Deze beknopte grammatica is ook als Word-bestand beschikbaar.

Internetpublicatie (HTML-bewerking) verzorgd door Jeroen Kuiper. Laatste wijziging: 6 april 1999

BEKNOPTE GRAMMATICA VAN INTERLINGUA

Deze korte beschrijving van de grammatica van Interlingua is gebaseerd op: K.Wilgenhof, Grammatica de Interlingua, 2e druk, 1995. Voor details raadplege men dit boek.

UITSPRAAK

Interlingua wordt geschreven in het Latijnse alfabet van 26 letters. In het algemeen worden geen tekens voor het aanduiden van de klemtoon gebruikt. In deze grammatica wordt de klemtoon, indien nodig, aangegeven met een streepje onder de beklemtoonde klinker.

De meeste letters worden uitgesproken als in het Nederlands. Hierbij lette men op het volgende:

De klinkers moeten duidelijk en helder worden uitgesproken. De "e" klinkt dus als de "e" in de Nederlandse woorden met of teen, en niet als die in het Nederlandse woord de.

"c" is "ts" voor e, i, y : centro, civilisation, cylindro ; in andere gevallen "k": cabina, concrete, cultura, climate.

"ch" is "k": chaos, chirurgo, Christo, psyche, schola, technica; in enkele gevallen "sj": chacal (jakhals).

"g" is "g" (= "k" van het nederlandse woord zakdoek): agente, collegio, geographia, grande, pedagogia, vage; in de uitgang -age: "zj": passage, barrage, avantage, viage. In afleidingen van deze laatste groep wordt de uitspraak "zj" behouden en schrijft men gi voor a en o: garagista, avantagiose, passagero, sagio, viagiar. Ook in enkele andere niet afgeleide woorden wordt gi uitgesproken als "zj": forgia, legier, mangiar, rangiar.

"h" is stom in rh en th: rhapsodia, rheumatismo, athleta, throno, rhythmo.

"ph" is "f": phase, philosophia, phrenesia, diphteria.

"q" wordt altijd gevolgd door "u" en een andere klinker. "qu" is "kw": quanto, quitar, requesta. "qu" is "k" in que en qui en in combinaties met deze woorden: benque, perque, proque, ubique.

"s" is "z" tussen klinkers: rosa.

"ti" (niet beklemtoond en niet voorafgegaan door s) is "tsi" met een korte i voor klinkers: action, gratia, differential, martio, gratiose.; in andere gevallen "ti": democratia, garantia, angustia.

Interlingua heeft de tweeklanken "au" en "eu": audir, Europa

Er zijn woorden die zonder of met kleine veranderingen rechtstreeks uit hun oorspronkelijke talen zijn overgenomen, en waarvan de uitspraak min of meer gelijk is aan die van die taal: budget, club, handicap (uit het Engels), charme, chauffeur, nonchalance, nuance (uit het Frans), nickel, röntgen (uit het Duits), intermezzo, schizzo (uit het Italiaans), guerilla, rancho (uit het Spaans).

KLEMTOON

1. Hoofdregel: De klemtoon valt op de klinker vóór de laatste medeklinker: concerto, matras, angustia.

2. In tweelettergrepige woorden zonder medeklinker of zonder een klinker voor de laatste medeklinker valt de klemtoon op de eerste klinker: io, die, duo, flue.

3. Bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden op -le, -ne, -re, voorafgegaan door een klinker, hebben de klemtoon op de twee na laatste lettergreep: difficile, metropole, origine, examine, tempore, altere.

4. Bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden op -ic, -ica, -ico, -ide, -ido, -ule, -ula, -ulo hebben de klemtoon op de lettergreep die aan deze uitgangen voorafgaat: energic, clinica, publico, rapide, frigido, ridicule, formula, articulo.

5. De "s" van het meervoud heeft geen invloed op de klemtoon: casa - casas.

6. Afwijkingen van bovengenoemde regels worden in het woordenboek aangegeven met een streepje onder de beklemtoonde klinker: geographia, armea, amok.

 

LIDWOORDEN

1. Het bepaalde lidwoord is le en het onbepaalde lidwoord is un.

le patre

= de vader

un fratre

= een broer

le matre

= de moeder

un femina

= een vrouw

le infantes

= de kinderen

 

 

2. Met de voorzetsels a en de vormt het bepaalde lidwoord al en del.

aan de vader

= al patre

van de vader

= del patre

 

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN

1. De zelfstandige naamwoorden kennen geen geslacht. Alleen in de aanduidingen van mensen en dieren kan de -a het vrouwelijke en de -o het mannelijke geslacht aangeven.

amico

= vriend

maestro

= meester

italiano

= Italiaan

cavallo

= hengst

amica

= vriendin

maestra

= meesteres

italiana

= Italiaanse

cavalla

= merrie

2. Het meervoud vormt men door plaatsing van -s achter woorden die op een klinker eindigen en van -es achter woorden die op een medeklinker eindigen.

lingua (taal)

- linguas (talen)

mar (zee)

- mares (zeeën)

action (actie)

- actiones (acties)

patata (aardappel)

- patatas (aardappels)

3. Vele woorden eindigend op een medeklinker anders dan s, x, z en behorend tot de groep woorden genoemd aan het slot van het hoofdstuk over de uitspraak, vormen hun meervoud normaal op -s (maar -es is niet onjuist in zulke gevallen), in het bijzonder als dit de meervoudsuitgang in de oorspronkelijke taal is: chauffeur, chef, drug, dossier, film, handicap, hotel, interview, mannequin, portrait, rail, record, reservoir, saison, souvenir, tank, ticket, tunnel, wagon.

4. Van wetenschappelijke woorden op -itis en -sis vormt men het meervoud door deze uitgangen te veranderen in -ites en -ses.

neurosis

- neuroses

hepatitis

- hepatites

synopsis

- synopses

oasis

- oases

5. Samengestelde zelfstandige naamwoorden met een tweede deel in het meervoud blijven in het meervoud onveranderd.

un guardacostas

- een kustwachter

duo guardacostas

- twee kustwachters

6. De meervoudsvorm heeft geen invloed op de klemtoon.

arbore (boom)

- arbores

actor (acteur)

- actores

7. Het zelfstandige naamwoord kent geen naamvalsvormen.

 

VOORNAAMWOORDEN

1. Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden.

Persoonlijke voornaamwoorden

Bezittelijke voornaam-woorden

 

onderwerp

voorwerp

na voorz.

 

eerste persoon enkelvoud

io

me

me

mi

 

 

 

 

 

tweede persoon enkelvoud

       

- vertrouwelijk

tu

te

te

tu

- niet vertrouwelijk

vos

vos

vos

vostre

 

 

 

 

 

eerste persoon meervoud

nos

nos

nos

nostre

 

 

 

 

 

tweede persoon meervoud

vos

vos

vos

vostre

 

 

 

 

 

derde persoon enkelvoud

     

 

- vrouwelijk

illa

la

illa

su

- mannelijk

ille

le

ille

su

- onzijdig

illo

lo

illo

su

 

 

 

 

 

derde persoon meervoud

     

 

- vrouwelijk

illas

las

illas

lor

- mannelijk en algemeen

illes

les

illes

lor

- onzijdig

illos

los

illos

lor

 

2. De voornaamwoorden illa en ille duiden mensen aan en illo zaken en dieren. Wanneer men het geslacht van dieren wil aangeven, is het gebruik van ille en illa aanvaardbaar.Voor de tweede persoon enkelvoud is vos gebruikelijker dan tu en te, die voorbehouden blijven voor meer vertrouwelijke verhoudingen.

Van de derde personen meervoud heeft illas betrekking op een groep die uitsluitend vrouwelijk is en illos uitsluitend op een groep zaken of dieren. Illes is niet alleen mannelijk, maar heeft ook een meer algemene betekenis.

3.De wederkerende voornaamwoorden.

io me lava

- ik was me

nos nos lava

- wij wassen ons

tu te lava

- jij wast je

vos vos lava

- jullie wassen je

   

vos vos lava

- U wast zich

ille/illa se lava

- hij/zij wast zich

illes/illas se lava

- zij wassen zich

 

4. Nos, vos en se kunnen ook wederkerig voornaamwoord zijn.

Illes se basiava = Illes basiava le un le altere = zij kusten elkaar

5. Se wordt ook gebruikt voor de lijdende vorm.

Le libros se vendeva rapidemente = Le libros esseva rapidemente vendite

(De boeken werden snel verkocht).

6. De woorden van kolom 2 en se staan:

A. vóór de enkelvoudige vorm van het werkwoord

B. achter de gebiedende wijs, de infinitief en het tegenwoordig deelwoord

Io lo vide

= Ik zie het

Tu me sequeva

= Jij volgde me

Vos le trovara

= U zult hem vinden

Adjuta nos!

= Help ons!

Pro informar nos, ille me scribeva un littera

= Om ons in te lichten, schreef hij mij een brief

Vidente la, ille se approchava a illa e la salutava cordialmente

= Toen hij haar zag, ging hij naar haar toe en begroette haar hartelijk

Nos viagiara con illes

= Wij zullen met hen reizen

7. De woorden van kolom 2 en se staan vóór of achter de samengestelde werkwoordsvormen.

Io lo ha trovate - Io ha trovate lo (Ik heb het gevonden).

8. In combinatie met facer kan de plaats van een voornaamwoord de betekenis bepalen.

Illa le face portar

= Zij zorgt ervoor dat hij draagt.

Illa face portar le

= Zij zorgt ervoor dat hij wordt gedragen

Illa le face portar le

= Zij zorgt ervoor dat iemand een ander draagt

9. Bij combinaties van twee voornaamwoorden staat het meewerkend voorwerp vóór het lijdend voorwerp.

Ille me lo dice

= Hij zegt het tegen mij

Ille me lo ha dicite

= Hij heeft het tegen mij gezegd

Ille ha dicite me lo

= Hij heeft het tegen mij gezegd

10. Het voornaamwoord il wordt gebruikt in uitdrukkingen als:

Il pluve

= Het regent

Il face calor

= Het is warm

Il ha personas qui non lo crede

= Er zijn mensen die het niet geloven

Il es desirabile que ille venira tosto

= Het is wenselijk dat hij spoedig komt

 

11. Men kan il ook wel weglaten.

Es necessari trovar un medio melior = Het is noodzakelijk een beter middel te vinden

Dit betekent hetzelfde als de omgekeerde constructie:

Trovar un medio melior es necessari

12. De bezittelijke voornaamwoorden van de tabel staan gewoonlijk voor zelfstandige naamwoorden en op deze plaats bevatten ze de betekenis van het bepaalde lidwoord, waardoor ze maar zelden worden voorafgegaan door een lidwoord.

mi patre

= mijn vader

nostre fratres

= onze broers

tu matre

= jouw moeder

vostre amicos

= jullie/Uw vrienden

su soror

= zijn/haar zuster

lor amicas

= hun vriendinnen

 

13. De bezittelijke voornaamwoorden mi, tu, su en lor, geplaatst achter het zelfstandig naamwoord, krijgen een -e.

Un fratre mie = Un de mi fratres (Eén van mijn broers)

14. Wanneer de bezittelijke voornaamwoorden zelfstandig worden gebruikt, krijgen mi, tu, su en lor een -e (of een -o als ze personen aanduiden).

Iste parapluvia es le mie e illo es le tue = Deze paraplu is van mij en die is van jou

Mi fratre affin labora del matino usque al vespere pro le suos = Mijn zwager werkt van de

morgen tot de avond voor de zijnen

15. Meestal is het duidelijk of su de betekenis van de ille, de illa o de illo heeft. Indien dit niet zo is, gebruikt men deze voorzetselbepalingen.

Ille ama su infantes = Hij houdt van zijn kinderen

Illa ama su infantes = Zij houdt van haar kinderen

Illa dirige su automobile = ?

Als het in de laatste zin niet duidelijk of het om haar eigen auto of om die van haar buurman gaat, kan men in dit laatste geval zeggen:

Illa dirige le automobile de ille.

16. De aanwijzende voornaamwoorden kunnen bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt worden.

iste, ista, isto = deze, dit

ille, illa, illo = die, dat

Bijvoeglijk

Zelfstandig

 

personen

zaken

 

mannelijk

vrouwelijk

 

iste

iste

ista

isto

ille

ille

illa

illo

 

Iste puero es mi filio e ille puera es le filia del vicino = Deze jongen is mijn zoon en dat

meisje is de dochter van de buurman

Io opina que iste flores son plus belle que illos = Ik vind dat deze bloemen mooier zijn

dan die

17. Vragende en betrekkelijke voornaamwoorden.

que

bijvoeglijk en zelfstandig; voor personen en zaken

qui

zelfstandig; voor personen

qual

bijvoeglijk

cuje

bijvoeglijk

 

18. Het vragende voornaamwoord que wordt alleen voor zaken gebruikt en qui alleen voor personen.

Que significa isto?

= Wat betekent dit?

A que pensa vos?

= Waar denkt U aan?

Qui ha le clave de iste porta?

= Wie heeft de sleutel van deze deur?

A qui ha vos date le clave?

= Aan wie hebt U de sleutel gegeven?

 

19. Het betrekkelijke voornaamwoord qui wordt gebruikt voor personen, als het het onderwerp van de zin is of als het wordt voorafgegaan door een voorzetsel. In andere gevallen gebruikt men que.

Le puero qui ha le clave, es in le jardin = De jongen die de sleutel heeft, is in de tuin

Le puero a qui vos ha date le clave, es in le jardin = De jongen die (= aan wie) U de

sleutel hebt gegeven, is in de tuin

Le puera qui te salutava, es su soror = Het meisje dat jou groette, is zijn/haar zuster

Le puera que tu salutava, es mi soror = Het meisje dat jij groette, is mijn zuster

Le libro que es reimprimite, non es obtenibile nunc = Het boek dat wordt herdrukt, is nu niet

verkrijgbaar

Le libro que vos ha legite, es le mie = Het boek dat U hebt gelezen, is van mij

Le homine qui nos ha vidite/qui ha vidite nos = De man die ons heeft gezien

Le homine que nos ha vidite = De man die wij hebben gezien

Le personas con qui nos ha viagiate = De personen met wie wij hebben gereisd

Le autobus con que nos ha viagiate = De bus waarmee wij hebben gereisd

20. De combinatie lo que betekent: hetgeen, (dat) wat.

Io non crede lo que ille dice = Ik geloof niet wat hij zegt

Ille ha facite un error, lo que io regretta = Hij heeft een fout gemaakt, wat ik betreur

Vergelijk:

Io vide lo que ille lege = Ik zie wat hij leest

Io vide que ille lege = Ik zie dat hij leest

21. Het vragend voornaamwoord qual is bijvoeglijk.

Qual libros ha vos legite? E de qual autores? = Welke boeken hebt U gelezen? E van welke

schrijvers?

22. Als betrekkelijk voornaamwoord wordt ook le qual gebruikt.

Le vetule lanterna e le sabliero, le quales esseva rumpite, on ha cambiate pro alteres = De

oude lantaarn en de zandloper, die stuk waren, heeft men ingeruild voor andere

Le vetule lanterna e le sabliero, le qual esseva rumpite, on ha cambiate pro alteres = De

oude lantaarn en de zandloper, die stuk was, heeft men ingeruild voor andere

23. Het voornaamwoord cuje betekent de qui, de que of del qual.

Le homine cuje filio on ha arrestate = De man wiens zoon men heeft gearresteerd

Il habeva un incendio cuje flammas esseva visibile de longe = Er was een brand waarvan

men de vlammen van verre kon zien

 

HET WERKWOORD

1. De infinitief van de werkwoorden gaat uit op -r:

trovar (vinden)

vider (zien)

audir (horen)

2. De persoonsvorm is gelijk in alle tijden voor alle personen enkel- en meervoud.

3. Door het weglaten van de -r verkrijgt men de stam, die gebruikt wordt voor de onvoltooid tegenwoordige tijd :

io trova/vide/audi = ik vind/zie/hoor

tu trova/vide/audi = jij vindt/ziet/hoort

etc.

4. Van de werkwoorden esser, haber en vader gebruikt men in de onvoltooid tegenwoordige tijd meestal verkorte vormen: es, ha, va.

5. De stam wordt ook gebruikt voor de gebiedende wijs.

Vide!

= Zie!

Ascolta me!

= Luister naar mij!

Vade foras!

= Ga weg!

Veni hic!

= Kom hier!

       

6. De gebiedende wijs van esser is sia.

Sia contente!

= Wees tevreden!

Sia benvenite!

= Wees welkom!

7. Ook de infinitief kan een bevel of een verzoek uitdrukken.

Tener se al dextra!

= Rechts houden!

Non fumar!

= Niet roken!

8. De onvoltooid verleden tijd wordt gevormd door de uitgang -va achter de stam te plaatsen.

io trovava/videva/audiva = ik vond/zag/hoorde

etc.

9. De onvoltooid toekomende tijd wordt gevormd door de uitgang -a achter de infinitief te plaatsen. Deze uitgang heeft de klemtoon.

io trovara/videra/audira = ik zal vinden/zien/horen

etc.

10. De onvoltooid toekomende tijd kan men ook uitdrukken met behulp van het werkwoord. vader

io va trovar

io va vider

io va audir

etc.

11. De voorwaardelijke wijs wordt gevormd door de uitgang -ea achter de infinitief te plaatsen. De e van deze uitgang is beklemtoond.

io trovarea/viderea/audirea = ik zou vinden/zien/horen

12. Het tegenwoordig deelwoord vormt men door -nte achter de stam te plaatsen. Als de stam op -i uitgaat, voegt men -ente toe.

trovante = vindend

vidente = ziend

audiente = horend

13. Deze deelwoorden kunnen ook bijvoeglijke of zelfstandige naamwoorden zijn.

Passante le loco del accidente, nos videva vulneratos = Toen wij langs de plaats van het

ongeluk kwamen, zagen wij gewonden.

Duo passantes videva le fugiente captivo = Twee voorbijgangers zagen de vluchtende

gevangene.

14. De werkwoorden caper, facer, saper en de werkwoorden op -ciper, -ficer, -jicer,

-spicer (bijv. reciper, calefacer, sufficer, prospicer) hebben een tegenwoordig deelwoord op -iente: faciente, sapiente, sufficiente

15. Het voltooid deelwoord heeft de uitgang -te, geplaatst achter de stam.

trovate

= gevonden

vidite

= gezien

audite

= gehoord

16. Met het hulpwerkwoord haber en een voltooid deelwoord vormt men de voltooide tijden.

io ha trovate/vidite/audite = ik heb gevonden/gezien/gehoord

io habeva trovate = ik had gevonden, etc.

io habera trovate = ik zal hebben gevonden, etc.

io haberea trovate = ik zou hebben gevonden, etc.

17. De lijdende vorm is een combinatie van het hulpwerkwoord esser met het voltooid deelwoord.

illo es trovate/vidite/audite (per ... ) = het werd gevonden/gezien/gehoord (door ...)

illo esseva trovate, etc.

illo essera trovate, etc.

illo esserea trovate, etc.

illo ha essite trovate, etc.

etc.

18. In vele gevallen, als de bedrijver van de handeling niet wordt genoemd, drukt de combinatie van esser met het voltooid deelwoord een toestand uit.

Le vitro es rumpite = De ruit is gebroken/stuk

Es illa maritate? = Is ze getrouwd?

Iste citate es situate apud un grande laco = Deze stad ligt bij een groot meer

19. Interlingua heeft geen speciale vorm voor de aanvoegende wijs. In plaats daarvan gebruikt men de stam na het voegwoord que.

Que ille veni! = Dat hij kome!

20. Alleen het werkwoord esser heeft een vorm voor de aanvoegende wijs: sia.

Que on sia caute! = Wees voorzichtig!

21. De infinitief kan als zelfstandig naamwoord worden gebruikt.

Iste lamentar eterne me enoia forte = Dat eeuwige gejammer verveelt me enorm.

Su travaliar es jocar = Zijn werken is een spel

22. Naast de regelmatige vormen van het werkwoord esser komen ook voor:

io es = ik ben

io era = ik was

io sera = ik zal zijn

io serea = ik zou zijn

Ook de vorm son als meervoud van es is in gebruik: illes son = zij zijn.

 

BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN

1. Bijvoeglijke naamwoorden hebben geen speciale vrouwelijke en meervoudsvormen. Ze kunnen vóór of achter het zelfstandig naamwoord staan.

Korte bijvoeglijke naamwoorden zoals bon, belle, breve, mal, multe, grande, longe, parve worden gewoonlijk voorgeplaatst.

Le linguas national e le lingua international

Le immediate arrestation del assassinator = De onmiddellijke arrestatie van de moordenaar

Multe personas

Un parve infante

Un belle rosa

2. Zelfstandig gebruikt kunnen bijvoeglijke naamwoorden de uitgang -(e)s van het meervoud krijgen.

Es istos copias del original ? = Zijn dit kopieën van het origineel ?

No, istos es alteres = Nee, dit zijn andere

3. Trappen van vergelijking.

belle

= mooi

plus belle

= mooier

le plus belle

= het mooist

4. Enige bijvoeglijke naamwoorden hebben meer dan één vorm van de vergrotende en de overtreffende trap.

groot:

plus bon

(of)

melior

beter

 

le plus bon

(of)

optime

best

groot:

plus magne

(of)

major

groter

 

le plus magne

(of)

maxime

grootst

slecht:

plus mal

(of)

pejor

slechter

 

le plus mal

(of)

pessime

slechtst

klein:

plus parve

(of)

minor

kleiner, minder

 

le plus parve

(of)

minime

kleinst, minst

BIJWOORDEN

1. Bijwoorden kunnen worden afgeleid van bijvoeglijke naamwoorden door achterplaatsing van -mente. Achter bijvoeglijke naamwoorden op -c plaatst men -amente.

facile (gemakkelijk)

- facilemente

natural (natuurlijk)

- naturalmente

energic (energiek)

- energicamente

   

2. Als er twee bijwoorden achter elkaar worden gebruikt, is het niet noodzakelijk -(a)mente te herhalen.

Ille travalia rapide- e exactemente = Hij werkt snel en nauwkeurig

3. Er zijn een aantal bijwoorden die ook kunnen worden afgeleid met de uitgang -o, zoals:

multe (veel)

- multo

juste (juist)

- justo

bellissime (heel mooi)

- bellissimo

4. Vele bijwoorden worden niet afgeleid van bijvoeglijke naamwoorden, zoals: ancora (nog), forsan (misschien), semper (altijd), hic (hier), quando (wanneer), non (niet), etc., etc.

 

 

 

TELWOORDEN

1. Hoofdtelwoorden.

0 zero

   

1 un

11 dece-un - undece

21 vinti-un

2 duo

12 dece-duo - duodece

22 vinti-duo

3 tres

13 dece-tres - tredece

30 trenta

4 quatro

14 dece-quatro - quattuordece

40 quaranta

5 cinque

15 dece-cinque - quindece

50 cinquanta

6 sex

16 dece-sex - sedece

60 sexanta

7 septe

17 dece-septe

70 septanta

8 octo

18 dece-octo

80 octanta

9 novem

19 dece-novem

90 novanta

10 dece

20 vinti/viginti

100 cento

duizend = mille

miljoen = million

miljard = milliardo

8 765 432 019 = octo milliardos septe centos sexanta-cinque milliones quatro centos

trenta-duo milles e dece-novem

2. Rangtelwoorden.

1-ste prime

5-de quinte

9-de none

13-de dece-tertie

2-de secunde

6-de sexte

10-de decime

14-de dece-quarte

3-de tertie

7-de septime

11-de dece-prime

15-de dece-quinte

4-de quarte

8-ste octave

12-de dece-secunde

16-de dece-sexte

De overige rangtelwoorden worden afgeleid van de overeenkomstige hoofdtelwoorden met

behulp van het achtervoegsel - esime.

30-ste = trentesime

100-ste = centesime

1000-ste = millesime

 

Ook komen voor:

11-de = undecime

12-de = duodecime

13-de - tredecime;

 

14-de = quattuordecime

15-de = quindecime

16-de = sedecime

3. Breuken.

1/2 = un medietate

1/3 = un tertie parte - un tertio

1/4 = un quarte parte - un quarto

2/5 = duo quinte partes - duo quintos

13/20 = dece-tres (tredece) vintesime partes - dece-tres (tredece) vintesimos

 

VRAAGZINNEN

Er zijn drie manieren om een zin vragend te maken:

1. Door intonatie :

Vos non vole venir?

2. Door inversie :

Non vole vos venir?

3. Door voorplaatsing van esque:

Esque vos non vole venir?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.