maar even en loop dan door.'
En toen ik keek, zag ik een vaandel in de rondte gaan met zulk een snelheid dat het mij toescheen dat het elke rust onwaardig was. En daarachter liep zó'n lange stoet van mensen dat ik nooit zou hebben gedacht dat de dood er al zoveel had weggevaagd. Nadat ik er enkelen had herkend, ontwaarde ik ook de schim van hem wiens lafheid de oorzaak was van zijn grote weigering. Terstond begreep ik toen, en ik was er ook zeker van, dat ik daar de schare zag van de slappelingen die aan God en aan zijn vijanden mishaagden. Deze ellendelingen, die in feite nooit hadden geleefd, waren spiernaakt en werden aan één stuk door gestoken door grote vliegen en horzels die daar rondvlogen. Het bloed dat daardoor over hun gezicht stroomde, werd, nadat het zich vermengd had met tranen, aan hun voeten door walgelijke wormen opgezogen.
En toen ik mijn blik vervolgens verder rond liet gaan, zag ik een grote menigte mensen aan de oever van een brede stroom. Ik zei daarom tegen Vergilius: 'Meester, sta mij toe te weten wie dat zijn en zeg mij welke wet hen zo begerig maakt om over te steken, zoals ik zelfs in het schemerdonker nog kan ontwaren. 'Dit alles zal u duidelijk worden,' zo legde hij mij uit, 'wanneer we onze schreden zullen zetten op het droefgeestige strand van de Acheron.' Toen hij dat gezegd had, sloeg ik beschaamd mijn ogen neer, en omdat ik bang was dat mijn woorden hem niet aangenaam geweest waren, onthield ik mij tot aan de rivier van spreken.
En zie, daar kwam per boot over het water een grijsaard naar ons toe, oud en met sneeuwwitte haren, die schreeuwde: 'Wee gij zondige zielen! Geef de hoop maar op nog ooit de hemel te aanschouwen: ik kom hier om u over te zetten naar de andere oever, waar eeuwige duisternis heerst in hitte en kou. En gij, levende ziel, die daar staat, verdwijn en waag het niet om mee te gaan met hen die reeds gestorven zijn.' Maar toen hij zag dat ik niet wegging, riep hij: 'Langs een andere weg, langs andere havens dan deze zult gij de overkant bereiken: een lichter schip behoort u te dragen. ' Waarop mijn gids tegen hem zei: 'Charon, maak u niet kwaad: men wil dit nu eenmaal dáár waar men kan wat men wil, en meer moet ge niet vragen.'
Daarop kwamen de ruigbehaarde wangen van de schipper van het vale moeras, wiens ogen door vlammen omkranst waren, tot rust. Maar die zielen, die dodelijk vermoeid waren en spiernaakt, veranderden van kleur en begonnen te klappertanden zodra ze deze harde woorden hoorden: ze vervloekten God en hun ouders, het menselijk ras, en de plaats, de tijd en het zaad van hun verwekking en geboorte. Daarna dromden ze allen luid schreiend samen op de troosteloze oever, waar iedereen terechtkomt die God niet vreest.
De demon Charon met zijn gloeiende ogen drijft hen daar door middel van tekens bijeen, terwijl hij ieder die treuzelt met zijn vaarboom bewerkt. En zoals in de herfst de bladeren zich een voor een losmaken totdat de tak uiteindelijk heel zijn bekleedsel op de grond ziet liggen, zo werpen zich daar de slechte afstammelingen van Adam, wanneer ze daartoe een teken hebben gekregen, een voor een van de oever in het vaartuig, als vogels die de lokroep horen. Zo gaan ze dan over de bruine golven, en vóórdat ze aan de overzijde zijn uitgestapt, verzamelt zich aan deze kant al weer een nieuwe schare.
'Mijn zoon,' zo sprak mijn meester vriendelijk, 'degenen die in Gods toorn sterven, komen hier uit alle landen samen. En ze zijn bereid deze stroom over te gaan, omdat de goddelijke gerechtigheid hen zó aanspoort dat hun vrees hier omslaat in begeerte. En nooit steekt hier een ziel over die goed is. Als Charon zich dus over u beklaagt, zult ge nu wel begrijpen wat zijn woord betekent.' Hierna beefde de donkere vlakte plotseling zó krachtig dat de herinnering alleen al mij nu nog doet baden in het zweet. En uit de tranenrijke bodem stak een stormwind op, die een vuurrode lichtflits de lucht in zond, waardoor elk gevoel in mij werd tenietgedaan. En als door slaap bezwaard stortte ik levenloos ter aarde.

Canto 4

Wakkergeschrokken uit een diepe slaap bevindt Dante zich plotseling aan de overkant van de Acheron. Daar betreedt hij samen met Vergilius het voorgeborchte van de hel, waar zich de zielen bevinden van hen die niet gedoopt zijn, omdat ze vóór Christus hebben geleefd of te vroeg zijn gestorven. Vergilius brengt Dante in contact met een aantal dichters en belangrijke figuren, die grotendeels uit de klassieke oudheid stammen.

Plotseling werd de diepe slaap, waardoor ik was bevangen, verbroken door een zware donderslag, met als gevolg dat ik een schok kreeg zoals iemand die met geweld wordt wakker geschud. Ik sprong op en liet mijn ogen, die door de slaap enigszins tot rust waren gekomen, spiedend rondgaan om te kijken op wat voor een plaats ik me daar bevond. En het lijkt ongelofelijk, maar het is de volle waarheid, wanneer ik vertel dat ik op de rand van de smartelijke afgrond stond die in een donderend geraas vervuld is van eindeloze jammerklachten. Het gat was zo donker, diep en nevelig dat ik, hoe scherp ik ook naar beneden tuurde, niets maar dan ook niets kon onderscheiden.
'Laten we hier nu in deze blinde wereld afdalen,' zo begon de dichter, die lijkbleek was geworden. 'Ik zal voorop gaan en gij moet volgen.' Maar omdat ik zijn gelaatskleur had opgemerkt, vroeg ik: 'Hoe zal ik daartoe in staat zijn, wanneer zelfs gij nog bevreesd zijt die mij altijd bij al mijn angsten moed inspreekt?' Hij antwoordde: 'Het zware lijden van de mensen die hier beneden zijn, tekent op mijn gezicht medelijden of dat gij voor vrees aanziet. Vooruit, laten we vertrekken, want de weg die we moeten afleggen is lang.'
En terwijl hij aldus op weg ging, liet hij mij binnengaan in de eerste van de kringen die de helse afgrond omgeven. Op die plaats waren, voor zover men dat althans kon opvangen, geen andere klachten te horen dan zachte zuchten, die de eeuwige lucht deden trillen. Dat dit zo was kwam omdat de talrijke en onafzienbare scharen mannen, vrouwen en kinderen die zich daar bevonden, onderworpen waren aan een lijden dat geen lichamelijke pijn kende. Vergilius, mijn goede meester, zei tegen mij: 'Waarom vraagt gij niet wat voor zielen dat zijn die ge hier ziet? Ik wil dat gij, voordat ge verder gaat, weet dat zij tijdens hun leven niet hebben gezondigd. En ook al hebben ze bepaalde verdiensten, het is voor hen te weinig, aangezien ze niet het doopsel hebben ontvangen, dat een wezenlijk bestanddeel is van het geloof dat gij belijdt. En als ze vóór Christus hebben geleefd, dan hebben ze God niet aanbeden zoals het behoort: en een van die zielen ben ik zelf. Op grond van dit tekort, en door geen ander kwaad, zijn wij verloren, en onze straf bestaat enkel en alleen hierin dat wij zonder hoop vervuld zijn van een eeuwig verlangen.'
Een groot verdriet maakte zich van mij meester toen ik dat hoorde. Want ik kende mensen van grote waarde die zich daar, door een onvervuld verlangen gekweld, in het voorgeborchte bevonden. 'O zeg mij, meester, zeg mij, heer,' begon ik, omdat ik zekerheid wilde hebben over het geloof dat alle twijfels overwint, 'is er ooit iemand door eigen of andermans verdiensten uit deze kring weggegaan en vervolgens zalig geworden?' En hij, die de diepere bedoeling van mijn vraag had begrepen, antwoordde: 'Ik bevond me nog maar kort op deze plaats, toen ik een machtig heerser zag komen, die met het teken der overwinning was getooid. Hij haalde hier de schim van Adam weg, de eerste vader, alsmede diens zoon Abel, Noë en Mozes, die wetgever was en toch gehoorzaamde; hij haalde hier aartsvader Abraham weg en koning David, en Jakob met zijn vader en zijn zonen te zamen met Rachel voor wie hij zoveel deed, en nog vele anderen, die hij gelukzalig maakte. En ik heb graag dat gij weet dat er vóór hen nooit een menselijke ziel werd gered.'
Terwijl hij mij aldus uitleg gaf, bleven wij doorlopen en doorkruisten we heel het woud, ik bedoel het dichte woud van zielen. En we waren nog niet ver verwijderd van het hoogste punt waar we onze tocht hadden aangevangen, toen ik een vuur ontdekte dat de duisternis eromheen aan één kant in een kring verlichtte. We waren er nog een eindje vandaan, maar toch niet zo ver dat ik al niet enigszins kon onderscheiden dat er zich op die plek een aantal eerbiedwaardige figuren bevond. Ik vroeg daarom aan Vergilius: 'O gij die eer bewijst aan wetenschap en kunst, wie zijn die personen daar, die kennelijk zo hoog in aanzien staan dat hun toestand verschilt met die van de andere zielen?' Waarop hij antwoordde: 'Aan de eer en roem van hun naam, die bij u op aarde nog steeds opklinkt, hebben ze de hemelse gunst te danken dat ze zo bevoorrecht worden.'
Intussen hoorde ik een stem die riep: 'Eert de hoogverheven dichter: zijn schim die was vertrokken komt weer terug!' En toen die stem weer stil was geworden en zweeg, zag ik vier grote schimmen naar ons toe komen, die niet bedroefd keken, maar ook niet blij. De goede Vergilius begon met te zeggen: 'Kijk, die daar met dat zwaard in zijn hand, die als een meester voor,de drie anderen uit loopt, dat is de vorst der dichters Homerus. De tweede die er aankomt, is de satiredichter Horatius, de derde is Ovidius, en degene die achteraan loopt is Lucanus. Omdat ieder van hen in de benaming welke door die stem werd uitgesproken met mij overeenkomt, eren zij mij. En daar doen ze goed aan!'
En zo zag ik daar dus het schone gezelschap bijeen van Homerus, die meester der epische poëzie, die zich als een adelaar boven de anderen verheft. Nadat ze even met elkaar hadden gesproken, wendden ze zich naar mij, waarbij ze me vriendelijk toeknikten, iets wat mijn meester een glimlachje ontlokte. En ze bewezen mij nog veel meer eer, want ze namen mij op in hun gezelschap, zodat ik de zesde was temidden van al die wijsheid. Zo liepen we verder tot aan het lichtschijnsel, terwijl we onderweg praatten over dingen waarvan het even juist is dat ik er híer over zwijg als dat we er dáár over spraken.
Het duurde niet lang of we kwamen aan de voet van een voornaam kasteel, dat zeven keer was omgeven door hoge muren, terwijl het bovendien nog werd beschermd door een lieflijk riviertje dat er omheen liep. Toen we dit laatste waren overgestoken alsof het vaste grond was, ging ik met de wijzen die mijn begeleiders waren door zeven poorten naar binnen, waar we op een weide kwamen die met fris groen was bedekt. Er bevonden zich daar mensen met een rustige en waardige oogopslag en een voorkomen dat gezag uitstraalde: ze gebruikten weinig woorden en spraken met zachte stem. We trokken ons aan een van de zijkanten terug, op een open plek die vol licht was en wat hoger lag, zodat we iedereen goed konden zien. Daar wees men mij de grote figuren aan die zich op het frisse grastapijt bevonden. En het feit dat ik hen mocht aanschouwen, maakt mij nu nog gelukkig. Ik zag er Electra met in haar gezelschap vele anderen, onder wie Hector en Aeneas. En ik herkende ook Caesar met zijn sperwersblik. Ik zag Camilla en Penthesilea, en aan de andere kant zag ik koning Latinus, die daar zat met zijn dochter Lavinia. Ik zag Brutus die Tarquinius verjoeg, Lucretia, Julia, Marcia en Cornelia, en alleen en terzijde zag ik Saladin. En toen ik mijn blik wat meer omhoog liet gaan, zag ik de meester van allen die weten, Aristoteles, zitten in een kring van filosofen, die allen hun ogen op hem gericht hielden en hem met eerbewijzen overlaadden: ik zag daar Socrates en Plato, die dichter bij hem staan dan alle overige filosofen, en Democritus, die de wereld onderworpen ziet aan het toeval, Diogenes, Anaxagoras en Thales, Empedocles, Heraclitus en Zeno; ik zag de geleerde kruidenkenner Dioscorides, en ik zag Orpheus, Tullius, Linus en Seneca de moralist, Euclides de meetkundige, en Ptolemaeus, Hippocrates, Avicenna, Galenus en Averroës, die het grote commentaar schreef.
Maar alle namen kan ik hier onmogelijk vermelden, omdat de omvangrijke stof van mijn gedicht mij zozeer opjaagt dat mijn woorden vaak de zaak waar het om gaat te kort doen. De groep van zes werd tot twee teruggebracht, omdat mijn wijze gids mij langs een andere weg verder liet gaan doordat hij de vredige rust van het kasteel verliet en de van zuchten trillende lucht daarbuiten weer opzocht. En zo kwam ik toen in een gebied waarin niets meer was dat nog enig licht uitstraalde.