WOORDENLIJSTJE


Interlingua - Nederlands

A
				a aan, naar, om te
				ab sedert, sinds
				ad naar, toe
				adder toevoegen, optellen
				adjutar helpen
				aere lucht; liedje; air
				ager handelen, doen
				al(i)cun een, enige
				al(i)cuno iemand
				al(i)quando eens, ooit
				alicubi ergens
				aliquanto een beetje
				alique, alco iets, wat
				alora toen, dan
				alte hoog
				altere andere
				amar houden van; bitter
				ambe beide
				an of [vnw. leidt vraagzin in]
				ancora nog
				anglese Engels
				anque ook
				ante voor
				antea voorheen
				aperir openen
				apparer verschijnen
				appellar roepen; heten
				appertiner behoren (tot)
				apportar (aan)brengen
				apprender leren, vernemen
				apud (dicht)bij, naast
				arbore boom
				arder branden, gloeien
				argento zilver
				arma wapen
				ascender afdalen
				ascoltar luisteren
				assatis genoeg; tamelijk
				assecurar verzekeren
				assi aldus, zo
				attender wachten op
				attinger bereiken
				attraher aantrekken, lokken
				audir horen
				augmentar toenemen
				aure oor
				auro goud
				avantage voordeel
				avante voor
				ave vogel
				avion vliegtuig
				

B

				brachio arm
				besonio behoefte
				butyro boter 
				biber drinken
				bottilia fles
				bon goed
				ben goed, wel; bezitting
				breve kort
				basse laag
				bucca mond
				belle mooi
				ben que hoewel
				batter se vechten
				batter slaan
				bastante voldoende, genoeg
				boteca winkel; boetiek
				

C

				coperir (be-, toe)dekken
				currer (hard)lopen; stromen
				comenciar beginnen
				comprender begrijpen
				circa, circum rond(om)
				car dierbaar; beste; duur
				cosa ding, zaak, iets
				creder geloven
				caso geval; naamval
				crescer groeien, wassen
				collo hals; kraag; boord
				capillos haren
				corde hart
				celo hemel
				como hoe; als(of)
				capite hoofd
				cute huid, vel
				casa huis
				cata ieder
				continer inhouden
				camera kamer; camera
				cognoscer kennen
				comprar kopen
				curte kort
				costar kosten
				corpore lichaam; corps
				cultello mes
				con met
				causa oorzaak
				cessar ophouden
				convenir overeenkomen
				clave sleutel
				clauder sluiten
				citate stad
				contar tellen; vertellen
				cader vallen
				celar verbergen
				colliger verzamelen
				carne vlees
				calide warm, heet
				cuje wiens, wier
				cambiar wisselen, ruilen
				certe zeker, belist
				cantar zingen
				cercar zoeken
				

D

				ducer (ge)leiden; besturen
				detra achter(waarts)
				dunque daarom, dus
				die dag
				depois, depost later; sedert
				durante gedurende
				dar geven
				dono gift, gave
				dur hard
				domo huis
				difficile moeilijk
				deber moeten; huiswerk
				deman morgen
				dolor pijn, smart
				derecto recht; rechten
				dext(e)re rechts; behendig
				dormir slapen
				dente tand
				dum terwijl; totdat
				dubita twijfel
				de van; sedert; door; met
				desde vanaf, sedert
				disparer verdwijnen
				desirar verlangen
				digito vinger; teen
				demandar vragen
				devenir worden
				dicer zeggen; vertellen
				debile zwak, week
				

E

				exiger (ver)eisen
				e en
				evenir gebeuren, voorvallen
				emer kopen
				etate leeftijd; tijdperk
				etiam ook, evenzo; zelfs
				est oost
				effortiar se trachten
				exprimer uitdrukken
				ex van(uit)
				errar vergissen
				estranie vreemd, buitenlands
				ecce zie!, ziehier!
				esser zijn, bestaan; wezen
				estate zomer
				esque [vnw. leidt vraagzin in]
				

F

				folio blad
				fundo bodem; fundament
				fratre broe(de)r
				filia dochter
				fin einde; fijn
				finir eindigen
				facie facie, (aan)gezicht
				facto feit, daad
				fortiar forceren, dwingen
				foras, foris buiten
				felice gelukkig
				facile gemakkelijk
				frigide koud, koel
				fede lelijk
				fornir leveren, verstrekken
				facer maken, doen
				forsan misschien
				ferir slaan, pijn doen
				forte sterk; fort
				fatigate vermoeid
				foco vuur
				filio zoon
				

G

				gamba been
				grate dankbaar; aangenaam
				german Duits
				grande groot
				gorga keel(gat)
				gaudio vreugde, blijdschap
				ganiar winnen; verdienen
				gauder zich verheugen
				

H

				de bon hora vroeg
				heri gisteren
				hastar haasten
				haber hebben
				hic hier
				hora uur
				hodie vandaag
				hiberno winter
				

I

				infra (hier)onder
				impedir belemmeren
				illac daar
				ibi daar
				iste dit, deze
				isto dit, deze (o.)
				ir gaan
				il ha er zijn
				illo het, hij, ze; die, dat
				il het, er
				ille hij; hem; die, dat
				io ik
				in in
				imprimer in-, afdrukken
				integre integer, eerlijk
				inter inter, tussen, onder
				interim, intertanto ondertussen, onderwijl
				intra intra, binnen
				inseniar onderwijzen
				incontrar ontmoeten
				insimul te zamen; tegelijk
				ipse zelf
				inviar zenden
				illes zij, ze; deze
				illa zij, ze; haar
				

J

				junger (samen)voegen
				ja, jam (al)reeds
				juvene jong
				jacer liggen
				juxta nabij, naast
				jammais ooit, altijd
				jocar spelen; acteren
				jectar werpen, gooien
				

L

				lassar (over)laten
				levar (ver-, op)heffen
				libro boek
				large breed
				longe lang
				lente langzaam; lens; linze
				littera letter; brief
				leger lezen
				lumine licht
				legier licht (v. gewicht)
				labio lip
				loco plaats
				lingua taal
				lacrima traan
				lontan ver(weg)
				libere vrij
				lavar wassen
				latere zij(de), kant
				

M

				monstrar (ver)tonen
				melio(r) beter
				mover bewegen; roeren
				mangiar eten
				moneta geld
				major groter; majoor
				medie half
				mano hand
				mense maand
				ma maar
				de maniera que zodat
				minor minder, kleiner
				matre moeder
				matino morgen
				malgrado ondanks
				mal slecht, kwaad
				morir sterven
				multe veel, vele
				mente verstand, geest
				mundo wereld, aarde
				molle zacht
				mar zee
				mesme zelf; zelfde
				mitter zetten, plaatsen
				

N

				nascer geboren worden
				nulle geen; nietig
				nomine naam 
				nocte nacht
				no neen, geen
				nunquam nergens
				nette net, schoon; netto
				naso neus
				nemo niemand
				non niet; nee(n)
				nonobstante niettemin
				nonne? nietwaar?
				nove nieuw; negen
				nimie, nimis te (veel)
				ni noch
				nondum nog niet
				de nove opnieuw
				nostre ons, onze
				nam want
				nos wij, we; ons
				natar zwemmen; drijven
				

O

				obtener (ver)krijgen
				omne alle, ieder(e)
				osso been, bot
				occurrer gebeuren
				on men
				ora nu
				o of
				oculo oog
				oblidar vergeten
				

P

				parer (ver)schijnen; baren
				paupere arm, behoeftig
				povre arm, behoeftig
				promitter beloven
				pagar betalen
				presso bij, nabij
				pectore borst
				pan brood
				postea daarna, later
				pensar denken
				porta deur; poort
				portar dragen; brengen
				prime eerste
				proprie geschikt; eigen
				periculo gevaar
				puero jongen
				parve klein
				poter kunnen
				pais land
				puera meisje
				pena moeite; pijn
				post na
				proxime nabij; aanstaand
				postmeridie namiddag
				prender nemen, pakken
				proque omdat; waarom
				a pena nauwelijks
				per per, door(heen)
				placer plezier; plezieren
				plus plus, meer
				pauc(o), poc(o) weinig
				precio prijs
				pro pro, voor; om te
				probar, provar proberen
				pois que omdat; nadat
				pejo(r) slechter, erger
				parlar spreken
				petra steen
				pecia stuk
				pertiner toebehoren
				pronunciar uitspreken
				patre vader
				prohibir verbieden
				passato verleden; verleden tijd
				perder verliezen
				plure verscheiden
				peter verzoeken
				presto vlug, spoedig
				pede voet
				plen vol
				populo volk
				preter voorbij, naast
				proponer voorstellen
				perque waarom; omdat
				parola woord
				poner zetten, stellen
				pesante zwaar, gewichtig
				

Q

				quanto a wat betreft
				qua als
				qualque enige, enkele
				quante hoeveel
				quanto kwantum; voor zover
				quasi nagenoeg; alsof
				quo waar(heen); waarom
				quando wanneer, toen
				que wat, dat; dan, als
				qual welke; die, dat
				qui wie
				

R

				remaner (ver)blijven
				restar (ver)blijven
				responder antwoorden
				regratiar bedanken
				reguarder bekijken
				re betreffende, zaak
				regrettar betreuren
				rege koning
				regina koningin
				repasto maaltijd
				recercar onderzoeken
				reciper ontvangen
				recte recht; oprecht
				ration rede(n); rantsoen
				regno regering; rijk
				ric rijk
				rubie rood
				rapide snel, vlug
				retro terug
				retornar terugbrengen
				rota wiel
				

S

				seliger (uit)kiezen
				sol alleen; zon
				salvo behoudens
				sanguine bloed
				sino boezem, borst
				supra boven(op), over
				sovente dikwijls
				sete dorst
				seculo eeuw
				san gezond
				salutar groeten
				su haar, zijn
				senior heer
				sperar hopen
				si ja, zo; hetzij
				senioretta juffrouw
				sinistre links; sinister
				stomacho maag
				sed maar
				seniora mevrouw
				sub onder, beneden
				sur op
				super op, boven (op)
				simile overeenkomstig
				subite plotseling
				a saper namelijk
				scriber schrijven
				semper, sempre steeds
				solmente, solo slechts
				de sorta que zodat
				speculo spiegel
				star staan
				stella ster; bles
				stoppar stoppen
				strata straat
				sucro suiker
				sortir uitgaan
				supponer veronderstellen
				sentir voelen
				satis voldoende
				sequer volgen
				secundo volgens
				septimana week
				saper weten, kennen
				sabbato zaterdag
				se zich(zelf)
				sia zij; hetzij
				seder zitten
				sin zonder
				secur zonder twijfel
				sal zout
				sud zuid
				soror zuster
				

T

				toccar (aan)raken
				trans (dwars)door; over
				tote (ge)heel; al(le)
				tener (vast)houden
				terra aarde
				toto al(les); alleen
				tractar behandelen
				tra door
				tornar draaien
				tamen echter, evenwel
				testa hoofd, kop
				tu jij, je
				tarde laat
				tranquille rustig, kalm
				tosto spoedig
				tabula tafel
				tro(ppo) te veel
				tempore tijd; weer
				totevia toch; desondanks
				tunc toen; dan
				turre toren
				plus tosto eerder, liever
				traino trein
				tirar trekken
				traher trekken
				traducer vertalen
				trovar vinden
				timer vrezen
				travaliar werken, zwoegen
				tante zoveel
				tal zulk(een)
				tacer zwijgen
				

U

				un een
				usar gebruiken
				ultime laatste, vorige
				utile nuttig
				unquam ooit
				ubique overal; waar ook
				urbe stad
				usque tot(aan); totdat
				ultra verder, boven, uiterst
				ubi waar
				ulle wie ook; iedereen
				

V

				visage (aan)gezicht
				viste (aan)gezien
				vespere avond
				ventre buik
				vicino buurman
				vicina buurvrouw
				village dorp
				vader gaan
				vista gezicht
				vitro glas; ruit
				verde groen
				verso keerzijde; vers
				vestir kleden
				venir komen
				vacue leeg
				viver leven
				vita leven
				vice maal, keer
				viagar reizen
				voce stem
				vos u 
				vostre uw
				vender verkopen
				varie verschillende
				vetule, vetere oud
				in vice de in plaats van
				a vices soms
				volar vliegen
				ver waar
				via weg; via
				vino wijn
				voler willen
				vento wind
				vider zien